HC1
Orthopedagogiek als handelingswetenschap
Disciplines, theorieën, integrerende modellen
Disciplines
Psychiatrie (biomedisch)
Richt zich op symptomen, syndromen, stoornissen.
Psychiatrische classificaties (DSM): ordenen van symptomen besluit
aanwezigheid syndroom. Mogelijke comorbiditeit.
Medisch model: stoornis staat centraal.
Differentiaaldiagnose: onderzoek naar verschijnselen: onderscheid
tussen beelden.
Ontwikkelingspsychologie
Normale ontwikkeling en individuele verschillen / condities die de ontwikkeling
beïnvloeden.
Ontwikkelingsprocessen (perceptie, cognitie), ontwikkelingsfasen, volgorde in
fasen (continu, discontinu), interactie met omgeving.
Toepassing in opvoeding, onderwijs, en hulpverlening.
ASEBA: vragenlijsten voor competenties en probleemgedrag.
Orthopedagogiek:
Gericht op opvoeding, onderwijs, kwetsbare kinderen en kwetsbare gezinnen.
Gericht op opvoedingshulp bij stagnatie herstel van het gewone leven.
Wetenschappelijke kennis wordt bruikbaar gemaakt voor praktijk, en andersom.
Focus op opvoedhulp, pedagogisch klimaat, handelingsgericht werken, waarden
en normen uit een cultuur (gezin, school, maatschappij).
Gebruik van meetinstrumenten voor ouder- en gezinsfunctioneren.
Uiteindelijk krijg je een geïntegreerd beeld voor de behandeling van de cliënt.
Theorieën
Psychodynamische theorie (Freud)
Problemen in vroege kinderjaren beïnvloeden ontwikkeling van latere
problematiek.
3 systemen:
Id: lustprincipe: het psychisch functioneren dat primair gericht is op het
onmiddellijk bevredigen van behoeften en impulsen en het vermijden van pijn
of onlust. Instinctief, innerlijke wereld van subjectieve ervaring.
, Ego: realiteitsprincipe: het vermogen van het ego om driften (id) uit te stellen
totdat ze op een veilige, realistische en sociaal aanvaardbare manier
bevredigd kunnen worden. Logisch en rationeel denken.
Superego. Ego-ideaal: positief, wil je bereiken, lonend. Geweten: negatief,
straft. Moreel besef: vermogen om onderscheid te maken tussen goed en
kwaad, gebaseerd op waarden en normen. Streeft naar perfectie.
Conflicten tussen deze systemen → angst → afweermechanismen.
Dynamisch component: balans tussen individu en ontwikkelingstaken uit
omgeving
Gehechtheidstheorie
Affectieve relatie tussen kind en opvoeders.
Sensitiviteit, responsiviteit, cirkel van veiligheid; durven exploreren
ontwikkeling.
Kwaliteit hechting = risico- én beschermende factor.
Leertheorie
Gedrag wordt uitgelokt door antecedenten en bekrachtigd door consequenties.
Bepaalde manieren van denken over o.a. eigen gedrag (bijv. een ongewenste
gedachte).
Systeemtheorie: ecologisch en gezinstherapeutisch
Ecologisch model (Bronfenbrenner): interactie individu-omgeving (micro-, meso-,
exo-, macro-, chronosysteem).
Gezinstherapeutisch theorie:
Structurele gezinstherapie: gezin als veranderend systeem met hiërarchie,
subsystemen met grenzen daartussen(ouders en kinderen) en partiële
systemen (vader-zoon). Omstandigheden verandering grenzen tussen
subsystemen (parentificatie). Loyaliteit.
Watzlawick: communicatie en tegenstrijdigheden (inhoud, betrekking) als
stressbron.
Contextuele therapie: nadruk op loyaliteit van kinderen naar ouders.
Integrerende modellen
Biopsychosociaal model: gedrag wordt bepaald door interactie tussen: biologische
factoren, psychologische factoren, sociale factoren.
Balansmodel: balans tussen draagkracht (protectieve factoren) en draaglast
(risicofactoren). Differential susceptibility.
Visies op normaliteit
Normaliteit als afwezigheid van stoornissen. Dichotoom: wel/geen stoornis.
