Wat is adolescentie
De adolescentie is de ontwikkelingsfase tussen de kindertijd en de volwassenheid, die
grofweg loopt van ongeveer 10 tot 23 jaar. Binnen deze periode wordt vaak onderscheid
gemaakt tussen de vroege adolescentie (10–13 jaar), de midden adolescentie (14–18
jaar) en de late adolescentie (19–23 jaar). In deze fase vinden grote veranderingen plaats
op biologisch, cognitief en sociaal gebied.
De adolescentie is een belangrijke periode omdat jongeren verschillende
ontwikkelingstaken moeten doorlopen om goed te kunnen functioneren als volwassene.
Zo moeten zij een eigen identiteit ontwikkelen (wie ben ik?), zelfstandiger worden en zich
losmaken van hun ouders, leren omgaan met emoties en innerlijke conflicten en hun
denkvermogen verder ontwikkelen om betere keuzes te kunnen maken. Wanneer deze
ontwikkelingstaken goed verlopen, draagt dit bij aan een gezonde ontwikkeling. Als dit
niet goed lukt, kan dit leiden tot problemen.
Volgens Erikson bevinden adolescenten zich in de fase van identiteit versus
rolverwarring. In deze fase stellen jongeren zichzelf vragen zoals: wie ben ik, wat wil ik
later en waar hoor ik bij? Als deze zoektocht succesvol verloopt, ontstaat er een sterke
identiteit. Als dit niet lukt, kan er sprake zijn van onzekerheid en rolverwarring.
Na de adolescentie volgt vaak een overgangsfase die emerging adulthood wordt
genoemd, een concept van Arnett. Deze fase loopt ongeveer van 18 tot 25 jaar en wordt
gekenmerkt door experimenteren met studie, werk en relaties. Jongeren zijn nog niet
volledig volwassen, hebben relatief weinig vaste verplichtingen en zoeken naar richting
in hun leven.
Tijdens de adolescentie ontwikkelen jongeren zich op verschillende gebieden. Ze
worden minder afhankelijk van hun ouders en ontwikkelen een eigen positie binnen het
gezin. Op het gebied van school en werk maken ze keuzes voor hun toekomst. In hun
vrije tijd ontwikkelen ze eigen interesses en hobby’s. Ook worden ze zelfstandiger in hun
woonsituatie en leren ze omgaan met regels en autoriteit. Daarnaast wordt het uiterlijk
en de gezondheid belangrijker voor het zelfbeeld. Vriendschappen spelen een grote rol,
omdat jongeren behoefte hebben aan acceptatie en ergens bij willen horen. Sociale
media hebben hierbij een steeds grotere invloed op identiteit en sociale contacten. Ook
ontwikkelen jongeren zich op het gebied van intimiteit en seksualiteit. Al deze domeinen
hangen met elkaar samen en beïnvloeden elkaar.
Wat als “normaal gedrag” wordt gezien, verschilt per cultuur. In sommige culturen ligt de
nadruk bijvoorbeeld meer op gehoorzaamheid, terwijl in andere culturen zelfstandigheid
belangrijker is. Daarom moet gedrag altijd in de juiste culturele context worden bekeken.
Om te bepalen of gedrag problematisch is, worden volgens Steinberg drie criteria
gebruikt: de duur van het gedrag (is het tijdelijk of langdurig?), de ernst (hoort het bij een
stoornis?) en de timing (wanneer begint het?). Daarbij wordt onderscheid gemaakt
tussen life-course persistent gedrag, dat vroeg begint en blijft bestaan, en adolescence-
limited gedrag, dat tijdelijk is en vooral voorkomt in de adolescentie.
,Ontwikkeling verloopt zowel continu als discontinu. Continue ontwikkeling is geleidelijk,
zoals het steeds beter leren van vaardigheden. Discontinue ontwikkeling verloopt in
sprongen, zoals de veranderingen tijdens de puberteit. In de adolescentie komen beide
vormen voor.
Een belangrijk uitgangspunt is dat ontwikkeling ontstaat door een wisselwerking tussen
het individu en de omgeving, zoals ouders, vrienden, school en cultuur. Dit wordt ook
wel het transactionele model of dynamisch interactionisme genoemd. Jongeren
beïnvloeden hun omgeving, maar worden ook door hun omgeving beïnvloed. Dit proces
verloopt continu in beide richtingen.
