Studeerstof
Staatsrecht 2
Belangrijke informatie uit Staatsrecht 1
De Basis: Democratische Rechtsstaat en Grondregels
De Nederlandse staat is een democratische rechtsstaat. Dit houdt in dat
burgers invloed hebben op de vorming van het recht (democratie) en dat
de overheid zélf ook gebonden is aan het recht (rechtsstaat).
Er gelden twee belangrijke staatsrechtelijke grondregels:
Legaliteitsbeginsel (vooraf): Elk overheidsoptreden dat ingrijpt in de
vrijheid van burgers moet gebaseerd zijn op een algemene, vooraf
vastgestelde democratische regel (een wet). Geen bevoegdheid zonder
wettelijke grondslag.
Controle (achteraf): De uitoefening van overheidsgezag moet altijd
gecontroleerd kunnen worden, hetzij door een ander ambt (zoals het
parlement) of door de onafhankelijke rechter. Dit waarborgt de 'checks
and balances'.
De rechtsstaat kent vier harde eisen:
Het legaliteitsbeginsel
Machtenscheiding (Trias Politica)
Onafhankelijke rechtspraak
De bescherming van grondrechten.
Grondrechten
Een zeer belangrijk deel van Staatsrecht 1 gaat over de bescherming van
grondrechten en hoe deze eventueel beperkt mogen worden.
Klassiek vs. Sociaal:
- Klassieke grondrechten (zoals vrijheid van meningsuiting) vereisen
dat de overheid zich onthoudt van inmenging (staatsvrije sfeer) en
zijn afdwingbaar bij de rechter.
, - Sociale grondrechten (zoals volksgezondheid of werkgelegenheid)
zijn inspanningsverplichtingen voor de overheid en zijn in beginsel
niet in rechte afdwingbaar.
Positieve en Negatieve verplichtingen: Uit grondrechten vloeien
negatieve verplichtingen voort (respect, de overheid moet zich
inhouden) en positieve verplichtingen (protect & fulfill, de overheid
moet actief beschermen en verwezenlijken, bijvoorbeeld politie-inzet bij
een demonstratie).
Stappenschema Grondrechten: Als je een beroep doet op een
grondrecht, toets je dit in drie stappen:
1. Inroepbaarheid: Kun je je op dit recht beroepen? (Let op het
toetsingsverbod van art. 120 Gw: wetten in formele zin mogen niet
aan de Grondwet worden getoetst, maar via art. 94 Gw wél aan
eenieder verbindende verdragsbepalingen zoals het EVRM).
2. Reikwijdte: Valt jouw gedraging daadwerkelijk onder de bescherming
van het grondrecht? (bijv. religiekritiek valt onder vrijheid van
meningsuiting).
3. Legitieme beperking: Is de beperking door de overheid toegestaan?
Beperkingssystematieken:
- Grondwet (Formeel): Kijkt naar competentie (wie mag beperken, bijv.
"de wet regelt"), doelcriteria (bijv. "ter bescherming van de
gezondheid") en procedurevoorschriften.
o De Grondwet hanteert de leer van de bijzondere beperkingen: de
beperkende wet moet specifiek gericht zijn op het inperken van
dat grondrecht.
- EVRM (Materieel): Hanteert andere eisen. De beperking moet
voorzien zijn bij wet, een legitiem doel dienen en noodzakelijk zijn in
een democratische samenleving (subsidiariteit en proportionaliteit).
Organisatie van de Staat: Regering en Parlement
Begrippenkader:
- De regering bestaat uit de Koning en de ministers.
- De ministerraad bestaat alleen uit de ministers.
, - Het kabinet bestaat uit alle ministers én de staatssecretarissen.
Ministeriële verantwoordelijkheid (art. 42 Gw): De Koning is
onschendbaar, de ministers zijn verantwoordelijk voor het handelen van
de Koning, voor zichzelf, voor hun staatssecretaris, hun ambtenaren én
voor hun voorgangers. Gekoppeld hieraan is de inlichtingenplicht (art.
