Inleiding belastingrecht literatuursamenvatting
Literatuur Hoorcollege 1A (Hoofdstuk 1) (inleiding)
Het recht van de overheid om belasting te heffen moet worden begrensd door
rechtsregels. Deze basisbegrenzing is te vinden in art 104 Grondwet.
(legaliteitsbeginsel)
Directe belastingen-> belastingen op inkomen, winst en vermogen. (drukken
op de belastingplichtige)
Indirecte belastingen-> belastingen op goederen- en dienstentransacties. (niet
de belastingplichtige, maar een ander voelt de belasting in de portemonnee)
Belastingen-> onvrijwillige betalingen – anders dan als straf – aan de overheid,
waar geen rechtstreekse individuele prestatie tegenover staat, en die krachtens
algemene rechtsregels worden gevorderd.
Overzicht belangrijkste belastingen:
Inkomstenbelasting: alle natuurlijke personen die inwoner zijn van
Nederland, dan wel niet in Nederland wonen maar wel Nederlands inkomen
genieten, zijn belastingplichtig voor de inkomstenbelasting. Deze belasting
wordt geheven over een drietal boxen. Ontvangen erfenissen, giften en
vermogenswinsten vallen hier in beginsel buiten. Echter vallen
vermogenswinsten hier wel in als die in de ondernemingssfeer liggen.
Loonbelasting: werkgevers en uitkeringsinstanties zijn verplicht
gedurende het hele jaar loonbelasting in te houden op het loon of de
uitkering. Belastingplichtigen kunnen de ingehouden loonbelasting
vervolgens verrekenen met de volgens de later opgelegde aanslag
definitief verschuldigde inkomstenbelasting. (het is dus een voorheffing) Bij
ZZP’ers moet worden gekeken of er sprake is van een dienstbetrekking om
loonbelasting te kunnen toepassen.
Vennootschapsbelasting: dit is een afzonderlijke heffing van
winstbelasting op het niveau van de rechtspersoon of het
samenwerkingsverband. Dit ter voorkoming van langdurig uitstel van
belastingheffing over niet-uitgedeelde winsten. Plus de staat kan op deze
manier een deel van de winst afromen die buitenlandse investeerders
binnen de landsgrenzen maken.
Dividendbelasting, interestbelasting en royaltybelasting: dit zijn
bronheffingen die op indirecte wijze worden geheven. Bij
dividendbelastingen wordt de winst op aandelen bij verkoop belast, oftewel
de dividend.
Erfbelasting en schenkbelasting: dit bedraagt een erfenis of een
schenking verkregen door een inwoner van Nederland.
Kansspelbelasting: ook een bronheffing die indirect is. De organisator
draagt namelijk de verschuldigde belasting af.
Omzetbelasting: geheven volgens het systeem van een belasting over
de toegevoegde waarde (BTW). Deze belasting drukt op particulieren en
ondernemers.
Accijnzen: bijzondere verbruiksbelastingen op bijvoorbeeld alcohol of
tabaksproducten. Wordt afgedragen door belastingplichtige ondernemers,
1
, maar toch drukken de accijnzen op eindgebruikers omdat de ondernemers
de verkoopprijzen met deze accijnzen verhogen.
Overdrachtsbelasting: dit wordt geheven op het moment van verkrijging
van in Nederland gelegen onroerende zaken, art 2 WBR.
Assurantiebelasting: wordt geheven over verzekeringen. Art 22 en 23
WBR.
Milieuheffingen: geheven op gemeentelijk (bijvoorbeeld
afvalstoffenheffing) en provinciaal niveau en op rijksniveau (bijvoorbeeld
energiebelasting).
Belasting van personenauto’s, motorrijwielen en bestelauto’s: wet
BPM 1992.
Motorrijtuigenbelasting: vroeger ook wel bekend als de
wegenbelasting. MRB.
Premies voor sociale verzekeringen: volksverzekeringen,
werknemersverzekeringen en de basisverzekering tegen ziektekosten.
Belastingen van gemeenten, provincies en waterschappen: art 132
lid 6 GW. Decentrale overheden mogen alleen belastingen heffen die
uitdrukkelijk staan opgesomd in de provinciewet en de gemeentewet. Deze
belastingen zijn inkomensonafhankelijk, het is één algemene belasting.
Echter kan het tarief wel variëren per provincie.