Normaliteit als statistisch gegeven/gemiddelde. Normen soms verouderd of niet
toepasbaar. Ontwikkelingsprofielen opstellen. Voordeel: oordeel wordt
geobjectiveerd.
Normaliteit als ideale of gewenste toestand. Identiteit en zelfontplooiing.
Maatschappelijke/culturele idealen.
, Normaliteit als succesvolle adaptatie: dynamisch evenwicht tussen individu en
omgeving; succesvol doorlopen van ontwikkelingstaken.
Normaliteit als neurodiversiteit; variatie in neurocognitief functioneren; afwijkingen
≠ tekortkomingen; focus op inclusie, gelijkwaardigheid, anti-stigmatisering.
Kwaliteit theorievorming
Practice-based: theorieën bruikbaar in praktijk, maar nog onvoldoende onderzocht.
Evidence-based: bewijsvoering voldoet aan wetenschappelijke standaarden.
Evidence-based assessment (gebruik van valide theorieën en instrumenten) +
evidence-based treatment (bewezen effectieve aanpak voor specifieke groepen) =
evidence-based practice.
Slechts klein deel van Nederlandse interventies opgenomen in Databank Effectieve
Jeugdinterventies
De orthopedagoog als professional
Toepassen van kennis over procedures en methodieken, en kunde (vakkennis).
Normatief doel: bereiken wat wenselijk is voor het kind.
Oorspronkelijk object: het ‘’afwijkende kind’’.
Doel: maatschappelijke integratie van het kind (match beperkingen kind –
maatschappij).
Therapiecyclus
Indicatieanalyse als scharnierpunt combineert:
Theorie: werkzame principes
Empirische kennis: eerder effect van de behandeling
Risico- en beschermende factoren
Indicaties & contra-indicaties
Planning
Uitvoering
Beoordeling van het effect
Fasen in het hulpverleningsproces
Orthopedagogiek als handelingswetenschap: gebruikt de regulatieve cyclus
(gericht op verandering), niet de empirische cyclus (gericht op beschrijving).
Orthopedagogisch handelen
, Doelen per cyclus:
Beslissingsmomenten inbouwen (regulatieve cyclus): hoe staan we ervoor, hoe gaan
we verder.
Op een valide & wetenschappelijke manier voortgang bewaken via
onderzoeksmomenten (empirische subcycli). Gefundeerd werken.
Fasen van de regulatieve cyclus
Probleemherkenning: context probleem, (beschermende) factoren, eerste beeld.
Voorlopige conclusies (kansuitspraak); hypothesen; start therapeutische alliantie;
taxatie ernst/veiligheid
Probleemdefiniëring: integratief beeld, gerichter onderzoek, hypothese toetsend,
verklaring problemen, interventiedoelen.
Kiezen van interventie: afhankelijk van leeftijd/ontwikkeling kind, dag/vervoer,
ondersteuning vanuit omgeving (dus samen met betrokkenen), kosten-baten
analyse, doelen behandeling. Gaat in overleg met cliënt. Adviesgesprek (De Bruyn).
Prioritering van doelen/middelen/keuze setting, intensiteit en motivatie.
Planning: behandelplan. Afspraken over coördinatie en communicatie, criteria voor
voortgang.
Uitvoering interventie: volgen van een protocol. Routine outcome monitoring:
meten effecten tijdens hulpverlening met standaardinstrumenten (soort tussentijdse
evaluatie). Procesdiagnostiek: er kunnen veranderingen plaatsvinden tijdens
uitvoering.
Eindevaluatie: effect meten, kijken of bijstelling nodig is. Tevredenheid,
teamreflectie (over gehele proces).
Orthopedagogische invalshoek:
Verschil kind-adolescent: afstemmen op cognitief & emotioneel ontwikkelingsniveau.
Voorbeeld: communicatie via spel i.p.v. een gesprek bij jongere kinderen.
Kind nog afhankelijk van anderen (je hebt als professional te maken met de
ouders/verzorgers van een kind; dus dat systeem moet ook mee veranderen):
Kind is afhankelijk van ouders systeem meenemen.
Therapeutische alliantie met ouders: gezamenlijk proces, communicatie nodig.