Management Accounting – Major 3 (10083)
Gebaseerd op de toetsmatrijs – alle 8 doelstellingen
💡 Hoe gebruik je dit document? Elk hoofdstuk volgt de toetsmatrijs. Leer eerst de begrippen
(blauw), dan de formules (in de kadertjes), dan oefen je de berekeningen. Kijk bij elke formule:
wat geef je in, wat krijg je terug?
Doelstelling 1 – Financiële Gezondheid (20%)
De financiële gezondheid van een organisatie beoordeel je aan de hand van kengetallen (ratio's).
Je berekent deze vanuit de balans en de resultatenrekening.
1A – De Balans
Een balans is een momentopname ('foto') van de bezittingen, schulden en het eigen vermogen
van een organisatie op een bepaald moment.
Balanspost Uitleg
Vaste Activa (VA) Bezittingen die langer dan 1 jaar meegaan (machines,
gebouwen, patenten)
Vlottende Activa (VLA) Bezittingen die korter dan 1 jaar meegaan (voorraden,
debiteuren)
Liquide Middelen (LM) Kas & Bank – direct beschikbaar geld
Eigen Vermogen (EV) Vermogen van eigenaren/aandeelhouders (aandelenkapitaal +
reserves)
Vreemd Vermogen Lang Leningen met looptijd langer dan 1 jaar (hypotheek, obligaties)
(VVL)
Vreemd Vermogen Kort Schulden met looptijd korter dan 1 jaar (crediteuren, te betalen
(VVK) belasting)
💡 Geheugensteuntje: Activa = wat je hebt. Passiva = hoe je het betaalt. Altijd: Activa = Passiva
(debet = credit).
,1B – De Resultatenrekening
De resultatenrekening laat zien hoeveel winst of verlies je maakt over een bepaalde periode (niet
op 1 moment, maar over een heel jaar).
Term Betekenis
Omzet Alle verkopen (opbrengsten)
Inkoopwaarde omzet (IWO) Wat de verkochte goederen inkopen kostte
Brutowinst Omzet minus IWO
EBITDA Winst vóór rente, belasting, afschrijvingen
EBIT (= Bedrijfsresultaat) EBITDA minus afschrijvingen
Interestkosten Rente die je betaalt over leningen
Nettoresultaat Winst ná alle kosten en belastingen
1C – Kengetallen Solvabiliteit
Solvabiliteit = de mate waarin een organisatie bij opheffing AL zijn schulden kan betalen. Dit gaat
over de LANGE termijn.
Weerstandsvermogen EV / TV × 100%
Debtratio VV / TV × 100%
TV = Totaal Vermogen = EV + VV. Hoe hoger het weerstandsvermogen, hoe gezonder de
solvabiliteit.
💡 Norm: afhankelijk van de branche. Hogere risico-branche → hogere solvabiliteitseis. Bij
slechte solvabiliteit: moeilijker financiering krijgen, hogere rente, lagere aandeelkoers.
1D – Kengetallen Liquiditeit
Liquiditeit = de mate waarin een organisatie zijn schulden op KORTE termijn kan betalen.
Netto Werkkapitaal (NWK) Vlottende Activa – Vlottende Passiva
Current Ratio (CR) Vlottende Activa / Vlottende Passiva
Quick Ratio (QR) (Vlottende Activa – Voorraden) / Vlottende
Passiva
💡 Norm: Vlottende Activa moet GROTER zijn dan Vlottende Passiva. CR > 1 = goed. QR sluit
voorraden uit, want die zijn moeilijker snel om te zetten in geld.
, 1E – Kengetallen Rentabiliteit
Rentabiliteit = in welke mate is de onderneming in staat het beschikbare vermogen
WINSTGEVEND aan te wenden? Altijd rekenen met het GEMIDDELD geïnvesteerd vermogen
(begin + eind / 2).
RTV (Rentabiliteit Totaal (EBIT / gemiddeld TV) × 100%
Vermogen)
REV (Rentabiliteit Eigen (Nettoresultaat / gemiddeld EV) × 100%
Vermogen)
RVV (Rentabiliteit Vreemd (Interestkosten / gemiddeld VV) × 100%
Vermogen)
💡 Norm: RTV > RVV = positief hefboomeffect! Dit betekent: je verdient meer op elke euro die je
investeert dan het kost om vreemd vermogen aan te trekken. Super goed voor de aandeelhouder!
1F – Brutowinstmarge & Activiteitskengetallen
Brutowinstmarge (Brutowinst / Omzet) × 100%
Kengetal Formule
Omzetsnelheid voorraad IWO / Gemiddelde voorraad
Opslagduur voorraad 365 / Omzetsnelheid voorraad
(dagen)
Krediettermijn debiteuren (Gemiddelde debiteuren / Omzet incl. BTW) × 365
(dagen)
Krediettermijn crediteuren (Gemiddelde crediteuren / Inkopen incl. BTW) × 365
(dagen)
Omloopsnelheid totaal Omzet / Gemiddeld TV
vermogen