Ontwikkelingspsychologie – Feldman 9e editie
Hoofdstukken 1–13 | PB0112 Open Universiteit 2024/2025
Inclusief kernpunten, definities en meerkeuze oefenvragen
HOOFDSTUK 1 — Inleiding in de ontwikkeling van het kind
1.1 Kernbegrippen
• Ontwikkelingspsychologie: de wetenschappelijke studie van patronen van groei,
verandering en stabiliteit bij mensen gedurende hun hele leven (van conceptie t/m de dood).
• Levensloopperspectief: mensen blijven groeien en veranderen tot het einde van hun
leven.
• Rijping: blijvende fysieke of psychologische verandering als gevolg van biologische
groeiprocessen.
1.2 Drie ontwikkelingsdomeinen
1. Fysieke ontwikkeling – lichaam, hersenen, zintuigen, motoriek.
2. Cognitieve ontwikkeling – leren, geheugen, taal, intelligentie.
3. Sociaal-emotionele & persoonlijkheidsontwikkeling – relaties, emoties, morele ontwikkeling.
1.3 Vijf ontwikkelingsfasen
4. Prenatale periode (conceptie – geboorte)
5. Babytijd (geboorte – 2 jaar)
6. Peuter- en kleutertijd (2 – 6 jaar)
7. Schooltijd (6 – 12 jaar)
8. Adolescentie (12 – 20 jaar)
• Ontluikende volwassenheid (Arnett): late tienerjaren – ~30 jaar; identiteitsontdekking.
• Puberteit: meisjes ~11/12 jaar; jongens ~13/14 jaar.
1.4 Normatieve en niet-normatieve invloeden
• Normatieve historische invloeden: sociaalhistorische omgevingsinvloeden (bijv. corona).
• Normatieve leeftijdsgebonden invloeden: biologisch/omgeving vergelijkbaar voor
leeftijdsgroepen (bijv. puberteit, leerplicht).
• Normatieve sociaal-culturele invloeden: cultuur, etniciteit, sociale klasse.
• Niet-normatieve gebeurtenissen: specifieke gebeurtenissen voor een individu (bijv.
ongeluk).
• Cohort: groep mensen uit dezelfde periode met gedeelde ervaringen.
1.5 Centrale vraagstukken
• Continue vs. discontinue verandering: geleidelijk kwantitatief (continue) vs.
sprongsgewijs kwalitatief (discontinu/stadia).
• Kritieke periode: tijdsspanne met onomkeerbare gevolgen (bijv. rubella in eerste trimester).
, • Gevoelige periode: extra gevoeligheid voor bepaalde invloeden; effecten zijn terug te
draaien.
• Levensloopmodel: moderne benadering – doorgaande groei gedurende het hele leven.
• Nature-nurturedebat: erfelijkheid vs. omgeving; tegenwoordig erkend dat beide
samenwerken.
• WEIRD: Western, Educated, Industrialized, Rich, Democratic – veel onderzoek is hierop
gebaseerd.
HOOFDSTUK 2 — Theoretische perspectieven en onderzoek
2.1 Vijf theoretische perspectieven
Psychodynamisch perspectief
• Gedrag wordt gemotiveerd door innerlijke, onbewuste krachten vanuit de kindertijd.
• Freud: Id (genotsprincipe) – Ego (realiteitsprincipe) – Superego (geweten). Psychoseksuele
stadia: Oraal → Anaal → Fallisch → Latentie → Genitaal (OrAnFaLaGe). Fixatie =
onopgelost conflict in een stadium.
• Erikson: 8 psychosociale stadia, elk met een crisis. Groei gaat door tot in de ouderdom.
Meer nadruk op sociale/omgevingsfactoren dan Freud.
Eriksons 8 stadia (samenvatting)
9. Vertrouwen vs. wantrouwen (0–18 mnd)
10. Autonomie vs. schaamte & twijfel (18 mnd–3 jr)
11. Initiatief vs. schuldgevoel (3–6 jr)
12. Vlijt vs. minderwaardigheid (6–12 jr)
13. Identiteit vs. identiteitsverwarring (adolescentie)
14. Intimiteit vs. isolement (jonge volwassenheid)
15. Generativiteit vs. stagnatie (volwassenheid)
16. Ego-integriteit vs. wanhoop (rijpheid)
Behavioristisch perspectief
• Nurture > nature; kwantitatieve verandering.
• Klassieke conditionering (Pavlov): neutrale stimulus + ongeconditioneerde stimulus →
geconditioneerde respons.
