Inleiding in de adolescentie
Hoofdstuk 11 De rol van leeftijdsgenoten
11.1 Inleiding
In de adolescentie worden relaties met leeftijdsgenoten van groot belang.
Adolescenten streven naar autonomie ten opzichte van autoriteitsfiguren, zoals
ouders of leren en spenderen meer tijd met leeftijdsgenoten.
Relaties met leeftijdsgenoten kunnen stress en conflicten veroorzaken, maar
bieden ook kansen voor positieve ontwikkeling.
Ook vinden adolescenten status belangrijk
11.2 Het belang van leeftijdsgenoten in de adolescentie
Verschillende veranderingen die toenemende aandacht van adolescenten voor
leeftijdsgenoten helpen verklaren.
- Evolutionaire verklaring: Behoefte om affectie en status in sociale
netwerken te verkrijgen, was essentieel voor overleving en voortplanting.
- Fysiologische veranderingen in de adolescentie: Adolescenten
ondergaan een groeispurt en veranderen secundaire geslachtskenmerken.
Dit leidt tot fysiologische en fysieke verandering Kan samengaan met
een grotere interesse in het andere geslacht.
- Sociaal-structurele veranderingen in de adolescentie: Relaties in
kindertijd is beperkte tot kinderen uit de buurt, verschuift dit tijdens
adolescentie, vooral door overgang kleinere basisscholen naar grotere
middelbare school.
Ook smartphones zorgen voor snellere en intensieve communicatie.
- Sociaal-cognitieve veranderingen in de adolescentie: Veranderingen
in hersenen bevorderen vermogen tot perspectief nemen, abstract denken,
metacognitie en het aannemen van rollen. Hierdoor zijn adolescenten in
staat diepgaan na te denken over en betekenisvolle relaties aan te gaan en
te onderhouden met leeftijdsgenoten.
11.3 Theorieën over de rol van leeftijdsgenoten
11.3.1 interpersoonlijke theorie van ontwikkeling
Interpersoonlijke theorie van ontwikkeling is gebaseerd op het idee dat
menselijke ontwikkeling wordt beïnvloed door sociale interacties en relaties.
Individuen leren en zich ontwikkelen via hun relaties met anderen.
Theorie legt nadruk op rol van leeftijdsgenoten bij vervullen van behoefte aan
interpersoonlijke intimiteit en vormen vriendschappen.
11.3.2 Sociale-vergelijkingstheorie
Volgens de sociale-vergelijkingstheorie bepalen individuen hun eigenwaarde door
zich te vergelijken met anderen.
,11.3.3 Sociale-ontwikkelingstheorie
De sociale-ontwikkelingstheorie legt de nadruk op de impact van sociale
interacties op identiteitsvorming en de ontwikkeling van sociale vaardigheden.
Theorie richt zich op hoe individuen zich aanpassen aan de sociale omgeving. Het
benadrukt de invloed van sociale interacties, culturele context en
omgevingsfactoren op ontwikkeling individu.
11.3.4 Sociaal-cognitieve leertheorie
De sociaal-cognitieve leertheorie stelt dat adolescenten sociale vaardigheden
ontwikkelen door observatie, modellering (vindt plaats wanneer individuen zich
identificeren met een rolmodel en het gedrag van dat model imiteren) en
beloning.
Belangrijk concept in de sociaal-cognitieve leertheorie is tragische
wederkerigheid Gedrag, cognitie en omgeving werken voortdurend op elkaar
in en beïnvloeden elkaar.
Vermogen van individuen om eigen gedrag te monitoren, evalueren en aan te
bassen op basis van interne en externe feedback zelfregulatie
11.3.5 Theorie van het interpersoonlijke perspectief
De theorie van het interpersoonlijke perspectief legt nadruk op sociaal-cognitieve
vaardigheden die ontwikkelen tijdens adolescentie.
