Aantekeningen colleges Staatsrecht blok 1
HOORCOLLEGE 1
Recht:
- Publiekrecht: overheid is betrokken;
o Strafrecht: sancties verbonden aan het gedrag van burgers
o Staats- en bestuursrecht: niet in de vorm van straffen
- Privaatrecht: geen overheid, alleen burgers, bedrijven en maatschappelijke organisaties.
Rechtsregel: overheid kan afdwingen dat de regel wordt gehandhaafd. Moet gebaseerd zijn op een
bevoegdheid
Staatsrecht: Welke organen zijn, onder welke voorwaarden bevoegd tot het stellen van in de
Nederlandse rechtsorde geldende rechtsnormen?
Ontwikkeling van rechtsstaat en democratie:
Geschiedenis:
1. De theocratische staatsopvatting → staatsleer die uitgaat van de gedachte dat alle regels van
goddelijke oorsprong zijn. (Augustinus; ontwikkelde theorieën over de rechtvaardiging van
overheidsgezag)
2. Natuurrecht: de feodale staat/leenstelsel → stelsel van klassen in de samenleving en van
wederzijdse afhankelijkheid. Gelaagde samenleving met voorgeschreven posities en relaties.
Regels vloeien voort uit natuurlijke relaties van mensen in de samenleving. (Thomas van
Aquino)
3. Het model van de absolute staat → hertogdommen en graafschappen worden gevoegd bij de
grotere rijken (bv. Spaanse Rijk) (Lodewijk XIV) (Bodin)
4. De klassieke liberale rechtsstaat → leer absolutisme: machtsconcentratie leidt tot
machtsmisbruik. Einde: Franse Revolutie. Mensen verwerpen absolutisme, nieuwe manier
moest fouten van absolutisme voorkomen. Overheid ten diensten van de burger, niet de
onderdrukker van de burger. Vrijheid is regel, overheidsgezag is uitzondering. (Montesquieu
en Rousseau). → ontstaan rechtsstaat.
Rechtsstaat:
1. Klassieke (liberale) rechtsstaat:
o Legaliteitsbeginsel: alle overheidsoptreden dat inbreuk maakt op de vrijheid van
burgers, moet op een wettelijke grondslag berusten. De burgers bepalen aan welke
regels ze gebonden worden.
o Machtenscheiding: machtsconcentratie moet voorkomen worden en zo ook
machtsmisbruik.
o Grondrechten: beschermen minderheden tegen een meerderheid die het voor het
zeggen hebben.
o Rechterlijke controle: burger moet naar een rechter kunnen om zo beschermd te
kunnen worden tegen de overheid.
Begin nachtwakersstaat
2. Democratische rechtsstaat:
De wet is belangrijk, dus het is ook belangrijk wie de wet maakt.
o Actief en passief kiesrecht: 1917: mannen kiesrecht
1919/1922: vrouwen kiesrecht
Stelsel van evenredige vertegenwoordiging
o Politieke grondrechten:
o Pluriforme media: mensen weten wat de overheid doet
o Openbaarheid van bestuur en besluitvorming
,Aantekeningen colleges Staatsrecht blok 1
3. Sociale rechtsstaat:
o Sociale wetgeving: 1874: kinderwetje van Van Houten.
o Verzorgingsstaat
WERKCOLLEGE 1
Democratische rechtsstaat:
1. Legaliteitsbeginsel: Elk overheidsoptreden dat inbreuk maakt op de vrijheid van burgers,
moet op een wettelijke grondslag berusten.
Overheidsoptreden is gebaseerd op een wetgeving die door een bevoegd orgaan gemaakt is.
→ wet gemaakt door regering en Staten-Generaal. (formeel)
Wet is een goede manier om het overheidsoptreden vast te leggen → de wet is namelijk
gemaakt door de volksvertegenwoordiging en het volk kiest de volksvertegenwoordiging.
Op strafrechtelijk gebied: Art. 16 GW
Ander voorbeeld: Art. 57. Belasting heffen (= ]overheidsingrijpen) mag alleen op basis van
een wet.
2. Machtsverdeling: voorkomt machtsmisbruik, machtsmisbruik kan voorkomen als de macht
bij 1 persoon ligt.
Nederland heeft geen zuivere t\\rias politica. Bijv. Art. 81 GW → Staten-Generaal en regering
maken wetten = wetgevende macht. Maar regering is ook uitvoerende macht, dus geen
zuivere scheiding. Eerder machtsverdeling i.p.v. machtenscheiding.
Of Art. 116 lid 1 GW, wetgevende macht bepaalt de rechterlijke macht.
Art. 57 GW: lid van Staten-Generaal (wetgevende macht) mag niet minister (uitvoerende
macht) of Advocaat-Generaal (rechterlijke macht) tegelijk zijn.