Volgens het model van Caspi en Shiner zijn er drie vormen van persoon-omgeving
interactie. Bij passieve interactie krijgen jongeren zowel hun eigenschappen als hun
omgeving van hun ouders. Bij evocatieve interactie roept het gedrag van de jongere
reacties op uit de omgeving, bijvoorbeeld druk gedrag dat leidt tot strengere opvoeding.
Bij actieve interactie kiezen jongeren zelf hun omgeving, zoals vrienden die bij hen
passen. In de adolescentie verschuift dit proces van passief naar steeds actiever.
Binnen de ontwikkelingspsychopathologie wordt onderzocht hoe psychische problemen
ontstaan, waarom ze blijven bestaan of verdwijnen en waarom mensen verschillen in
gedrag. Hierbij ligt de nadruk op ontwikkeling over de tijd.
De ontwikkeling in de adolescentie vindt plaats in verschillende domeinen. Het
biologische domein omvat de puberteit, lichamelijke veranderingen en hormonale
ontwikkeling. Het cognitieve domein omvat de ontwikkeling van abstract denken,
hypothetisch denken (“wat als…”) en het beter begrijpen van het perspectief van
anderen. Het sociale domein betreft veranderingen in relaties, meer zelfstandigheid en
het toenemende belang van leeftijdsgenoten. Tot slot is er het domein van problemen,
waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen internaliserende problemen (zoals angst en
depressie) en externaliserende problemen (zoals agressie en probleemgedrag).
Samengevat is de adolescentie een complexe en dynamische fase waarin jongeren zich
ontwikkelen op meerdere gebieden tegelijk. Deze ontwikkeling wordt bepaald door een
voortdurende wisselwerking tussen persoonlijke kenmerken en de omgeving, en vormt
de basis voor het functioneren in de volwassenheid.
, Hoofdstuk 2
Dit hoofdstuk gaat over theorieën van de adolescentie en probeert te verklaren hoe
ontwikkeling verloopt en waardoor deze wordt beïnvloed. Ontwikkeling betekent
veranderingen in gedrag en functioneren die samenhangen met leeftijd, maar die per
persoon kunnen verschillen. Ontwikkelingspsychologen proberen deze veranderingen
te beschrijven, te verklaren en soms te beïnvloeden. Theorieën helpen daarbij door
structuur te geven en verbanden te leggen tussen onderzoek.
Een belangrijk uitgangspunt is h et idee van ontwikkelingstaken. Dit zijn opgaven die
horen bij een bepaalde levensfase en die iemand moet leren beheersen in relatie tot de
omgeving. Wanneer ontwikkelingstaken goed verlopen, leidt dit tot positieve gevoelens
en een betere voorbereiding op volgende fases. Als dit niet lukt, kan dat zorgen voor
problemen later. Ontwikkelingstaken worden beïnvloed door biologische factoren (zoals
puberteit), maatschappelijke verwachtingen en persoonlijke keuzes. Naarmate
jongeren ouder worden, krijgen ze steeds meer invloed op hun eigen ontwikkeling.
Volgens Baltes zijn er drie soorten invloeden op ontwikkeling. Leeftijdsgebonden
invloeden zijn gebeurtenissen die voor veel mensen rond dezelfde leeftijd plaatsvinden,
zoals puberteit of schoolovergangen. Geschiedenisgebonden invloeden hebben te
maken met de tijd waarin iemand leeft, zoals sociale media of economische
omstandigheden. Niet-normatieve invloeden zijn unieke persoonlijke gebeurtenissen,
zoals ziekte of een scheiding. In de kindertijd spelen vooral leeftijdsgebonden factoren
een rol, terwijl later persoonlijke gebeurtenissen steeds belangrijker worden.
Binnen theorieën over adolescentie staat vaak de vraag centraal wat er ontwikkelt en in
hoeverre dit wordt bepaald door het individu of de omgeving. Daarbij komt ook het idee
van “storm and stress”, dat adolescentie wordt gekenmerkt door emotionele
schommelingen, conflicten en risicogedrag. Dit geldt echter niet voor iedereen en
verschilt per theorie.
De psychoanalytische theorieën, gebaseerd op Freud, zien adolescentie als een periode
van innerlijke conflicten en emotionele ontwikkeling. Door de puberteit nemen seksuele
en agressieve driften toe en moeten jongeren leren deze te beheersen. Vroege
ervaringen uit de kindertijd blijven daarbij belangrijk. Volgens Anna Freud gebruiken
jongeren afweermechanismen om met spanning om te gaan, zoals ascetisme (plezier
vermijden om controle te houden) en intellectualisering (emoties omzetten in denken).