Ontwikkelen vermogen om het perspectief van anderen te begrijpen en te
waarderen. In tegenstelling tot kinderen, zijn adolescenten in staat relaties te
onderhouden, omdat ze beschikken over de cognitieve vaardigheden.
11.3.6 Sociale-informatieverwerkingstheorie
De sociale-informatieverwerkingstheorie bespreekt hoe adolescenten sociale
informatie waarnemen, interpreteren en verwerken. De theorie legt de nadruk op
het belang van cognitieve processen, zoals aandacht, geheugen, interpretatie en
besluitvorming.
Volgens sociale-informatieverwerkingstheorie doorlopen individuen reeks stappen
bij verwerken sociale informatie
1. Waarneming en codering: Ze nemen sociale signalen waar en geven daar
betekenis aan.
2. Interpretatie: Beoordelen relevantie en betrouwbaarheid van informatie
vanuit eigen perspectief.
3. Doelen stellen: Nagaan wat specifiek doel is bij sociale interactie.
4. Responsselectie: Bedenken mogelijke reacties op basis van interpretatie en
kiezen meest geschikte respons
5. Responsevaluatie: Voeren gekozen respons uit, rekening houdend met
mogelijke reacties en feedback van anderen.
6. Uitvoeren van gedrag en evaluatie door leeftijdsgenoten: Na respons
ontvangen ze feedback van anderen, die verwerken ze om toekomstige
sociale interacties aan te passen.
, 11.3.7 Sociale-verbondenheidtheorie
De sociale-verbondenheidtheorie stelt dat mensen een aangeboren behoefte
hebben om zich verbonden te voelen met anderen en deel uit te maken van
sociale groepen. Volgens deze theorie heeft dit verlangen een diepgaande
invloed op gedrag, emoties en cognitie mensen.
Ontbreken sociale verbondenheid kan leiden tot negatieve gevolgen, zoals
eenzaamheid depressie en verminderd welzijn
11.4 mechanismen onderliggend aan de rol van leeftijdsgenoten
Verschillende wetenschappelijke inzichten over mechanismen onderliggend aan
belangrijke rol leeftijdsgenoten in adolescentie.
11.4.1 Sociale signalen in hersenen’
Adolescenten zijn gevoelig voor sociale acceptatie en afwijzing leeftijdgenoten.
Experimentele fMRI-studies naar sociale acceptatie en afwijzing hebben laten
zien dat sociale signalen diepworteld is in hersenen.
Sociale acceptatie gerelateerd aan verhoogde hersenactiviteit in ventrale
striatum.
Sociale afwijzing gerelateerd aan verhoogde activatie in dorsale anterieure
cinculate cortex (ACC) en mediale prefrontale cortex (MPFC)
11.4.2 Sociale afwijzing en agressie
Sociale afwijzing kan gevoelens van droefheid en depressie veroorzaken, maar
ook leiden tot frustratie en agressie.
Volwassenen met hogere hersenactiviteit in een controle gebeid van prefrontale
cortex (PFC) Beter in staat om agressie te reguleren dan degenen met minder
activiteit.
Stimuleren van dit controlegebied met hersenstimulatie, resulteerde ook in
verminderde agressie.
11.5 Relaties met leeftijdsgenoten
Onderzoek rol leeftijdsgenoten richt zich enerzijds op sterke motivatie van
adolescenten om duurzame relaties te ontwikkelen en te onderhouden.
Anderzijds op de positie van adolescenten binnen sociale netwerken.
Geliefde adolescenten vertonen over algemeen pro sociaal gedrag (coöperatief
en vriendelijk), ze hebben een betere mentale gezondheid en presteren beter op
school.
Populaire adolescenten worden meer bewonderd en vaker uitgenodigd voor
sociale activiteiten. Ook hebben zei de capaciteiten om leeftijdgenoten te
beïnvloeden. Om doelen te bereieken niet alleen pr sociaal maar ook antisociale
strategieën inzetten.
