Theorie
Psychodiagnostiek en Assessment: Hoofdstuk 1
De basis van diagnostiek
Diagnostiek gaat in de kern over het voorspellen van menselijk gedrag.
Denk hierbij aan een psycholoog die voorspelt of een bepaalde therapie
zal helpen, of een loopbaancoach die voorspelt of iemand geschikt is voor
een baan.
Hoe meten we of een voorspelling goed is?
Om te weten of je voorspellingen kloppen, kijk je naar twee momenten:
1. Beoordelingsmoment NU (De Test): de gegevens die je nu verzamelt
(bv een intelligentietest of een gesprek).
2. Beoordelingsmoment in de TOEKOMST (Het Criterium): wat er later
echt gebeurt (bv haalt de persoon zijn diploma?).
De mate waarin de testuitslag en de werkelijkheid met elkaar
overeenkomen, noemen we de predictieve validiteit. Hoe beter dit
overeenkomt, hoe groter jouw vakmanschap als voorspeller.
Besliskunde
Als je een voorspelling doet, zijn er vier uitkomsten mogelijk:
- Valid Positive (VP): je voorspelde dat er iets zou gebeuren (bv succes
op school) en dat gebeurde ook, je voorspelling klopte.
- Valid Negative (VN): je voorspelde dat iemand niet geschikt zou zijn,
en dat bleek in de praktijk ook te kloppen, je voorspelling klopte.
- False Positive (FP): je voorspelde iets positiefs, maar het bleek
achteraf niet waar te zijn, je voorspelling klopte niet.
- False Negative (FN): je voorspelde dat het niets zou worden, maar
de persoon bleek achteraf toch heel succesvol te zijn, je voorspelling
klopte niet.
Correlatiecoëfficiënt
De correlatiecoëfficiënt is een getal dat aangeeft hoe sterk het verband is
tussen twee variabelen (bv je testuitslag en het werkelijke gedrag later).
- Het is altijd een getal tussen de 0 en 1.00.
- 1.00 betekent een perfecte correlatie: de voorspelling komt precies
uit.
- 0,5 wordt gezien als een behoorlijke relatie.
,Beoordelingsfouten bij het maken van beslissingen
Mensen maken vaak systematisch fouten bij het beoordelen van anderen:
- Verstandige fouten: soms kies je er bewust voor om meer False
Positives of False Negatives te accepteren om grotere problemen te
voorkomen (bv strenger selecteren bij een gevaarlijk beroep). Dit
creëert een aftestgrens.
- Overschatten van specifieke kansen: je schat de kans dat iemand
een bepaalde eigenschap heeft verkeerd in.
- Beschikbaarheidsheuristiek: je denkt dat dingen die je makkelijk
kunt onthouden of waar je snel een voorbeeld van weet, vaker
voorkomen. Hierbij wegen gebeurtenissen (occurances) vaak
zwaarder dan dingen die niet gebeurd zijn (non-occurances).
- Regressie naar het gemiddelde: extreme scores vallen ons meer op
en wegen we zwaarder mee, terwijl gemiddelde gebeurtenissen
minder opvallen.
- Eerste en laatste indruk (Primacy & Recency): de allereerste indruk
(primacy) en het allerlaatste wat er gebeurde (recency) onthouden
we het best. Informatie uit het midden verdwijnt het snelst.
- Voorbarige reductie van cognitieve dissonantie: mensen willen graag
dat hun ideeën en acties met elkaar kloppen. Als we eenmaal een
mening hebben, negeren we informatie die daar niet bij past om dat
prettige gevoel van ‘het klopt’ vast te houden.
Horn- en halo-effecten
- Halo-effect: één positieve eigenschap zorgt ervoor dat je denkt dat
de persoon op alle vlakken goed presteert.
- Horn-effect: één negatieve eigenschap zorgt ervoor dat je iemand op
alle vlakken als ongeschikt of onbetrouwbaar ziet.
Oplossingen tegen beoordelingsfouten
- Contrary evidence: ga heel bewust op zoek naar aanwijzingen die
jouw eigen mening tegenspreken. Als je dit niet kunt vinden, is je
mening waarschijnlijk juist (falsificatie).
- Multi-rater-methode: gebruik meerdere beoordelaars om een
eenzijdig oordeel te voorkomen.
De Gouden Drie
- Interview
- Psychologische testen
- Gedragsobservaties
, Cultuur en Psychodiagnostiek: Hoofdstuk 1
Basis van het hoofdstuk
Wanneer we iemand uit een andere cultuur testen, kunnen er ‘storende
factoren’ optreden waardoor de testuitslag niet klopt. Dit noemen we bias
(of vertekening). Er zijn drie manieren waarop een test onbedoeld de
verkeerde informatie kan geven.
Constructbias
Het psychologische begrip dat je meet, wordt in een andere cultuur anders
beleefd. Denk aan depressie. In de ene cultuur praten mensen over
sombere gedachten, terwijl ze in een andere cultuur vooral lichamelijke
klachten (zoals buikpijn) noemen als ze depressief zijn. De test meet dan
niet hetzelfde gevoel.
Methodebias
De manier waarop de test wordt afgenomen zorgt voor een vertekend
beeld. Dit heeft drie oorzaken:
1. Achtergrond van de persoon: mensen die lager opgeleid zijn, geven
soms vaker sociaal wenselijke antwoorden of zeggen over ‘ja’ op
(acquiescence).
2. De testleider: de diagnosticus kan (onbewust) bepaalde
verwachtingen hebben van iemand met een migratieachtergrond,
wat het oordeel kleurt.
3. Communicatie: in een testsituatie gelden ongeschreven regels
(normen). Als de testpersoon deze regels anders begrijpt dan de
diagnosticus, ontstaan er misverstanden.
Itembias
Een specifieke vraag (item) in de test klopt niet. Een woord of spreekwoord
in een vraag kan in een andere cultuur een heel andere betekenis hebben
of simpelweg onbekend zijn.
Interculturele diagnostiek: De achtergrond
De aandacht voor dit onderwerp is door de jaren heen veranderd:
- Jaren ’60: er was bijna geen interesse in cultuur bij het testen.
- Jaren ’80: men begon zich af te vragen of onze testen wel bruikbaar
waren voor migranten.
- Jaren ’90: er werd veel onderzoek gedaan naar fouten in testen en er
kwamen nieuwe, geschiktere testen.
- Jaren ’10: de interesse nam weer wat af.
- Nu: in de praktijk is er weer veel meer aandacht voor.