“Storm and stress” wordt hier gezien als normaal. Latere psychoanalytische ideeën
leggen meer nadruk op relaties: jongeren moeten zich losmaken van hun ouders, maar
tegelijkertijd een innerlijke band behouden. Dit proces heet separatie-individuatie en
zorgt voor spanning tussen autonomie en verbondenheid. De kern is dat jongeren leren
omgaan met hun innerlijke driften én zich losmaken van ouders.
De cognitieve theorieën, zoals die van Piaget, richten zich op de ontwikkeling van het
denken. In de adolescentie ontstaat het formeel-operationeel denken, waardoor
, jongeren abstracter kunnen denken, kunnen nadenken over mogelijkheden en kunnen
reflecteren op zichzelf. Dit leidt tot idealisme, maar ook tot het egocentrisme van de
adolescent: jongeren kunnen denken dat hun gevoelens uniek zijn en dat ze
onkwetsbaar zijn, wat risicogedrag kan versterken. Volgens Piaget ontstaat “storm and
stress” niet door driften, maar door deze nieuwe manier van denken en de spanning
tussen ideaal en werkelijkheid.
Kohlberg bouwt hierop voort met zijn theorie over morele ontwikkeling. Hij onderscheidt
drie niveaus: het preconventionele niveau (gericht op straf en beloning), het
conventionele niveau (gericht op sociale normen en goedkeuring) en het
postconventionele niveau (gericht op eigen principes). In de adolescentie verschuiven
jongeren meestal van preconventioneel naar conventioneel denken, terwijl het hoogste
niveau minder vaak wordt bereikt. Moreel denken wordt complexer en minder
egocentrisch, mede door interactie en discussie met anderen.
De contextuele theorieën leggen de nadruk op de invloed van de omgeving. Volgens
Bronfenbrenner ontwikkelt een jongere zich binnen verschillende systemen, zoals het
gezin en school (microsysteem), de relaties daartussen (mesosysteem), indirecte
invloeden zoals werk van ouders (exosysteem), en de bredere cultuur (macrosysteem),
waarbij ook tijd en veranderingen een rol spelen (chronosysteem). Ontwikkeling
ontstaat door de wisselwerking tussen deze systemen, en “storm and stress” hangt af
van hoe goed deze op elkaar aansluiten.
De levenslooptheorie benadrukt dat ontwikkeling plaatsvindt binnen een historisch en
sociaal kader en dat mensen verschillende ontwikkelingstrajecten kunnen volgen.
Belangrijke begrippen zijn plasticiteit (het vermogen om te veranderen), veerkracht
(omgaan met tegenslagen), risicofactoren en beschermende factoren. Volgens Elder
wordt ontwikkeling bepaald door vier principes: de invloed van historische context, het
belang van timing, de verbondenheid tussen levens van mensen en de actieve rol van
het individu. Ook laat het stressmodel zien hoe problemen in de omgeving, zoals
financiële stress, indirect invloed kunnen hebben op jongeren via ouders.
Een belangrijk inzicht is de fit tussen individu en omgeving. Wanneer de omgeving goed
aansluit bij de behoeften van de jongere, leidt dit tot betere ontwikkeling. Een slechte
aansluiting kan juist problemen veroorzaken. Daarnaast is er sprake van transactionele
invloed, waarbij jongere en omgeving elkaar wederzijds beïnvloeden.
De dynamische systeemtheorie gaat nog een stap verder en ziet ontwikkeling als een
voortdurend veranderend systeem van interacties tussen individu, omgeving en tijd.
Jongeren en hun omgeving vormen samen één geheel dat zich continu aanpast en
probeert evenwicht te vinden. Ontwikkeling, zoals autonomie, ontstaat uit deze
interacties en is geen vaststaand gegeven.
De positieve ontwikkelingspsychologie (Positive Youth Development) richt zich niet op
problemen, maar op de kwaliteiten en mogelijkheden van jongeren. Ontwikkeling
verloopt optimaal wanneer er een goede aansluiting is tussen jongere en omgeving en
wanneer sociale contexten kansen bieden om vaardigheden te ontwikkelen. Dit leidt tot
minder probleemgedrag en meer positieve bijdragen aan de samenleving.
