De kennis basis toets van taal bestaat uit een reeks aan begrippen en doelen. Deze
doelen zijn gebaseerd op het boek basiskennis taalonderwijs, van Henk Huizenga en
José Smeets. In deze samenvatting staat alles wat je moet weten om te slagen voor de
kennis basis toets taal van de pabo in het eerste jaar.
Taal heeft verschillende functies in het dagelijks leven, voor de toets moet je de volgende
onderscheiden.
• De communicatieve of sociale taalfunctie: we gebruiken taal als middel voor communicatie
met een ander, het gaat over interactie tussen 2 of meerdere personen. We kennen 4
verschillende soorten van de sociale taalfunctie.
- Zelfhandhaving: opkomen voor jezelf en jezelf beschermen of verdedigen met
woorden.
- Zelfsturing: je handelen en acties aankondigen met woorden, dus vertellen wat je
gaat doen.
- Sturing van een ander: met je woorden een ander sturen, door bijvoorbeeld de
vraag, ga je mee?
- Structurering van het gesprek: met woorden het gesprek leiden en sturen, je zorgt
voor een goede voortgang, opening en afsluiting van een gesprek.
• De conceptualiserende of cognitieve taalfunctie: we gebruiken taal als middel om de
werkelijkheid om ons heen en onze gedachten te ordenen. Er zijn drie manieren van de
conceptualiserende taalfunctie:
- Rapporteren: je vertelt wat je ziet, wat er gebeurt of wat er gebeurd is, zonder je
mening of emotie te delen. Puur feiten benoemen.
- Redeneren: je legt verbanden in je verhaal door bijvoorbeeld je verhaal
chronologisch te vertellen of door een conclusie te trekken.
- Projecteren: je leeft je in, in een situatie die nog niet heeft plaats gevonden of in een
persoon zijn emotie of gedachten.
• De expressieve taalfunctie: we gebruiken taal om onze gevoelens en emoties te uiten.
Binnen de kennis basis spreken we over drie manieren om als kind taal te leren.
1. Imitatietheorie of behaviorisme: dit gaat uit van het feit dat kinderen taal leren door anderen
die de taal goed beheersen na te doen. Ook speelt de goedkeuring hierin een rol, als een kind
geprezen wordt omdat hij/zij papa of mama zegt, dan zal hij/zij dit vaker zeggen.
2. Creatieve constructieve theorie of mentalisme: kinderen leren zelf taal, omdat ze een
aangeboren taalvermogen hebben waarmee ze op een creatieve manier zinnen kunnen
bouwen.
3. Interactietheorie: deze theorie gaat ervan uit dat een rijke taalomgeving en interactie tussen
moedertaalspreker (iemand die de moedertaal vloeiend spreekt) en kind.
, Binnen het taalverwervingsproces van een kind onderscheiden we twee perioden:
1. De prelinguale periode (0-1 jaar): kinderen in hun eerste levensjaar kunnen niet praten en
gebruiken klanken niet om een boodschap over te brengen. Ze maken geluiden zoals huilen
of losse klanken. Later beginnen ze met vocaliseren, dit is het luisteren naar stemgeluiden en
het produceren van vocalen. Later beginnen ze ook te brabbelen.
2. De linguale periode, deze is onder te verdelen in de:
- De vroeg linguale periode (1-2,5 jaar): kinderen gaan hier steeds meer aspecten
benoemen, alles wat ze zien of aanraken benoemen ze, hoewel de uitspraak nog niet
helemaal goed is. Ook beginnen de kinderen met het koppelen van betekenis aan
voorwerpen, bijvoorbeeld ze wijzen naar de kachel en zeggen warm. Later gaan de
kinderen tweewoord zinnen gebruiken zoals mama zitten, die hier, mij hebben of in
roeren. Ook leren de kinderen heel veel woorden, zo zouden ze op hun tweede
verjaardag 500 woorden kennen.
- De differentiatiefase (2,5-5 jaar): vanaf de leeftijd 2,5 begint het taalgebruik steeds
meer op dat van een volwassene te lijken. De kinderen maken een ontwikkeling op
pragmatisch en morfologisch niveau, ze leren spreken over aspecten die niet in hun
directe omgeving zijn en leren spreken zonder concrete context.
- Voltooiingsfase (5 jaar en ouder): kinderen leren in deze fase nog veel meer woorden
en hun taalgebruik wordt steeds vollediger. Ze hebben nog moeite met het vormen
van goede lange zinnen, de verledentijd van sterke werkwoorden en onregelmatige
vormen van woorden. Kinderen zullen vaak dingen zeggen zoals, geefde of drinkte.
De bedoeling is dat de kinderen aan het einde van de basisschool een volledig
afgeronde taalontwikkeling hebben en in staat zijn tot een goed gesprek, goed
kunnen lezen en schrijven.
Kinderen kunnen tweetalig worden opgevoed door hun ouders en hier zit dan verschil in het leren
van een taal gelijktijdig met het leren van je moedertaal en het leren van een vreemde taal als het
kind iets ouder is.
- Simultane tweetaligheid: een kind leert twee talen tegelijk vanaf de geboorte.
- Successieve tweetaligheid: een kind leert een tweede taal nadat ze een eerste taal
geleerd hebben. De grens ligt bij het derde levensjaar.
Bij de successieve tweetaligheid leren kinderen een tweede taal met de kennis van de eerste taal en
dit beïnvloedt elkaar. Hierdoor treden er soms interferentie fouten op, dit zijn fouten die
voortkomen uit de verschillen tussen de eerste en tweede taal. Zo zal bijvoorbeeld een kind wat
Turks als eerste taal heeft het woord wiel uitspreken als wil, omdat het Turks geen verschil kent
tussen de /i/ en de /ie/ of het kind gebruikt geen lidwoorden, omdat deze in het Turks niet
voorkomen.
Pictografisch schrift: dit is een schrift van tekeningen en afbeeldingen om iets duidelijk te maken. dit
werd vroeger gebruikt als middel voor schrijven.
Logografisch schrift: elke logo/symbool staat voor één woord, ook voor en achtervoegsel hebben hun
eigen teken. Dit schrift wordt gebruik in het chinees.
Alfabetisch schrift: het systeem van klinker en medeklinker, ontwikkelt door de romeinen. Ons schrift
bestaat uit alleen fonemen. De fonemen worden ondersteund door grafemen, bijvoorbeeld in het
woord kuil, raam of ring zijn de grafemen ui, aa en ng.