3. Grondrechten: fundamentele rechten die men heeft. Wet komt tot stand door
meerderheidsuitspraak. (hoofdstuk 1 van de GW)
4. Rechterlijke controle: rechter is onafhankelijk, is voor het leven benoemd, hij hoeft zo niet
bang te zijn dat hij zijn baan kwijt raakt en ontslagen wordt. Wet zorgt voor behoorlijk salaris
→ voorkomt omkoping.
Democratische rechtsstaat:
1. Kiesrecht (art. 4 GW), 129’, 54
2. ‘Vertegenwoordiging’ 50, 53, 55
3. Politieke grondrechten: art. 8 GW, art. 5 GW, art. 7 GW, art. 9 GW
4. Openbaarheid van bestuur art. 110 GW
HOORCOLLEGE 2
Vorm en inhoud
Denk aan:
Bierglas met bier → glas bier
Wijnglas met wijn → glas wijn
Bierglas met wijn → vorm is nog steeds een bierglas, maar inhoud is een glas wijn
Wijnglas met bier → vorm is nog steeds een wijnglas, maar inhoud is een glas bier
Vorm en inhoud vallen vaak samen, maar dit is niet altijd het geval.
Legaliteitsbeginsel: Elk overheidsoptreden (dat inbreuk maakt op de vrijheid van burgers) moet op
een wettelijke grondslag berusten.
, Aantekeningen colleges Staatsrecht blok 1
De staat was in deze tijd een soort nachtwakersstaat. Gedachte: De overheid hoeft niet voor alles
een wettelijke grondslag te hebben, sommige dingen zijn ten gunste van de burger. Daar heeft de
burger wat aan. Maar hierbij moeten wel keuzes gemaakt worden, daarom moet er dus ook bij
dingen ten gunste van de burger een wettelijke grondslag zijn. Bv. Het aanleggen van een weg, is ten
gunste van de burgers. Maar hiervoor moeten keuzes gemaakt worden, want deze weg kan ook in
iemand anders z’n achtertuin zijn. Daarom moet het op een wettelijke grondslag berusten.
Er is dus niet veel overheidsoptreden dat niet op een wettelijke grondslag berust. Haakjes kunnen
tegenwoordig dus eigenlijk wegblijven.
Overheidsbesluiten: besluiten achter overheidsoptreden.
1.naar de inhoud bezien: materiële kenmerken
Voor wie is het besluit bedoeld? Algemeen (de samenstelling van de groep
kan veranderen) of individueel (opsomming van bepaalde mensen,
samenstelling kan dus niet veranderen)? kring/groep van personen
Besluit met herhaalde werking (abstract) of voor 1 situatie, 1 maal (concreet)
betreffende gevallen of situaties
Algemeen Individueel
Abstract Algemeen abstract Individueel abstract (besluit van
(wet/regelgeving) algemene strekking (bas))
Concreet Algemeen concreet Individueel concreet
(besluit van algemene strekking (beschikking)
(bas))
2.naar de vorm bezien: formele kenmerken
welk orgaan?
welke procedure?
‘Wet in materiële zin’ (ofwel ‘algemeen verbindend voorschrift’)
• algemeen wat betreft kring van personen
• abstract wat betreft gevallen of situaties: herhaalde toepasbaarheid
• externe werking: moet anderen raken dan het orgaan dat het besluit heeft genomen
• wettelijke grondslag: zonder wettelijke grondslag is het geen rechtsregel
Formele kenmerken
Wijze van totstandkoming/procedurele aspecten (welk orgaan heeft het besluit genomen? Volgens
welke procedure?:
• regering en Staten-Generaal (volgens 81-88 Gw): wet in formele zin;
• regering (moet vastgesteld zijn in ministerraad, Raad van State moet advies hebben
uitgebracht, moet gepubliceerd zijn in het Staatsblad(publicatiemiddel dat alleen verschijnt
als een besluit is genomen, alleen de tekst van het besluit komt er in te staan): Algemene
Maatregelen van Bestuur (vaak wet in materiële zin, maar niet altijd)
• regering (andere procedure dan AMvB omdat dit teveel moeite is, bijvoorbeeld nu alleen
ministerraad): ‘klein’ Koninklijk Besluit (meestal beschikkingen)
• minister (besluit minister, gepubliceerd in Staatscourant (wekelijks, online verkrijgbare
‘krant’. Hierin staan artikelen over de besluiten en de besluiten): ministeriële regeling
• provincie (besluit Provinciale Staten, gemeenteraad): provinciale verordening
• gemeente (besluit Raad): gemeentelijke verordening (zijn doorgaans algemeen abstract)
Een wet kan een wet in formele zin en een wet in materiële zin tegelijk zijn. Algemeen abstracte
vormen met externe werking en wettelijke grondslag. Maar een wet kan ook een wet in formele zin
zijn en geen wet in materiële zin.
