De triarchische intelligentietheorie van Robert Sternberg stelt dat
intelligentie uit drie soorten bestaat:
1. Analytische intelligentie – logisch redeneren, problemen oplossen
(schoolse kennis)
2. Creatieve intelligentie – omgaan met nieuwe situaties, origineel denken
3. Praktische intelligentie – toepassen van kennis in alledaagse situaties
(street smart)
De sociaal-cognitieve theorie, vooral bekend door Albert Bandura, stelt dat
mensen leren door observatie van anderen en dat gedrag wordt beïnvloed
door een wisselwerking tussen persoon, gedrag en omgeving
De Big Five-theorie beschrijft persoonlijkheid aan de hand van vijf
hoofddimensies:
1. Openheid – fantasierijk, creatief vs. nuchter, traditioneel
2. Consciëntieusheid – georganiseerd, doelgericht vs. slordig, impulsief
3. Extraversie – sociaal, energiek vs. teruggetrokken, stil
4. Altruïsme – vriendelijk, meegaand vs. kritisch, competitief
5. Neuroticisme – emotioneel kwetsbaar vs. stabiel, kalm
Heel extravert zijn (open, sociaal), maar weinig doen voor anderen.
Heel altruïstisch zijn (zorgzaam en helpend), maar toch introvert (liever op
jezelf).
De theorie van gepland gedrag zegt dat je gedrag wordt bepaald door je
intentie, en die intentie hangt af van:
1. Je houding tegenover het gedrag (vind je het goed of niet).
2. De mening van anderen (sociale druk).
3. Hoeveel controle je denkt te hebben om het gedrag uit te voeren.
De Dark Triad zijn drie slechte eigenschappen die vaak samen voorkomen:
1. Machiavellisme – mensen die anderen graag manipuleren en gebruiken
om zelf voordeel te krijgen.
2. Narcisme – mensen die denken dat ze heel belangrijk zijn en graag
geprezen willen worden.
3. Psychopathie – mensen die geen rekening houden met anderen,
impulsief zijn en soms gemeen doen.
, Het taakkenmerkenmodel (Job Characteristics Model) is een theorie over
werkmotivatie die zegt dat bepaalde kenmerken van een baan ervoor zorgen dat
mensen gemotiveerd, tevreden en productief zijn:
1. Variatie in vaardigheden – Je gebruikt verschillende talenten.
2. Taakidentiteit – Je maakt een duidelijk onderdeel af, niet alleen kleine
losse stukjes.
3. Taakbelang – Je werk heeft impact op anderen of het grotere geheel.
4. Autonomie – Je hebt zelf invloed op hoe je je werk doet.
5. Feedback – Je krijgt duidelijke informatie over hoe goed je het doet.
Inhoudstheorieën
Gaan over wát mensen motiveert.
Ze focussen op behoeften, wensen en doelen van mensen.
Voorbeeld: De behoeftetheorie van Maslow stelt dat mensen
gemotiveerd worden door het vervullen van vijf lagen behoeften,
gerangschikt van laag naar hoog:
Fysiologische behoeften – basis zoals eten, drinken, slaap
Veiligheidsbehoeften – veiligheid, zekerheid, een dak boven je hoofd
Sociale behoeften – erbij horen, vriendschap, liefde
Waarderingsbehoeften – respect, erkenning, zelfvertrouwen
Zelfactualisatie – jezelf ontwikkelen en je talenten benutten
Procestheorieën
Gaan over hoe motivatie werkt.
Ze beschrijven het proces waardoor motivatie ontstaat en beïnvloed
wordt.
Voorbeeld: De verwachtingstheorie van Vroom legt uit hoe motivatie
ontstaat door de verwachting dat je inspanning leidt tot een bepaald
resultaat dat waardevol voor je is.
Verwachting – geloof dat inspanning leidt tot goede prestaties.
Instrumentaliteit – geloof dat prestaties tot een beloning leiden.
Valentie – de waarde van die beloning voor de persoon zelf.
Voorbeeld: De doeltheorie van Locke en Latham zegt dat duidelijke en
uitdagende doelen mensen motiveren om beter te presteren.