Aardrijkskunde Hoofdstuk 2 paragraaf 1 t/m 4
§1 De vorming van gebergten (bijv. de Alpen)
• Vroeger lag er op sommige plekken een zee.
• Op de bodem van die zee kwamen lagen zand, klei en resten van planten en dieren.
• Dat werd sedimentgesteente.
• Door bewegende aardplaten werd de aardkorst samengedrukt.
• Daardoor werden lagen omhoog gedrukt → gebergten (zoals de Alpen).
De aarde is een bol van gloeiendheet gesteente, met een dunne aardkorst eromheen die
bestaat uit afgekoeld, vast gesteente. De aardkorst verandert voortdurend van vorm, vooral
door natuurkrachten. De natuurkrachten werken van twee kanten.
B97 Exogene krachten (exo=buiten) van buitenaf verandert de aardkorst door exogene
krachten. B97 - Endogene krachten (Endo=binnen) = krachten uit het binnenste van de
aarde
B110 Reliëf: Hoogteverschillen in het landschap. 4 vormen:
• Hooggebergte: de meeste toppen zijn hoger dan 1.500 meter
• Middelgebergte: de meeste toppen zijn tussen de 500 en 1.500 meter hoog
• Heuvelland: de meeste toppen zijn tussen de 200 en 500 meter
• Laagland: het is vrijwel overal lager dan 200 meter. Hier kunnen ook hellingen zijn, maar
die zijn nooit erg groot.
B115 Verwering: Is het uiteenvallen van gesteente onder invloed van het weer en de
plantengroei (exogene krachten)
Verweringsmateriaal: Puin dat bij verwering ontstaat. Massabeweging: Verweringsmateriaal
dat onder invloed van de zwaartekracht van een helling afrolt of schuift.
Soorten verweringen:
Verwering = gesteente valt langzaam uit elkaar.
Soorten:
Fysische verwering - Door temperatuurverschillen of ijs.
Chemische verwering - Door water en zuur.
Biologische verwering - Door plantenwortels of dieren.
➡ Hierdoor ontstaan losse stenen en zand.
B116 Erosie: Erosie = het wegschuren of meenemen van materiaal.
Dat gebeurt door: Water (rivieren), Wind, IJs (gletsjers)Het materiaal dat wordt
meegenomen heet sediment.
Sedimentatie: Als de gletsjer smelt, blijft het meegenomen materiaal liggen.
, Gevolgen:
• morenes (heuvels van stenen en zand)
• gletsjermeren die ontstaan door smeltwater
begrippen met korte uitleg:
• Chemische verwering – gesteente verandert door chemische reacties met water of
zuur.
• Endogene kracht – kracht vanuit het binnenste van de aarde (bijv. aardbevingen,
gebergtevorming). ( edo = binnen )
• Erosie – het wegschuren en meenemen van gesteente door water, wind of ijs.
• Exogene kracht – ( exo = buiten ) kracht van buitenaf op het aardoppervlak (bijv. water,
wind, ijs).
• Heuvelland – gebied met heuvels van ongeveer 200–500 meter hoog.
• Hooggebergte – gebergte hoger dan ongeveer 1500 meter.
• Laagland – gebied lager dan ongeveer 200 meter boven zeeniveau.
• Mechanische verwering – gesteente breekt in stukken zonder dat de samenstelling
verandert.
• Middelgebergte – gebergte ongeveer 500–1500 meter hoog.
• Reliëf – hoogteverschillen in het landschap.
• Verwering – het uiteenvallen van gesteente door weer en temperatuur.
• Verweringsmateriaal – los materiaal (zand, klei, stenen) dat door verwering ontstaat.
§2 – Rivieren van ijs (Gletsjers)
Ontstaan van Gletsjers
Welke gevolgen heeft een gletsjer voor het landschap?
Een gletsjer verandert het landschap doordat het ijs schuurt, stenen meeneemt en
materiaal neerlegt.
Hoe zagen de Alpen eruit tijdens en na de ijstijd?