Materieel belastingrecht: alle bepalingen over het ontstaan, de omvang en
het tenietgaan van de belastingschuld.
Materiële belastingschuld: deze ontstaat rechtstreeks uit de wet, zodra het
feitencomplex (het belastbare feit moet zich hebben voorgedaan en een
belastingplichtige moet zijn aan te wijzen) waaraan het materiele recht de
belasting vastknoopt compleet is.
Formeel belastingrecht: dit regelt wanneer de belastingschuld ontstaat,
welke autoriteit de te betalen belasting in elk concreet geval vaststelt, hoe dat
gebeurt, op welke wijze belastingplichtigen in bezwaar kunnen gaan tegen de
opgelegde aanslag, hoe de vaststelling van de belastingschuld na door de
belastingplichtige gemaakt bezwaar eventueel kan worden herzien en hoe de
belasting wordt geïnd.
Formele belastingschuld: bij aanslagbelastingen is deze gelijk aan het
bedrag dat de inspecteur via de aanslag vaststelt en door toezending van een
aanslagbiljet aan de belastingschuldige kenbaar maakt.
Gevolgen van de belastingheffing:
Belastingen hebben economische effecten. Doorgaans is het belangrijkste
effect dat mensen daadwerkelijk koopkracht kwijtraken aan de fiscus->
belastingdruk. Ook kunnen mensen hun plannen wijzigen vanwege de fiscale
gevolgen.
-Belastingen en gedrag: mensen baseren hun arbeidsaanbod op een
individuele afweging tussen het uurloon dat ze kunnen verdienen, het
consumptiepakket dat ze willen hebben, en de hoeveelheid vrije tijde die ze
willen overhouden. Belastingen kunnen de werking van die markt verstoren
aangezien ze aanknopen bij beloningen en prijzen.
2
,-Wie draagt de belastingen: de belasting wordt vaak gedragen door degene
die belastingplichtig is. In andere gevallen wordt de belasting gedragen door
een ander dan degene die de belasting voldoet. (bijvoorbeeld ondernemers
die de btw doorberekenen aan de consumenten)
-Inkomensherverdeling door belastingen: men zou verwachten dat de
inkomstenbelasting vooral terechtkomt bij de hoogste inkomens. Maar het
totaal van de heffingskortingen waarop een belastingplichtige aanspraak kan
maken wordt weggestreept tegen de door hem verschuldigde
inkomensheffing. Mensen met lage inkomens kunnen deze kortingen echter
niet benutten waardoor er een verzilveringsprobleem ontstaat. Plus men moet
bedenken dat hogere inkomens meer kunnen sparen van hun inkomen terwijl
lagere inkomens alles moeten uitgeven om rond te kunnen komen.
-Het ontgaan van belasting en belastingontduiking: ontgaan doet men door op
legale manieren vermindering te creëren van de verplichting jegens de fiscus
(dit kan ook door belastingvlucht-> vluchten naar een land met een milder
fiscaal klimaat of kapitaalstromen/winsten/vermogensopbrengsten omleiden
of onderbrengen in belastingparadijzen). En ontduiken is de illegale wijze om
minder belasting te betalen bijvoorbeeld door te frauderen.
Doeleinden van belastingheffing:
-Fiscale doeleinden: vullen van de schatkist. Dit moet wel voldoen aan vier
eisen. 1. Rechtvaardigheid: denk hierbij aan het
draagkrachtbeginsel (draagkrachtverhoudingen zijn voor en na
belastingheffing gelijk) en het profijtbeginsel (bijdragen in de door de overheid
tot stand gebrachte voorzieningen naar mate van het profijt dat zij van die
voorzieningen hebben).
2. Rechtszekerheid: mensen moeten kunnen vertrouwen op rechtsregels om
de fiscale gevolgen van hun handelen te kennen. Bijvoorbeeld de regel dat
aanslagen binnen een bepaalde termijn moeten plaatsvinden.
3. Uitvoerbaarheid: fiscale regels ontwerpen die goed uitvoerbaar zijn en een
‘gelijk speelveld’ creëren voor alle belastingplichtigen.
4. Neutraliteit: belastingen zouden geen effect moeten hebben op de keuzen
die mensen maken in een vrijemarkteconomie.
-Niet-fiscale doeleinden: milieuverbetering, innovatie en werkgelegenheid
(politiek/belasting als overheidsinstrument). Bijvoorbeeld het stimuleren van
investeringen in de particuliere sector. Of exclusieve fiscale faciliteiten voor
zelfstandige ondernemers, zoals de zelfstandigenaftrek of de mkb-vrijstelling.