68 Gw): ministers en staatssecretarissen moeten het parlement
informeren, tenzij dit in strijd is met "het belang van de staat".
De Vertrouwensregel: Dit is ongeschreven staatsrecht. Een
bewindspersoon of het hele kabinet dat niet langer het vertrouwen
geniet van de Tweede Kamer (vaak blijkend uit een motie van
wantrouwen), moet aftreden.
Het Parlement (Staten-Generaal): Bestaat uit de Eerste en Tweede
Kamer. De Tweede Kamer wordt direct gekozen en heeft het recht van
initiatief en amendement (wijzigen of toevoegen). De Eerste Kamer
wordt indirect gekozen (via Provinciale Staten) en kan wetsvoorstellen
alleen aannemen of verwerpen (geen amendementsrecht).
Wetgeving en Delegatie
Wet in formele vs. materiële zin: Een wet in formele zin (Wifz) wordt
gezamenlijk vastgesteld door de regering en de Staten-Generaal (art.
81 Gw). Een wet in materiële zin is elk besluit dat algemeen
verbindende voorschriften (avv's) bevat die burgers binden. Een
regeling kan beide zijn, of slechts één van de twee.
Wetgevingsprocedure: Voorstellen kunnen komen van de regering of
de Tweede Kamer (initiatiefvoorstel). Ze gaan langs de Raad van State
voor advies. Zolang de Tweede Kamer nog niet heeft ingestemd, mag
het voorstel gewijzigd (via een nota van wijziging door de indiener of
een amendement door een TK-lid) en ingetrokken worden.
Delegatie (het overdragen van wetgevende bevoegdheid): De
Grondwet bepaalt of de Wifz regels mag overlaten aan lagere
overheden (zoals de regering via een AMvB, of een minister via een
Ministeriële Regeling).
, - Wel toegestaan: Als de Grondwet termen gebruikt als "regelt", "stelt
regels", of "bij of krachtens de wet".
- Niet toegestaan: Als de Grondwet termen gebruikt als "de wet
bepaalt" of "bij de wet".
Zelfstandige vs. Onzelfstandige AMvB's: Sinds het
Meerenbergarrest (1879) heeft de regering geen zelfstandige
wetgevende bevoegdheid meer. Vrijwel elke Algemene Maatregel van
Bestuur (AMvB) of Ministeriële Regeling (MR) moet berusten op een wet
in formele zin (legaliteitseis).
- Zelfstandige amvb’s : alleen bepalingen die niet door straffen
worden gehandhaafd (en waarvoor ook overigens door de Gw geen
wfz wordt vereist) mogen nog in een zamvb
o Zelfstandige amvb’s zijn lastig element in definitie
legaliteitsbeginsel
Decentralisatie (Gemeente en Provincie)
Nederland is een gedecentraliseerde eenheidsstaat.
De organen: De gemeenteraad is het hoofd van de gemeente en de
lokale volksvertegenwoordiging. Het College van B&W is het dagelijks
bestuur. De burgemeester heeft eigen wettelijke bevoegdheden, met
name de handhaving van de openbare orde (art. 172 Gemw).
Autonomie vs. Medebewind:
- Autonomie (art. 124 lid 1 Gw): Het regelen van de "eigen
huishouding" op eigen initiatief. Bijvoorbeeld het lokaal verbieden
van alcohol op straat via een Algemene Plaatselijke Verordening
(APV).
- Medebewind (art. 124 lid 2 Gw): Het verplicht meewerken aan de
uitvoering van landelijk beleid (zoals de Jeugdwet).
Grenzen aan de autonome verordenende bevoegdheid:
- Benedengrens: De gemeente mag niet ingrijpen in de pure
privésfeer achter de voordeur (denk aan het Wilnisser Visser
arrest).