De adolescentie is de ontwikkelingsfase tussen de kindertijd en de volwassenheid, die
grofweg loopt van ongeveer 10 tot 23 jaar. Binnen deze periode wordt vaak onderscheid
gemaakt tussen de vroege adolescentie (10–13 jaar), de midden adolescentie (14–18
jaar) en de late adolescentie (19–23 jaar). In deze fase vinden grote veranderingen plaats
op biologisch, cognitief en sociaal gebied.
De adolescentie is een belangrijke periode omdat jongeren verschillende
ontwikkelingstaken moeten doorlopen om goed te kunnen functioneren als volwassene.
Zo moeten zij een eigen identiteit ontwikkelen (wie ben ik?), zelfstandiger worden en zich
losmaken van hun ouders, leren omgaan met emoties en innerlijke conflicten en hun
denkvermogen verder ontwikkelen om betere keuzes te kunnen maken. Wanneer deze
ontwikkelingstaken goed verlopen, draagt dit bij aan een gezonde ontwikkeling. Als dit
niet goed lukt, kan dit leiden tot problemen.
Volgens Erikson bevinden adolescenten zich in de fase van identiteit versus
rolverwarring. In deze fase stellen jongeren zichzelf vragen zoals: wie ben ik, wat wil ik
later en waar hoor ik bij? Als deze zoektocht succesvol verloopt, ontstaat er een sterke
identiteit. Als dit niet lukt, kan er sprake zijn van onzekerheid en rolverwarring.
Na de adolescentie volgt vaak een overgangsfase die emerging adulthood wordt
genoemd, een concept van Arnett. Deze fase loopt ongeveer van 18 tot 25 jaar en wordt
gekenmerkt door experimenteren met studie, werk en relaties. Jongeren zijn nog niet
volledig volwassen, hebben relatief weinig vaste verplichtingen en zoeken naar richting
in hun leven.
Tijdens de adolescentie ontwikkelen jongeren zich op verschillende gebieden. Ze
worden minder afhankelijk van hun ouders en ontwikkelen een eigen positie binnen het
gezin. Op het gebied van school en werk maken ze keuzes voor hun toekomst. In hun
vrije tijd ontwikkelen ze eigen interesses en hobby’s. Ook worden ze zelfstandiger in hun
woonsituatie en leren ze omgaan met regels en autoriteit. Daarnaast wordt het uiterlijk
en de gezondheid belangrijker voor het zelfbeeld. Vriendschappen spelen een grote rol,
omdat jongeren behoefte hebben aan acceptatie en ergens bij willen horen. Sociale
media hebben hierbij een steeds grotere invloed op identiteit en sociale contacten. Ook
ontwikkelen jongeren zich op het gebied van intimiteit en seksualiteit. Al deze domeinen
hangen met elkaar samen en beïnvloeden elkaar.
Wat als “normaal gedrag” wordt gezien, verschilt per cultuur. In sommige culturen ligt de
nadruk bijvoorbeeld meer op gehoorzaamheid, terwijl in andere culturen zelfstandigheid
belangrijker is. Daarom moet gedrag altijd in de juiste culturele context worden bekeken.
Om te bepalen of gedrag problematisch is, worden volgens Steinberg drie criteria
gebruikt: de duur van het gedrag (is het tijdelijk of langdurig?), de ernst (hoort het bij een
stoornis?) en de timing (wanneer begint het?). Daarbij wordt onderscheid gemaakt
tussen life-course persistent gedrag, dat vroeg begint en blijft bestaan, en adolescence-
limited gedrag, dat tijdelijk is en vooral voorkomt in de adolescentie.
,Ontwikkeling verloopt zowel continu als discontinu. Continue ontwikkeling is geleidelijk,
zoals het steeds beter leren van vaardigheden. Discontinue ontwikkeling verloopt in
sprongen, zoals de veranderingen tijdens de puberteit. In de adolescentie komen beide
vormen voor.
Een belangrijk uitgangspunt is dat ontwikkeling ontstaat door een wisselwerking tussen
het individu en de omgeving, zoals ouders, vrienden, school en cultuur. Dit wordt ook
wel het transactionele model of dynamisch interactionisme genoemd. Jongeren
beïnvloeden hun omgeving, maar worden ook door hun omgeving beïnvloed. Dit proces
verloopt continu in beide richtingen.