Tijdens de ijstijd
§1 De vorming van gebergten (bijv. de Alpen)
• Vroeger lag er op sommige plekken een zee.
• Op de bodem van die zee kwamen lagen zand, klei en resten van planten en dieren.
• Dat werd sedimentgesteente.
• Door bewegende aardplaten werd de aardkorst samengedrukt.
• Daardoor werden lagen omhoog gedrukt → gebergten (zoals de Alpen).
De aarde is een bol van gloeiendheet gesteente, met een dunne aardkorst eromheen die
bestaat uit afgekoeld, vast gesteente. De aardkorst verandert voortdurend van vorm, vooral
door natuurkrachten. De natuurkrachten werken van twee kanten.
B97 Exogene krachten (exo=buiten) van buitenaf verandert de aardkorst door exogene
krachten. B97 - Endogene krachten (Endo=binnen) = krachten uit het binnenste van de
aarde
B110 Reliëf: Hoogteverschillen in het landschap. 4 vormen:
• Hooggebergte: de meeste toppen zijn hoger dan 1.500 meter
• Middelgebergte: de meeste toppen zijn tussen de 500 en 1.500 meter hoog
• Heuvelland: de meeste toppen zijn tussen de 200 en 500 meter
• Laagland: het is vrijwel overal lager dan 200 meter. Hier kunnen ook hellingen zijn, maar
die zijn nooit erg groot.
B115 Verwering: Is het uiteenvallen van gesteente onder invloed van het weer en de
plantengroei (exogene krachten)
Verweringsmateriaal: Puin dat bij verwering ontstaat. Massabeweging: Verweringsmateriaal
dat onder invloed van de zwaartekracht van een helling afrolt of schuift.
Soorten verweringen:
Verwering = gesteente valt langzaam uit elkaar.
Soorten:
Fysische verwering - Door temperatuurverschillen of ijs.
Chemische verwering - Door water en zuur.
Biologische verwering - Door plantenwortels of dieren.
➡ Hierdoor ontstaan losse stenen en zand.
B116 Erosie: Erosie = het wegschuren of meenemen van materiaal.
Dat gebeurt door: Water (rivieren), Wind, IJs (gletsjers)Het materiaal dat wordt
meegenomen heet sediment.
Sedimentatie: Als de gletsjer smelt, blijft het meegenomen materiaal liggen.
, Gevolgen:
• morenes (heuvels van stenen en zand)
• gletsjermeren die ontstaan door smeltwater
begrippen met korte uitleg:
• Chemische verwering – gesteente verandert door chemische reacties met water of
zuur.
• Endogene kracht – kracht vanuit het binnenste van de aarde (bijv. aardbevingen,
gebergtevorming). ( edo = binnen )
• Erosie – het wegschuren en meenemen van gesteente door water, wind of ijs.
• Exogene kracht – ( exo = buiten ) kracht van buitenaf op het aardoppervlak (bijv. water,
wind, ijs).
• Heuvelland – gebied met heuvels van ongeveer 200–500 meter hoog.
• Hooggebergte – gebergte hoger dan ongeveer 1500 meter.
• Laagland – gebied lager dan ongeveer 200 meter boven zeeniveau.
• Mechanische verwering – gesteente breekt in stukken zonder dat de samenstelling
verandert.
• Middelgebergte – gebergte ongeveer 500–1500 meter hoog.
• Reliëf – hoogteverschillen in het landschap.
• Verwering – het uiteenvallen van gesteente door weer en temperatuur.
• Verweringsmateriaal – los materiaal (zand, klei, stenen) dat door verwering ontstaat.
§2 – Rivieren van ijs (Gletsjers)
Ontstaan van Gletsjers
Welke gevolgen heeft een gletsjer voor het landschap?
Een gletsjer verandert het landschap doordat het ijs schuurt, stenen meeneemt en
materiaal neerlegt.
Hoe zagen de Alpen eruit tijdens en na de ijstijd?
Tijdens de ijstijd