11.6 Gelijkenissen tussen leeftijdsgenoten
Hoofdstuk 11 De rol van leeftijdsgenoten
11.1 Inleiding
In de adolescentie worden relaties met leeftijdsgenoten van groot belang.
Adolescenten streven naar autonomie ten opzichte van autoriteitsfiguren, zoals
ouders of leren en spenderen meer tijd met leeftijdsgenoten.
Relaties met leeftijdsgenoten kunnen stress en conflicten veroorzaken, maar
bieden ook kansen voor positieve ontwikkeling.
Ook vinden adolescenten status belangrijk
11.2 Het belang van leeftijdsgenoten in de adolescentie
Verschillende veranderingen die toenemende aandacht van adolescenten voor
leeftijdsgenoten helpen verklaren.
- Evolutionaire verklaring: Behoefte om affectie en status in sociale
netwerken te verkrijgen, was essentieel voor overleving en voortplanting.
- Fysiologische veranderingen in de adolescentie: Adolescenten
ondergaan een groeispurt en veranderen secundaire geslachtskenmerken.
Dit leidt tot fysiologische en fysieke verandering Kan samengaan met
een grotere interesse in het andere geslacht.
- Sociaal-structurele veranderingen in de adolescentie: Relaties in
kindertijd is beperkte tot kinderen uit de buurt, verschuift dit tijdens
adolescentie, vooral door overgang kleinere basisscholen naar grotere
middelbare school.
Ook smartphones zorgen voor snellere en intensieve communicatie.
- Sociaal-cognitieve veranderingen in de adolescentie: Veranderingen
in hersenen bevorderen vermogen tot perspectief nemen, abstract denken,
metacognitie en het aannemen van rollen. Hierdoor zijn adolescenten in
staat diepgaan na te denken over en betekenisvolle relaties aan te gaan en
te onderhouden met leeftijdsgenoten.
11.3 Theorieën over de rol van leeftijdsgenoten
11.3.1 interpersoonlijke theorie van ontwikkeling
Interpersoonlijke theorie van ontwikkeling is gebaseerd op het idee dat
menselijke ontwikkeling wordt beïnvloed door sociale interacties en relaties.
Individuen leren en zich ontwikkelen via hun relaties met anderen.
Theorie legt nadruk op rol van leeftijdsgenoten bij vervullen van behoefte aan
interpersoonlijke intimiteit en vormen vriendschappen.
11.3.2 Sociale-vergelijkingstheorie
Volgens de sociale-vergelijkingstheorie bepalen individuen hun eigenwaarde door
zich te vergelijken met anderen.
,11.3.3 Sociale-ontwikkelingstheorie
De sociale-ontwikkelingstheorie legt de nadruk op de impact van sociale
interacties op identiteitsvorming en de ontwikkeling van sociale vaardigheden.
Theorie richt zich op hoe individuen zich aanpassen aan de sociale omgeving. Het
benadrukt de invloed van sociale interacties, culturele context en
omgevingsfactoren op ontwikkeling individu.
11.3.4 Sociaal-cognitieve leertheorie
De sociaal-cognitieve leertheorie stelt dat adolescenten sociale vaardigheden
ontwikkelen door observatie, modellering (vindt plaats wanneer individuen zich
identificeren met een rolmodel en het gedrag van dat model imiteren) en
beloning.
Belangrijk concept in de sociaal-cognitieve leertheorie is tragische
wederkerigheid Gedrag, cognitie en omgeving werken voortdurend op elkaar
in en beïnvloeden elkaar.
Vermogen van individuen om eigen gedrag te monitoren, evalueren en aan te
bassen op basis van interne en externe feedback zelfregulatie
11.3.5 Theorie van het interpersoonlijke perspectief
De theorie van het interpersoonlijke perspectief legt nadruk op sociaal-cognitieve
vaardigheden die ontwikkelen tijdens adolescentie.