Volgens het model van Caspi en Shiner zijn er drie vormen van persoon-omgeving
interactie. Bij passieve interactie krijgen jongeren zowel hun eigenschappen als hun
omgeving van hun ouders. Bij evocatieve interactie roept het gedrag van de jongere
reacties op uit de omgeving, bijvoorbeeld druk gedrag dat leidt tot strengere opvoeding.
Bij actieve interactie kiezen jongeren zelf hun omgeving, zoals vrienden die bij hen
passen. In de adolescentie verschuift dit proces van passief naar steeds actiever.
Binnen de ontwikkelingspsychopathologie wordt onderzocht hoe psychische problemen
ontstaan, waarom ze blijven bestaan of verdwijnen en waarom mensen verschillen in
gedrag. Hierbij ligt de nadruk op ontwikkeling over de tijd.
De ontwikkeling in de adolescentie vindt plaats in verschillende domeinen. Het
biologische domein omvat de puberteit, lichamelijke veranderingen en hormonale
ontwikkeling. Het cognitieve domein omvat de ontwikkeling van abstract denken,
hypothetisch denken (“wat als…”) en het beter begrijpen van het perspectief van
anderen. Het sociale domein betreft veranderingen in relaties, meer zelfstandigheid en
het toenemende belang van leeftijdsgenoten. Tot slot is er het domein van problemen,
waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen internaliserende problemen (zoals angst en
depressie) en externaliserende problemen (zoals agressie en probleemgedrag).
Samengevat is de adolescentie een complexe en dynamische fase waarin jongeren zich
ontwikkelen op meerdere gebieden tegelijk. Deze ontwikkeling wordt bepaald door een
voortdurende wisselwerking tussen persoonlijke kenmerken en de omgeving, en vormt
de basis voor het functioneren in de volwassenheid.
, Hoofdstuk 2
Dit hoofdstuk gaat over theorieën van de adolescentie en probeert te verklaren hoe
ontwikkeling verloopt en waardoor deze wordt beïnvloed. Ontwikkeling betekent
veranderingen in gedrag en functioneren die samenhangen met leeftijd, maar die per
persoon kunnen verschillen. Ontwikkelingspsychologen proberen deze veranderingen
te beschrijven, te verklaren en soms te beïnvloeden. Theorieën helpen daarbij door
structuur te geven en verbanden te leggen tussen onderzoek.
Een belangrijk uitgangspunt is h et idee van ontwikkelingstaken. Dit zijn opgaven die
horen bij een bepaalde levensfase en die iemand moet leren beheersen in relatie tot de
omgeving. Wanneer ontwikkelingstaken goed verlopen, leidt dit tot positieve gevoelens
en een betere voorbereiding op volgende fases. Als dit niet lukt, kan dat zorgen voor
problemen later. Ontwikkelingstaken worden beïnvloed door biologische factoren (zoals
puberteit), maatschappelijke verwachtingen en persoonlijke keuzes. Naarmate
jongeren ouder worden, krijgen ze steeds meer invloed op hun eigen ontwikkeling.
Volgens Baltes zijn er drie soorten invloeden op ontwikkeling. Leeftijdsgebonden
invloeden zijn gebeurtenissen die voor veel mensen rond dezelfde leeftijd plaatsvinden,
zoals puberteit of schoolovergangen. Geschiedenisgebonden invloeden hebben te
maken met de tijd waarin iemand leeft, zoals sociale media of economische
omstandigheden. Niet-normatieve invloeden zijn unieke persoonlijke gebeurtenissen,
zoals ziekte of een scheiding. In de kindertijd spelen vooral leeftijdsgebonden factoren
een rol, terwijl later persoonlijke gebeurtenissen steeds belangrijker worden.
Binnen theorieën over adolescentie staat vaak de vraag centraal wat er ontwikkelt en in
hoeverre dit wordt bepaald door het individu of de omgeving. Daarbij komt ook het idee
van “storm and stress”, dat adolescentie wordt gekenmerkt door emotionele
schommelingen, conflicten en risicogedrag. Dit geldt echter niet voor iedereen en
verschilt per theorie.
De psychoanalytische theorieën, gebaseerd op Freud, zien adolescentie als een periode
van innerlijke conflicten en emotionele ontwikkeling. Door de puberteit nemen seksuele
en agressieve driften toe en moeten jongeren leren deze te beheersen. Vroege
ervaringen uit de kindertijd blijven daarbij belangrijk. Volgens Anna Freud gebruiken
jongeren afweermechanismen om met spanning om te gaan, zoals ascetisme (plezier
vermijden om controle te houden) en intellectualisering (emoties omzetten in denken).