-Het is inmiddels duidelijk geworden dat de markt niet altijd naar behoren
werkt.
3
, Literatuur hoorcollege 1B (Hoofdstuk 3) (loonbelasting)
Heffingen van het loon van werknemers waar werkgevers en werknemers mee te
maken hebben:
De loonbelasting
Premies voor de volksverzekeringen
Premies voor de werknemersverzekeringen
Inkomensafhankelijke bijdrage voor de Zorgverzekeringswet
De loonbelasting die werkgevers op het loon van werknemers inhouden is een
voorheffing op de uiteindelijk verschuldigde inkomstenbelasting, art 9.2 lid 1 sub
a Wet IB.
Op dezelfde wijze worden de door de werkgever op het loon van de werknemer
ingehouden premies voor de volksverzekeringen als voorheffing verrekend met
de op aanslag verschuldigde premies, art 9.2 lid 6 Wet IB.
Loonbelasting
Art 1 Wet LB geeft de groepen welke belastingplichtig zijn voor de loonbelasting.
Werknemer:
Art 2 lid 1 Wet LB -> De werknemer is een natuurlijk persoon die tot een
inhoudingsplichtige in dienstbetrekking staat, van een inhoudingsplichtige
loon geniet uit een vroegere dienstbetrekking van hemzelf of van een ander, of
van een inhoudingsplichtige loon geniet uit een bestaande dienstbetrekking van
een ander.
Dienstbetrekking:
Onderverdeeld in privaatrechtelijke en publiekrechtelijke dienstbetrekking of
fictieve dienstbetrekking:
Privaatrechtelijke dienstbetrekking -> arbeidsrelatie is gebaseerd op een
arbeidsovereenkomst tussen een werkgever en een werknemer. Hiervan is
sprake als voldaan is aan drie vereisten:
-De verplichting van de werknemer om gedurende zekere tijd persoonlijk
arbeid voor de werkgever te verrichten.
-De verplichting van de werkgever om de werknemer voor de arbeid loon
te betalen.
-De gezagsverhouding tussen de werknemer en de werkgever.
4
Literatuur Hoorcollege 1A (Hoofdstuk 1) (inleiding)
Het recht van de overheid om belasting te heffen moet worden begrensd door
rechtsregels. Deze basisbegrenzing is te vinden in art 104 Grondwet.
(legaliteitsbeginsel)
Directe belastingen-> belastingen op inkomen, winst en vermogen. (drukken
op de belastingplichtige)
Indirecte belastingen-> belastingen op goederen- en dienstentransacties. (niet
de belastingplichtige, maar een ander voelt de belasting in de portemonnee)
Belastingen-> onvrijwillige betalingen – anders dan als straf – aan de overheid,
waar geen rechtstreekse individuele prestatie tegenover staat, en die krachtens
algemene rechtsregels worden gevorderd.
Overzicht belangrijkste belastingen:
Inkomstenbelasting: alle natuurlijke personen die inwoner zijn van
Nederland, dan wel niet in Nederland wonen maar wel Nederlands inkomen
genieten, zijn belastingplichtig voor de inkomstenbelasting. Deze belasting
wordt geheven over een drietal boxen. Ontvangen erfenissen, giften en
vermogenswinsten vallen hier in beginsel buiten. Echter vallen
vermogenswinsten hier wel in als die in de ondernemingssfeer liggen.
Loonbelasting: werkgevers en uitkeringsinstanties zijn verplicht
gedurende het hele jaar loonbelasting in te houden op het loon of de
uitkering. Belastingplichtigen kunnen de ingehouden loonbelasting
vervolgens verrekenen met de volgens de later opgelegde aanslag
definitief verschuldigde inkomstenbelasting. (het is dus een voorheffing) Bij
ZZP’ers moet worden gekeken of er sprake is van een dienstbetrekking om
loonbelasting te kunnen toepassen.
Vennootschapsbelasting: dit is een afzonderlijke heffing van
winstbelasting op het niveau van de rechtspersoon of het
samenwerkingsverband. Dit ter voorkoming van langdurig uitstel van
belastingheffing over niet-uitgedeelde winsten. Plus de staat kan op deze
manier een deel van de winst afromen die buitenlandse investeerders
binnen de landsgrenzen maken.