Ontwikkelen vermogen om het perspectief van anderen te begrijpen en te
waarderen. In tegenstelling tot kinderen, zijn adolescenten in staat relaties te
onderhouden, omdat ze beschikken over de cognitieve vaardigheden.
11.3.6 Sociale-informatieverwerkingstheorie
De sociale-informatieverwerkingstheorie bespreekt hoe adolescenten sociale
informatie waarnemen, interpreteren en verwerken. De theorie legt de nadruk op
het belang van cognitieve processen, zoals aandacht, geheugen, interpretatie en
besluitvorming.
Volgens sociale-informatieverwerkingstheorie doorlopen individuen reeks stappen
bij verwerken sociale informatie
1. Waarneming en codering: Ze nemen sociale signalen waar en geven daar
betekenis aan.
2. Interpretatie: Beoordelen relevantie en betrouwbaarheid van informatie
vanuit eigen perspectief.
3. Doelen stellen: Nagaan wat specifiek doel is bij sociale interactie.
4. Responsselectie: Bedenken mogelijke reacties op basis van interpretatie en
kiezen meest geschikte respons
5. Responsevaluatie: Voeren gekozen respons uit, rekening houdend met
mogelijke reacties en feedback van anderen.
6. Uitvoeren van gedrag en evaluatie door leeftijdsgenoten: Na respons
ontvangen ze feedback van anderen, die verwerken ze om toekomstige
sociale interacties aan te passen.
, 11.3.7 Sociale-verbondenheidtheorie
De sociale-verbondenheidtheorie stelt dat mensen een aangeboren behoefte
hebben om zich verbonden te voelen met anderen en deel uit te maken van
sociale groepen. Volgens deze theorie heeft dit verlangen een diepgaande
invloed op gedrag, emoties en cognitie mensen.
Ontbreken sociale verbondenheid kan leiden tot negatieve gevolgen, zoals
eenzaamheid depressie en verminderd welzijn
11.4 mechanismen onderliggend aan de rol van leeftijdsgenoten
Verschillende wetenschappelijke inzichten over mechanismen onderliggend aan
belangrijke rol leeftijdsgenoten in adolescentie.
11.4.1 Sociale signalen in hersenen’
Adolescenten zijn gevoelig voor sociale acceptatie en afwijzing leeftijdgenoten.
Experimentele fMRI-studies naar sociale acceptatie en afwijzing hebben laten
zien dat sociale signalen diepworteld is in hersenen.
Sociale acceptatie gerelateerd aan verhoogde hersenactiviteit in ventrale
striatum.
Sociale afwijzing gerelateerd aan verhoogde activatie in dorsale anterieure
cinculate cortex (ACC) en mediale prefrontale cortex (MPFC)
11.4.2 Sociale afwijzing en agressie
Sociale afwijzing kan gevoelens van droefheid en depressie veroorzaken, maar
ook leiden tot frustratie en agressie.
Volwassenen met hogere hersenactiviteit in een controle gebeid van prefrontale
cortex (PFC) Beter in staat om agressie te reguleren dan degenen met minder
activiteit.
Stimuleren van dit controlegebied met hersenstimulatie, resulteerde ook in
verminderde agressie.
11.5 Relaties met leeftijdsgenoten
Onderzoek rol leeftijdsgenoten richt zich enerzijds op sterke motivatie van
adolescenten om duurzame relaties te ontwikkelen en te onderhouden.
Anderzijds op de positie van adolescenten binnen sociale netwerken.
Geliefde adolescenten vertonen over algemeen pro sociaal gedrag (coöperatief
en vriendelijk), ze hebben een betere mentale gezondheid en presteren beter op
school.
Populaire adolescenten worden meer bewonderd en vaker uitgenodigd voor
sociale activiteiten. Ook hebben zei de capaciteiten om leeftijdgenoten te
beïnvloeden. Om doelen te bereieken niet alleen pr sociaal maar ook antisociale
strategieën inzetten.
11.6 Gelijkenissen tussen leeftijdsgenoten