Staatsrecht 2
Belangrijke informatie uit Staatsrecht 1
De Basis: Democratische Rechtsstaat en Grondregels
De Nederlandse staat is een democratische rechtsstaat. Dit houdt in dat
burgers invloed hebben op de vorming van het recht (democratie) en dat
de overheid zélf ook gebonden is aan het recht (rechtsstaat).
Er gelden twee belangrijke staatsrechtelijke grondregels:
Legaliteitsbeginsel (vooraf): Elk overheidsoptreden dat ingrijpt in de
vrijheid van burgers moet gebaseerd zijn op een algemene, vooraf
vastgestelde democratische regel (een wet). Geen bevoegdheid zonder
wettelijke grondslag.
Controle (achteraf): De uitoefening van overheidsgezag moet altijd
gecontroleerd kunnen worden, hetzij door een ander ambt (zoals het
parlement) of door de onafhankelijke rechter. Dit waarborgt de 'checks
and balances'.
De rechtsstaat kent vier harde eisen:
Het legaliteitsbeginsel
Machtenscheiding (Trias Politica)
Onafhankelijke rechtspraak
De bescherming van grondrechten.
Grondrechten
Een zeer belangrijk deel van Staatsrecht 1 gaat over de bescherming van
grondrechten en hoe deze eventueel beperkt mogen worden.
Klassiek vs. Sociaal:
- Klassieke grondrechten (zoals vrijheid van meningsuiting) vereisen
dat de overheid zich onthoudt van inmenging (staatsvrije sfeer) en
zijn afdwingbaar bij de rechter.
, - Sociale grondrechten (zoals volksgezondheid of werkgelegenheid)
zijn inspanningsverplichtingen voor de overheid en zijn in beginsel
niet in rechte afdwingbaar.
Positieve en Negatieve verplichtingen: Uit grondrechten vloeien
negatieve verplichtingen voort (respect, de overheid moet zich
inhouden) en positieve verplichtingen (protect & fulfill, de overheid
moet actief beschermen en verwezenlijken, bijvoorbeeld politie-inzet bij
een demonstratie).
Stappenschema Grondrechten: Als je een beroep doet op een
grondrecht, toets je dit in drie stappen:
1. Inroepbaarheid: Kun je je op dit recht beroepen? (Let op het
toetsingsverbod van art. 120 Gw: wetten in formele zin mogen niet
aan de Grondwet worden getoetst, maar via art. 94 Gw wél aan
eenieder verbindende verdragsbepalingen zoals het EVRM).
2. Reikwijdte: Valt jouw gedraging daadwerkelijk onder de bescherming
van het grondrecht? (bijv. religiekritiek valt onder vrijheid van
meningsuiting).
3. Legitieme beperking: Is de beperking door de overheid toegestaan?
Beperkingssystematieken:
- Grondwet (Formeel): Kijkt naar competentie (wie mag beperken, bijv.
"de wet regelt"), doelcriteria (bijv. "ter bescherming van de
gezondheid") en procedurevoorschriften.
o De Grondwet hanteert de leer van de bijzondere beperkingen: de
beperkende wet moet specifiek gericht zijn op het inperken van
dat grondrecht.
- EVRM (Materieel): Hanteert andere eisen. De beperking moet
voorzien zijn bij wet, een legitiem doel dienen en noodzakelijk zijn in
een democratische samenleving (subsidiariteit en proportionaliteit).
Organisatie van de Staat: Regering en Parlement
Begrippenkader:
- De regering bestaat uit de Koning en de ministers.
- De ministerraad bestaat alleen uit de ministers.
, - Het kabinet bestaat uit alle ministers én de staatssecretarissen.
Ministeriële verantwoordelijkheid (art. 42 Gw): De Koning is
onschendbaar, de ministers zijn verantwoordelijk voor het handelen van
de Koning, voor zichzelf, voor hun staatssecretaris, hun ambtenaren én
voor hun voorgangers. Gekoppeld hieraan is de inlichtingenplicht (art.