HOORCOLLEGE 1
Recht:
- Publiekrecht: overheid is betrokken;
o Strafrecht: sancties verbonden aan het gedrag van burgers
o Staats- en bestuursrecht: niet in de vorm van straffen
- Privaatrecht: geen overheid, alleen burgers, bedrijven en maatschappelijke organisaties.
Rechtsregel: overheid kan afdwingen dat de regel wordt gehandhaafd. Moet gebaseerd zijn op een
bevoegdheid
Staatsrecht: Welke organen zijn, onder welke voorwaarden bevoegd tot het stellen van in de
Nederlandse rechtsorde geldende rechtsnormen?
Ontwikkeling van rechtsstaat en democratie:
Geschiedenis:
1. De theocratische staatsopvatting → staatsleer die uitgaat van de gedachte dat alle regels van
goddelijke oorsprong zijn. (Augustinus; ontwikkelde theorieën over de rechtvaardiging van
overheidsgezag)
2. Natuurrecht: de feodale staat/leenstelsel → stelsel van klassen in de samenleving en van
wederzijdse afhankelijkheid. Gelaagde samenleving met voorgeschreven posities en relaties.
Regels vloeien voort uit natuurlijke relaties van mensen in de samenleving. (Thomas van
Aquino)
3. Het model van de absolute staat → hertogdommen en graafschappen worden gevoegd bij de
grotere rijken (bv. Spaanse Rijk) (Lodewijk XIV) (Bodin)
4. De klassieke liberale rechtsstaat → leer absolutisme: machtsconcentratie leidt tot
machtsmisbruik. Einde: Franse Revolutie. Mensen verwerpen absolutisme, nieuwe manier
moest fouten van absolutisme voorkomen. Overheid ten diensten van de burger, niet de
onderdrukker van de burger. Vrijheid is regel, overheidsgezag is uitzondering. (Montesquieu
en Rousseau). → ontstaan rechtsstaat.
Rechtsstaat:
1. Klassieke (liberale) rechtsstaat:
o Legaliteitsbeginsel: alle overheidsoptreden dat inbreuk maakt op de vrijheid van
burgers, moet op een wettelijke grondslag berusten. De burgers bepalen aan welke
regels ze gebonden worden.
o Machtenscheiding: machtsconcentratie moet voorkomen worden en zo ook
machtsmisbruik.
o Grondrechten: beschermen minderheden tegen een meerderheid die het voor het
zeggen hebben.
o Rechterlijke controle: burger moet naar een rechter kunnen om zo beschermd te
kunnen worden tegen de overheid.
Begin nachtwakersstaat
2. Democratische rechtsstaat:
De wet is belangrijk, dus het is ook belangrijk wie de wet maakt.
o Actief en passief kiesrecht: 1917: mannen kiesrecht
1919/1922: vrouwen kiesrecht
Stelsel van evenredige vertegenwoordiging
o Politieke grondrechten:
o Pluriforme media: mensen weten wat de overheid doet
o Openbaarheid van bestuur en besluitvorming
,Aantekeningen colleges Staatsrecht blok 1
3. Sociale rechtsstaat:
o Sociale wetgeving: 1874: kinderwetje van Van Houten.
o Verzorgingsstaat
WERKCOLLEGE 1
Democratische rechtsstaat:
1. Legaliteitsbeginsel: Elk overheidsoptreden dat inbreuk maakt op de vrijheid van burgers,
moet op een wettelijke grondslag berusten.
Overheidsoptreden is gebaseerd op een wetgeving die door een bevoegd orgaan gemaakt is.
→ wet gemaakt door regering en Staten-Generaal. (formeel)
Wet is een goede manier om het overheidsoptreden vast te leggen → de wet is namelijk
gemaakt door de volksvertegenwoordiging en het volk kiest de volksvertegenwoordiging.
Op strafrechtelijk gebied: Art. 16 GW
Ander voorbeeld: Art. 57. Belasting heffen (= ]overheidsingrijpen) mag alleen op basis van
een wet.
2. Machtsverdeling: voorkomt machtsmisbruik, machtsmisbruik kan voorkomen als de macht
bij 1 persoon ligt.
Nederland heeft geen zuivere t\\rias politica. Bijv. Art. 81 GW → Staten-Generaal en regering
maken wetten = wetgevende macht. Maar regering is ook uitvoerende macht, dus geen
zuivere scheiding. Eerder machtsverdeling i.p.v. machtenscheiding.
Of Art. 116 lid 1 GW, wetgevende macht bepaalt de rechterlijke macht.
Art. 57 GW: lid van Staten-Generaal (wetgevende macht) mag niet minister (uitvoerende
macht) of Advocaat-Generaal (rechterlijke macht) tegelijk zijn.