Dividendbelasting, interestbelasting en royaltybelasting: dit zijn
bronheffingen die op indirecte wijze worden geheven. Bij
dividendbelastingen wordt de winst op aandelen bij verkoop belast, oftewel
de dividend.
Erfbelasting en schenkbelasting: dit bedraagt een erfenis of een
schenking verkregen door een inwoner van Nederland.
Kansspelbelasting: ook een bronheffing die indirect is. De organisator
draagt namelijk de verschuldigde belasting af.
Omzetbelasting: geheven volgens het systeem van een belasting over
de toegevoegde waarde (BTW). Deze belasting drukt op particulieren en
ondernemers.
Accijnzen: bijzondere verbruiksbelastingen op bijvoorbeeld alcohol of
tabaksproducten. Wordt afgedragen door belastingplichtige ondernemers,
1
, maar toch drukken de accijnzen op eindgebruikers omdat de ondernemers
de verkoopprijzen met deze accijnzen verhogen.
Overdrachtsbelasting: dit wordt geheven op het moment van verkrijging
van in Nederland gelegen onroerende zaken, art 2 WBR.
Assurantiebelasting: wordt geheven over verzekeringen. Art 22 en 23
WBR.
Milieuheffingen: geheven op gemeentelijk (bijvoorbeeld
afvalstoffenheffing) en provinciaal niveau en op rijksniveau (bijvoorbeeld
energiebelasting).
Belasting van personenauto’s, motorrijwielen en bestelauto’s: wet
BPM 1992.
Motorrijtuigenbelasting: vroeger ook wel bekend als de
wegenbelasting. MRB.
Premies voor sociale verzekeringen: volksverzekeringen,
werknemersverzekeringen en de basisverzekering tegen ziektekosten.
Belastingen van gemeenten, provincies en waterschappen: art 132
lid 6 GW. Decentrale overheden mogen alleen belastingen heffen die
uitdrukkelijk staan opgesomd in de provinciewet en de gemeentewet. Deze
belastingen zijn inkomensonafhankelijk, het is één algemene belasting.
Echter kan het tarief wel variëren per provincie.
Materieel belastingrecht: alle bepalingen over het ontstaan, de omvang en
het tenietgaan van de belastingschuld.
Materiële belastingschuld: deze ontstaat rechtstreeks uit de wet, zodra het
feitencomplex (het belastbare feit moet zich hebben voorgedaan en een
belastingplichtige moet zijn aan te wijzen) waaraan het materiele recht de
belasting vastknoopt compleet is.
Formeel belastingrecht: dit regelt wanneer de belastingschuld ontstaat,
welke autoriteit de te betalen belasting in elk concreet geval vaststelt, hoe dat
gebeurt, op welke wijze belastingplichtigen in bezwaar kunnen gaan tegen de
opgelegde aanslag, hoe de vaststelling van de belastingschuld na door de
belastingplichtige gemaakt bezwaar eventueel kan worden herzien en hoe de
belasting wordt geïnd.
Formele belastingschuld: bij aanslagbelastingen is deze gelijk aan het
bedrag dat de inspecteur via de aanslag vaststelt en door toezending van een
aanslagbiljet aan de belastingschuldige kenbaar maakt.
Gevolgen van de belastingheffing:
Belastingen hebben economische effecten. Doorgaans is het belangrijkste
effect dat mensen daadwerkelijk koopkracht kwijtraken aan de fiscus->
belastingdruk. Ook kunnen mensen hun plannen wijzigen vanwege de fiscale
gevolgen.
-Belastingen en gedrag: mensen baseren hun arbeidsaanbod op een
individuele afweging tussen het uurloon dat ze kunnen verdienen, het
consumptiepakket dat ze willen hebben, en de hoeveelheid vrije tijde die ze
willen overhouden. Belastingen kunnen de werking van die markt verstoren
aangezien ze aanknopen bij beloningen en prijzen.
2
,-Wie draagt de belastingen: de belasting wordt vaak gedragen door degene
die belastingplichtig is. In andere gevallen wordt de belasting gedragen door
een ander dan degene die de belasting voldoet. (bijvoorbeeld ondernemers
die de btw doorberekenen aan de consumenten)
-Inkomensherverdeling door belastingen: men zou verwachten dat de
inkomstenbelasting vooral terechtkomt bij de hoogste inkomens. Maar het
totaal van de heffingskortingen waarop een belastingplichtige aanspraak kan
maken wordt weggestreept tegen de door hem verschuldigde
inkomensheffing. Mensen met lage inkomens kunnen deze kortingen echter
niet benutten waardoor er een verzilveringsprobleem ontstaat. Plus men moet
bedenken dat hogere inkomens meer kunnen sparen van hun inkomen terwijl
lagere inkomens alles moeten uitgeven om rond te kunnen komen.