“Storm and stress” wordt hier gezien als normaal. Latere psychoanalytische ideeën
leggen meer nadruk op relaties: jongeren moeten zich losmaken van hun ouders, maar
tegelijkertijd een innerlijke band behouden. Dit proces heet separatie-individuatie en
zorgt voor spanning tussen autonomie en verbondenheid. De kern is dat jongeren leren
omgaan met hun innerlijke driften én zich losmaken van ouders.
De cognitieve theorieën, zoals die van Piaget, richten zich op de ontwikkeling van het
denken. In de adolescentie ontstaat het formeel-operationeel denken, waardoor
, jongeren abstracter kunnen denken, kunnen nadenken over mogelijkheden en kunnen
reflecteren op zichzelf. Dit leidt tot idealisme, maar ook tot het egocentrisme van de
adolescent: jongeren kunnen denken dat hun gevoelens uniek zijn en dat ze
onkwetsbaar zijn, wat risicogedrag kan versterken. Volgens Piaget ontstaat “storm and
stress” niet door driften, maar door deze nieuwe manier van denken en de spanning
tussen ideaal en werkelijkheid.
Kohlberg bouwt hierop voort met zijn theorie over morele ontwikkeling. Hij onderscheidt
drie niveaus: het preconventionele niveau (gericht op straf en beloning), het
conventionele niveau (gericht op sociale normen en goedkeuring) en het
postconventionele niveau (gericht op eigen principes). In de adolescentie verschuiven
jongeren meestal van preconventioneel naar conventioneel denken, terwijl het hoogste
niveau minder vaak wordt bereikt. Moreel denken wordt complexer en minder
egocentrisch, mede door interactie en discussie met anderen.
De contextuele theorieën leggen de nadruk op de invloed van de omgeving. Volgens
Bronfenbrenner ontwikkelt een jongere zich binnen verschillende systemen, zoals het
gezin en school (microsysteem), de relaties daartussen (mesosysteem), indirecte
invloeden zoals werk van ouders (exosysteem), en de bredere cultuur (macrosysteem),
waarbij ook tijd en veranderingen een rol spelen (chronosysteem). Ontwikkeling
ontstaat door de wisselwerking tussen deze systemen, en “storm and stress” hangt af
van hoe goed deze op elkaar aansluiten.
De levenslooptheorie benadrukt dat ontwikkeling plaatsvindt binnen een historisch en
sociaal kader en dat mensen verschillende ontwikkelingstrajecten kunnen volgen.
Belangrijke begrippen zijn plasticiteit (het vermogen om te veranderen), veerkracht
(omgaan met tegenslagen), risicofactoren en beschermende factoren. Volgens Elder
wordt ontwikkeling bepaald door vier principes: de invloed van historische context, het
belang van timing, de verbondenheid tussen levens van mensen en de actieve rol van
het individu. Ook laat het stressmodel zien hoe problemen in de omgeving, zoals
financiële stress, indirect invloed kunnen hebben op jongeren via ouders.
Een belangrijk inzicht is de fit tussen individu en omgeving. Wanneer de omgeving goed
aansluit bij de behoeften van de jongere, leidt dit tot betere ontwikkeling. Een slechte
aansluiting kan juist problemen veroorzaken. Daarnaast is er sprake van transactionele
invloed, waarbij jongere en omgeving elkaar wederzijds beïnvloeden.
De dynamische systeemtheorie gaat nog een stap verder en ziet ontwikkeling als een
voortdurend veranderend systeem van interacties tussen individu, omgeving en tijd.
Jongeren en hun omgeving vormen samen één geheel dat zich continu aanpast en
probeert evenwicht te vinden. Ontwikkeling, zoals autonomie, ontstaat uit deze
interacties en is geen vaststaand gegeven.
De positieve ontwikkelingspsychologie (Positive Youth Development) richt zich niet op
problemen, maar op de kwaliteiten en mogelijkheden van jongeren. Ontwikkeling
verloopt optimaal wanneer er een goede aansluiting is tussen jongere en omgeving en
wanneer sociale contexten kansen bieden om vaardigheden te ontwikkelen. Dit leidt tot
minder probleemgedrag en meer positieve bijdragen aan de samenleving.