• Operante conditionering (Skinner): bekrachtiging (positief/negatief) verhoogt gedrag; straf
(positief/negatief) verlaagt gedrag.
• Sociale cognitieve leertheorie (Bandura): leren door observatie en imitatie (modeling).
Voorwaarden: aandacht, retentie, reproductie, motivatie.
Cognitief perspectief
• Piaget – schema's, assimilatie, accommodatie, equilibrium.
• 4 stadia: Sensomotorisch (0–2) → Preoperationeel (2–7) → Concreet-operationeel (7–12) →
Formeel-operationeel (12+).
• Informatieverwerkingstheorie: codering, opslag en ophalen van informatie; geleidelijke
kwantitatieve groei.
• Cognitieve neurowetenschap: hersenprocessen en cognitieve ontwikkeling.
Systemisch perspectief
• Bio-ecologisch model (Bronfenbrenner): 5 omgevingsniveaus: Micro → Meso → Exo →
Macro → Chrono (MiMeExMaCh).
• Socioculturele theorie (Vygotsky): cognitieve ontwikkeling via sociale interactie; zone van
naaste ontwikkeling (ZPD); scaffolding.
Evolutionair perspectief
• Gedrag als resultaat van genetische erfenis; natuurlijke selectie.
• Ethologie en gedragsgenetica.
, 2.2 Wetenschappelijk onderzoek: 5 stappen
17. Hypotheses ontwikkelen
18. Onderzoek ontwerpen
19. Data verzamelen
20. Data analyseren (significantie)
21. Conclusies publiceren, bekritiseren, repliceren (peer review)
2.3 Onderzoeksdesigns
• Experimenteel: oorzaak-gevolg; onafhankelijke vs. afhankelijke variabele; randomisatie.
• Correlationeel: verband meten; geen oorzaak-gevolg.
• Beschrijvend: accuraat beschrijven zonder verbanden te toetsen.
• Longitudinaal: zelfde personen over langere tijd (duur, uitval, testwise-effect).
• Dwarsdoorsnede (cross-sectioneel): verschillende leeftijdsgroepen op één moment
(cohorteffecten).
• Cross-sequentieel: combineert beide; meerdere leeftijdsgroepen op meerdere tijdstippen.
• Meta-analyse: statistische combinatie van resultaten van veel studies.
2.4 Dataverzamelingsmethoden (kort)
• Survey, observatie (naturalistisch / gecontroleerd), interview (diepte / gestructureerd / semi),
tests, casestudy, etnografie.
• Hawthorne-effect: gedrag verandert doordat men weet geobserveerd te worden.
• Informed consent: deelnemer is geïnformeerd over voor- en nadelen.
HOOFDSTUK 3 — Het begin van het leven (genetica & prenatale
ontwikkeling)
3.1 Genetica
• DNA & chromosomen: 46 chromosomen (23 paren); genen = basiseenheden van
genetische info.
• Gameten: geslachtscellen (eicel + zaadcel); bevatten elk 23 chromosomen.
• Zygote: bevruchte eicel (fusie van 2 gameten).
• Mitose: gewone celdeling; kopieert alle 46 chromosomen.
• Meiose: vorming van gameten; 23 chromosomen per cel; 2²³ combinaties mogelijk.
• Genotype: onderliggende genetische samenstelling (onzichtbaar).
• Fenotype: waarneembaar kenmerk (resultaat van genotype + omgeving).
• Dominante allel: komt altijd tot uiting als het aanwezig is.
• Recessieve allel: komt alleen tot uiting als het op beide chromosomen aanwezig is.
• Homozygoot: gelijke allelen voor eigenschap.
• Heterozygoot: verschillende allelen voor eigenschap.
• Geslachtsbepaling: 23e chromosomenpaar: XX = meisje, XY = jongen (vader bepaalt).
3.2 Erfelijke aandoeningen
• Downsyndroom: trisomie 21 (extra chromosoom 21); verstandelijke beperking.
• Fragiele X-syndroom: beschadigd gen op X-chromosoom; verstandelijke handicap.
• PKU: recessief; kind kan fenylalanine niet afbreken → hersenschade (behandelbaar via
dieet).
• Sikkelcelanemie: recessief; afwijkende rode bloedcellen; biedt bescherming tegen malaria.
• Duchenne: X-gebonden recessief; progressieve spierzwakte; vooral bij jongens.
• Klinefelter-syndroom: XXY; alleen jongens; onderontwikkelde genitaliën.
• Epigenetica: omgevingsfactoren (roken, stress) zetten genen aan of uit; kunnen worden
doorgegeven.
• Gedragsgenetica: relatie tussen genetische variatie en gedrag.