68 Gw): ministers en staatssecretarissen moeten het parlement
informeren, tenzij dit in strijd is met "het belang van de staat".
De Vertrouwensregel: Dit is ongeschreven staatsrecht. Een
bewindspersoon of het hele kabinet dat niet langer het vertrouwen
geniet van de Tweede Kamer (vaak blijkend uit een motie van
wantrouwen), moet aftreden.
Het Parlement (Staten-Generaal): Bestaat uit de Eerste en Tweede
Kamer. De Tweede Kamer wordt direct gekozen en heeft het recht van
initiatief en amendement (wijzigen of toevoegen). De Eerste Kamer
wordt indirect gekozen (via Provinciale Staten) en kan wetsvoorstellen
alleen aannemen of verwerpen (geen amendementsrecht).
Wetgeving en Delegatie
Wet in formele vs. materiële zin: Een wet in formele zin (Wifz) wordt
gezamenlijk vastgesteld door de regering en de Staten-Generaal (art.
81 Gw). Een wet in materiële zin is elk besluit dat algemeen
verbindende voorschriften (avv's) bevat die burgers binden. Een
regeling kan beide zijn, of slechts één van de twee.
Wetgevingsprocedure: Voorstellen kunnen komen van de regering of
de Tweede Kamer (initiatiefvoorstel). Ze gaan langs de Raad van State
voor advies. Zolang de Tweede Kamer nog niet heeft ingestemd, mag
het voorstel gewijzigd (via een nota van wijziging door de indiener of
een amendement door een TK-lid) en ingetrokken worden.
Delegatie (het overdragen van wetgevende bevoegdheid): De
Grondwet bepaalt of de Wifz regels mag overlaten aan lagere
overheden (zoals de regering via een AMvB, of een minister via een
Ministeriële Regeling).
, - Wel toegestaan: Als de Grondwet termen gebruikt als "regelt", "stelt
regels", of "bij of krachtens de wet".
- Niet toegestaan: Als de Grondwet termen gebruikt als "de wet
bepaalt" of "bij de wet".
Zelfstandige vs. Onzelfstandige AMvB's: Sinds het
Meerenbergarrest (1879) heeft de regering geen zelfstandige
wetgevende bevoegdheid meer. Vrijwel elke Algemene Maatregel van
Bestuur (AMvB) of Ministeriële Regeling (MR) moet berusten op een wet
in formele zin (legaliteitseis).
- Zelfstandige amvb’s : alleen bepalingen die niet door straffen
worden gehandhaafd (en waarvoor ook overigens door de Gw geen
wfz wordt vereist) mogen nog in een zamvb
o Zelfstandige amvb’s zijn lastig element in definitie
legaliteitsbeginsel
Decentralisatie (Gemeente en Provincie)
Nederland is een gedecentraliseerde eenheidsstaat.
De organen: De gemeenteraad is het hoofd van de gemeente en de
lokale volksvertegenwoordiging. Het College van B&W is het dagelijks
bestuur. De burgemeester heeft eigen wettelijke bevoegdheden, met
name de handhaving van de openbare orde (art. 172 Gemw).
Autonomie vs. Medebewind:
- Autonomie (art. 124 lid 1 Gw): Het regelen van de "eigen
huishouding" op eigen initiatief. Bijvoorbeeld het lokaal verbieden
van alcohol op straat via een Algemene Plaatselijke Verordening
(APV).
- Medebewind (art. 124 lid 2 Gw): Het verplicht meewerken aan de
uitvoering van landelijk beleid (zoals de Jeugdwet).
Grenzen aan de autonome verordenende bevoegdheid:
- Benedengrens: De gemeente mag niet ingrijpen in de pure
privésfeer achter de voordeur (denk aan het Wilnisser Visser
arrest).