3. Grondrechten: fundamentele rechten die men heeft. Wet komt tot stand door
meerderheidsuitspraak. (hoofdstuk 1 van de GW)
4. Rechterlijke controle: rechter is onafhankelijk, is voor het leven benoemd, hij hoeft zo niet
bang te zijn dat hij zijn baan kwijt raakt en ontslagen wordt. Wet zorgt voor behoorlijk salaris
→ voorkomt omkoping.
Democratische rechtsstaat:
1. Kiesrecht (art. 4 GW), 129’, 54
2. ‘Vertegenwoordiging’ 50, 53, 55
3. Politieke grondrechten: art. 8 GW, art. 5 GW, art. 7 GW, art. 9 GW
4. Openbaarheid van bestuur art. 110 GW
HOORCOLLEGE 2
Vorm en inhoud
Denk aan:
Bierglas met bier → glas bier
Wijnglas met wijn → glas wijn
Bierglas met wijn → vorm is nog steeds een bierglas, maar inhoud is een glas wijn
Wijnglas met bier → vorm is nog steeds een wijnglas, maar inhoud is een glas bier
Vorm en inhoud vallen vaak samen, maar dit is niet altijd het geval.
Legaliteitsbeginsel: Elk overheidsoptreden (dat inbreuk maakt op de vrijheid van burgers) moet op
een wettelijke grondslag berusten.
, Aantekeningen colleges Staatsrecht blok 1
De staat was in deze tijd een soort nachtwakersstaat. Gedachte: De overheid hoeft niet voor alles
een wettelijke grondslag te hebben, sommige dingen zijn ten gunste van de burger. Daar heeft de
burger wat aan. Maar hierbij moeten wel keuzes gemaakt worden, daarom moet er dus ook bij
dingen ten gunste van de burger een wettelijke grondslag zijn. Bv. Het aanleggen van een weg, is ten
gunste van de burgers. Maar hiervoor moeten keuzes gemaakt worden, want deze weg kan ook in
iemand anders z’n achtertuin zijn. Daarom moet het op een wettelijke grondslag berusten.
Er is dus niet veel overheidsoptreden dat niet op een wettelijke grondslag berust. Haakjes kunnen
tegenwoordig dus eigenlijk wegblijven.
Overheidsbesluiten: besluiten achter overheidsoptreden.
1.naar de inhoud bezien: materiële kenmerken
Voor wie is het besluit bedoeld? Algemeen (de samenstelling van de groep
kan veranderen) of individueel (opsomming van bepaalde mensen,
samenstelling kan dus niet veranderen)? kring/groep van personen
Besluit met herhaalde werking (abstract) of voor 1 situatie, 1 maal (concreet)
betreffende gevallen of situaties
Algemeen Individueel
Abstract Algemeen abstract Individueel abstract (besluit van
(wet/regelgeving) algemene strekking (bas))
Concreet Algemeen concreet Individueel concreet
(besluit van algemene strekking (beschikking)
(bas))
2.naar de vorm bezien: formele kenmerken
welk orgaan?
welke procedure?
‘Wet in materiële zin’ (ofwel ‘algemeen verbindend voorschrift’)
• algemeen wat betreft kring van personen
• abstract wat betreft gevallen of situaties: herhaalde toepasbaarheid
• externe werking: moet anderen raken dan het orgaan dat het besluit heeft genomen
• wettelijke grondslag: zonder wettelijke grondslag is het geen rechtsregel
Formele kenmerken
Wijze van totstandkoming/procedurele aspecten (welk orgaan heeft het besluit genomen? Volgens
welke procedure?:
• regering en Staten-Generaal (volgens 81-88 Gw): wet in formele zin;
• regering (moet vastgesteld zijn in ministerraad, Raad van State moet advies hebben
uitgebracht, moet gepubliceerd zijn in het Staatsblad(publicatiemiddel dat alleen verschijnt
als een besluit is genomen, alleen de tekst van het besluit komt er in te staan): Algemene
Maatregelen van Bestuur (vaak wet in materiële zin, maar niet altijd)
• regering (andere procedure dan AMvB omdat dit teveel moeite is, bijvoorbeeld nu alleen
ministerraad): ‘klein’ Koninklijk Besluit (meestal beschikkingen)
• minister (besluit minister, gepubliceerd in Staatscourant (wekelijks, online verkrijgbare
‘krant’. Hierin staan artikelen over de besluiten en de besluiten): ministeriële regeling
• provincie (besluit Provinciale Staten, gemeenteraad): provinciale verordening
• gemeente (besluit Raad): gemeentelijke verordening (zijn doorgaans algemeen abstract)
Een wet kan een wet in formele zin en een wet in materiële zin tegelijk zijn. Algemeen abstracte
vormen met externe werking en wettelijke grondslag. Maar een wet kan ook een wet in formele zin
zijn en geen wet in materiële zin.