-Het ontgaan van belasting en belastingontduiking: ontgaan doet men door op
legale manieren vermindering te creëren van de verplichting jegens de fiscus
(dit kan ook door belastingvlucht-> vluchten naar een land met een milder
fiscaal klimaat of kapitaalstromen/winsten/vermogensopbrengsten omleiden
of onderbrengen in belastingparadijzen). En ontduiken is de illegale wijze om
minder belasting te betalen bijvoorbeeld door te frauderen.
Doeleinden van belastingheffing:
-Fiscale doeleinden: vullen van de schatkist. Dit moet wel voldoen aan vier
eisen. 1. Rechtvaardigheid: denk hierbij aan het
draagkrachtbeginsel (draagkrachtverhoudingen zijn voor en na
belastingheffing gelijk) en het profijtbeginsel (bijdragen in de door de overheid
tot stand gebrachte voorzieningen naar mate van het profijt dat zij van die
voorzieningen hebben).
2. Rechtszekerheid: mensen moeten kunnen vertrouwen op rechtsregels om
de fiscale gevolgen van hun handelen te kennen. Bijvoorbeeld de regel dat
aanslagen binnen een bepaalde termijn moeten plaatsvinden.
3. Uitvoerbaarheid: fiscale regels ontwerpen die goed uitvoerbaar zijn en een
‘gelijk speelveld’ creëren voor alle belastingplichtigen.
4. Neutraliteit: belastingen zouden geen effect moeten hebben op de keuzen
die mensen maken in een vrijemarkteconomie.
-Niet-fiscale doeleinden: milieuverbetering, innovatie en werkgelegenheid
(politiek/belasting als overheidsinstrument). Bijvoorbeeld het stimuleren van
investeringen in de particuliere sector. Of exclusieve fiscale faciliteiten voor
zelfstandige ondernemers, zoals de zelfstandigenaftrek of de mkb-vrijstelling.
-Het is inmiddels duidelijk geworden dat de markt niet altijd naar behoren
werkt.
3
, Literatuur hoorcollege 1B (Hoofdstuk 3) (loonbelasting)
Heffingen van het loon van werknemers waar werkgevers en werknemers mee te
maken hebben:
De loonbelasting
Premies voor de volksverzekeringen
Premies voor de werknemersverzekeringen
Inkomensafhankelijke bijdrage voor de Zorgverzekeringswet
De loonbelasting die werkgevers op het loon van werknemers inhouden is een
voorheffing op de uiteindelijk verschuldigde inkomstenbelasting, art 9.2 lid 1 sub
a Wet IB.
Op dezelfde wijze worden de door de werkgever op het loon van de werknemer
ingehouden premies voor de volksverzekeringen als voorheffing verrekend met
de op aanslag verschuldigde premies, art 9.2 lid 6 Wet IB.
Loonbelasting
Art 1 Wet LB geeft de groepen welke belastingplichtig zijn voor de loonbelasting.
Werknemer:
Art 2 lid 1 Wet LB -> De werknemer is een natuurlijk persoon die tot een
inhoudingsplichtige in dienstbetrekking staat, van een inhoudingsplichtige
loon geniet uit een vroegere dienstbetrekking van hemzelf of van een ander, of
van een inhoudingsplichtige loon geniet uit een bestaande dienstbetrekking van
een ander.
Dienstbetrekking:
Onderverdeeld in privaatrechtelijke en publiekrechtelijke dienstbetrekking of
fictieve dienstbetrekking:
Privaatrechtelijke dienstbetrekking -> arbeidsrelatie is gebaseerd op een
arbeidsovereenkomst tussen een werkgever en een werknemer. Hiervan is
sprake als voldaan is aan drie vereisten:
-De verplichting van de werknemer om gedurende zekere tijd persoonlijk
arbeid voor de werkgever te verrichten.
-De verplichting van de werkgever om de werknemer voor de arbeid loon
te betalen.
-De gezagsverhouding tussen de werknemer en de werkgever.
4