Dimensies van beeldvorming:
- Warmte
- Competentie
Veel warmte, weinig competentie = Veel warmte, veel competentie =
mededogen (compassie) bewondering
Weinig warmte, weinig Weinig warmte, veel competentie
competentie = minachtend = afgunst
Gevolg: Ageïsme (=leeftijdsdiscriminatie):
- Op de arbeidsmarkt
- In de media een eenzijdig beeld
- In de gezondheidszorg
Theorieën van beeldvorming:
- Terror management theory Ouderen mensen worden
geassocieerd met dood, vergankelijkheid en lichamelijke aftakeling.
Daardoor liever niks met ouderdom te maken hebben
- Social identity theory Mensen ontlenen eigen identiteit aan
groep waar je bij hoort. Je eigen leeftijdsgroep leen je identiteit aan
andere worden negatief beoordeeld.
- Social role theory Overeenkomsten komen voort uit rollen die zij
vervullen. Bij ouderen werken minder, dus kijken mensen negatiever
tegenaan
Verandering in beeldvorming:
- Contact hypothese
- Maatschappelijke positie ouderen veranderen
- Publieke campagnes
Doel: een meer genuanceerd beeld over ouderen en ouder worden en een
positieve waardering van ouderen.
Domeinen van veroudering:
1. Lichamelijke veroudering
2. Psychische veroudering
3. Sociale veroudering
4. Functionele veroudering
HOORCOLLEGE 2 – COGNITIEVE VEROUDERING
Cognitie = Mentale processen die optreden wanneer mensen waarnemen,
informatie verwerken, leren, denken en problemen lossen.
Cognitieve achteruitgang:
Verbetering vocabulaire kennis
Verslechtering van andere cognitieve functies:
o Tempo van informatieverwerking
o Geheugen
o Minder capaciteit van werkgeheugen
o Problemen met verwerken van complexe informatie
,Dementie = combinatie van meervoudige stoornissen in cognitieve
functies en/of gedrag. Het interfereert met functioneren in algemeen
dagelijks leven.
Mild cognitieve stoornissen (tussen fase) hebben geen interferentie
met het dagelijks leven. Groot deel wordt in 3 jaar dementie.
DSM-V dementie:
- Significantie/lichte achteruitgang in cognitief functioneren 1 of meer
domeinen
o Zorgen door betrokkene, informant, clinicus over
significante/lichte achteruitgang in cognitief functioneren
o Substantiële/lichte beperking in cognitieve prestaties op
gestandaardiseerde neuropsychologische tests
- De cognitieve deficiënties belemmeren wel/niet het zelfstandig
functioneren bij dagelijkse handelingen
- De cognitieve deficiënties doen zich niet alleen voor in context van
delirium
- De cognitieve deficiënties kunnen niet beter worden verklaard door
een andere psychische stoornis (depressie, schizofrenie)
Subtypes dementie:
1. Alzheimer
Meest voorkomende oorzaak van dementie
Geheugenproblemen op de voorgrond: problemen met inprenten en
onthouden van nieuwe informatie
Op den duur verlies van steeds meer hersenfuncties: waardoor
steeds meer cognitieve problemen en gedragsverandering
Globale atrofie van de hersenen door verlies van zenuwcellen en
verbindingen
Criteria:
o Dementie
o Geleidelijk progressief beloop
o Presentatie:
Amnestisch (vergeetachtig)
Non-amnestsich (niet vergeetachtig)
o Geen andere neurologische aandoening als verklaring
o Pathofysiologisch bewezen
Op jonge leeftijd vaak: atypische presentatie en staan geheugen
klachten niet op voorgrond (taalstoornissen, gedragsverandering
etc.)
2. Vasculaire dementie
Problemen met bloedvoorzieningen in de hersenen: afsterven
hersencellen witte stof pathologie
Patiënt voldoet aan criteria voor dementie
Beperkingen worden niet verklaard door lichamelijke beperkingen
(bijv. beroerte)
Bij beeldvorming cerebrovasculaire schade
Vaak voorgeschiedenis van hart en vaat ziekten
Kenmerken:
, o Traag psychomotorisch tempo en uitvoerende
functiestoornissen
o Vaak stapsgewijze verslechtering en fluctuaties
o Goed bewust van de problemen
3. Overige
a. Fronto-temporale dementie
o Mengvorm van alzheimer en vasculaire dementie
o Gedragsproblemen
op de voorgrond
o Ontstaat vaak
vroeg
o 3 varianten
1. Gedragsvariant: gedrag en
persoonlijkheidsverandering
a. Progressieve achteruitgang in cognitie en/of
gedrag
b. Symptomen (3/6 hebben)
i. Vroeg in beloop (<3) ontremd gedrag:
sociaal aangepast, decorumverlies,
impulsief
ii. Vroege apathie
iii. Vroeg ontstaan perseveratie, stereotype
of compulsief gedrag
iv. Verlies empathie en inlevingsvermogen
v. Hyperoraliteit en verandering in dieet
vi. NPO: executieve stoornissen met relatief
sparen van geheugen en visio-spatiale
functies
2. Taalvariant: spraak
3. Bewegingsvariant: motoriek en coördinatie
o In latere fases geen onderscheid meer tussen varianten
Diagnostiek dementie met een multidisciplinair team d.m.v.:
- Observatie
- Anamnese
- Heteroanamnese
- Testonderzoek
- Labonderzoek
- MRI
- Ergotherapeut
Diagnostiek is belangrijk om behandeling en begeleiding vroeg te starten
Risico en beschermende factoren dementie:
Beschermend Risico
Dieet Vasculaire ziekten
Fysieke activiteit Hypertensie
Intellectuele activiteit Type 2-diabetes
Overgewicht
Metabool syndroom