Kz = evenwichtsreactie
Bij een zwakzuur HZ geldt de evenwichtsconstante Kz
K[H2O] = Kz: (producten)(producten):(beginstoffen)
des te kleiner Kz, des de zwakker het zuur
2 = (H3O+)(A-):(HA)
1 = (H3O+)(A-):(HA)
Dus bij 2 is de concentratie H3O+ het grootst en dus het sterkste zuur
bij 1 is de concentratie H3O+ kleiner waardoor het een zwakker zuur is
Gebruik altijd de BOE-tabel en kijk of je de ABC-formule moet gebruiken
Het ionisatiepercentage geeft aan hoeveel procent van een zwak zuur in ionen
is afgesplitst
bijvoorbeeld: beginconcentratie van het zuur is 0,10 M (mol/liter) , er is 5,3 * 10-3
mol H3O+ per liter
deel:geheel*100, dus 5,3 * 10-3:0,10 *100 = 5,3%
§2
K[H2O] = Kb = (OH-)(BH+):(B)
In tabel 49 staan alle zuur-basekoppels, als je de Kz en de Kb van zo’n zuur-
basekoppel vermenigvuldigt met elkaar krijgt je de waterconstante: Kw. De Kw
is altijd bij 298 K de waarde 1,0 * 10*-14
Kb = 10*-pKb
§3
Als er een sterk base of sterk zuur aanwezig is, is de reactie aflopend. Ook is de
reactie aflopend als het zuur boven de base staat.
Een molecuul (behalve waterstof) heeft altijd acht elektronen in de buitenste
schil, de octetregel. Groep 1 heeft 1 elektron in buitenste schil 2 heeft er 2 en
13 heeft er 3 enzovoort.
Je wilt dus dat elk molecuul 8 elektronen heeft. Een binding is 2 elektronen. Dus
bijvoorbeeld
O=C=O, kijk je eerst naar de O, die heeft op zichzelf al 6 elektronen in buitenste
schil (want groep 16) en heeft dus 2 gemeenschappelijke paren. Hij krijgt 2
bindingen, dus 4 elektronen en heeft dus nog 4 vrije elektronen oftewel 2 vrije
elektronenparen en dus komen daar 2 strepen. De C heeft zelf 4 vrije elektronen,
krijgt 4 bindingen en dus 4 extra elektronen, dus weer 8. En dus ook 4
gemeenschappelijke paren. Dus geen extra strepen.