GOEDERENRECHT A
Werkgroepen 2026
,Inhoudsopgave
Werkgroep 1 – eigendom en burenrecht..............................................................................................................2
Werkgroep 2 – erfpacht en opstal.........................................................................................................................8
Werkgroep 3 – vruchtgebruik.............................................................................................................................14
Werkgroep 4 – erfdienstbaarheden, kwalitatieve verplichtingen, kettingbeding en kwalitatieve rechten...........4
Werkgroep 5 – gemeenschap................................................................................................................................9
Arresten w1 t/m w5............................................................................................................................................16
Werkgroep 1 – eigendom en burenrecht
Rechtspraak:
HR 8 december 2000, NJ 2001, 350 (Eelder Woningbouw/Van Kammen)
HR 15 november 2002, NJ 2003, 48 (Avo/Petri), inclusief conclusie A-G De Vries Lentsch-Kostense
HR 21 oktober 2005, NJ 2006/418 (Ludlage/Van Paradijs), inclusief conclusie P-G Hartkamp en noot
C.J.H. Brunner
HR 28 maart 2008, NJ 2008/353 (Taartpuntjes of Nelemans/Scheepswerf), inclusief noot F.M.J.
Verstijlen
HR 20 mei 2011, NJ 2011/241 (Stichting De Luwte of grensoverschrijdende treurwilg), inclusief
conclusie A-G Rank-Berenschot
Vraag 1
a) A heeft de aankoop van zijn woning gefinancierd door middel van een lening. Hij heeft
bedongen dat de vordering van de bank goederenrechtelijk onoverdraagbaar is. De bank eist
als zekerheid een hypotheekrecht op de woning. Beschrijf wat het hoofdrecht is, het
afhankelijke recht, het moederrecht en het dochterrecht.
Het hoofdrecht is de vordering, het afhankelijke recht is het recht van hypotheek. Dat is ook het dochterrecht en
moederrecht is het eigendomsrecht.
Hoofdrecht: de vordering van de bank op A (de lening).
Afhankelijk recht: het hypotheekrecht. Dit recht volgt de vordering (art. 3:7 BW) en vervalt zodra de lening
volledig is afgelost.
Moederrecht: het eigendomsrecht
Dochterrecht: het hypotheekrecht. Dit is een beperkt recht dat is afgeleid van het moederrecht (het eigendomsrecht
op de woning van A, of in bredere zin het recht van de bank op de vordering).
Zakelijke rechten kunnen worden verdeeld in moederrechten en dochterrechten. Een moederrecht is een meer
omvattend recht dat met een beperkt recht is bezwaard, zie art. 3:8 BW. Het moederrecht is de eigendom van de
woning, omdat het hypotheekrecht als beperkt recht daarop is gevestigd. Het dochterrecht is het hypotheekrecht
als beperkt recht. Afhankelijk is een recht volgens art. 3:7 BW wanneer dit zodanig aan een anders recht
verbonden is dat het niet zonder dat recht kan bestaan. Afhankelijke zakelijke rechten zijn erfdienstbaarheden,
afhankelijke opstalrechten en de rechten van pand en hypotheek voor zover deze (de eigendom van) een zaak zijn
gevestigd.
Het hoofdrecht is het zelfstandige recht waaruit het afhankelijke recht voortkomt, dus in dit geval de geldlening.
Het afhankelijke recht is het hypotheekrecht.
b) Kan de bank zijn hypotheekrecht bezwaren met een hypotheekrecht t.b.v. Z?
Dus met andere woorden; een hypotheekrecht op een hypotheekrecht. Dat is mogelijk. ˟
Eigendom , als het meest omvattende recht, kan met een beperkt recht worden bezwaard. Uit dit beperkte recht
kan in beginsel zelf een ander beperkt recht worden afgeleid. Men spreekt van stapeling van rechten. Zoals uit art
3:81 lid 1 BW volgt, is het alleen mogelijk een beperkt recht te vestigen op een ander beperkt recht indien dit
laatste recht zelfstandig en voor overdracht vatbaar is. De afhankelijke rechten van pand, hypotheek en
erfdienstbaarheid kunnen daarom niet met enig ander beperkt recht worden bezwaard.
c) Kan de bank de vordering op A wel bezwaren met een pandrecht t.b.v. Z?
ja dat kan
,een pandrecht kan worden gevestigd op niet-registergoederen. Uit art. 3:94 BW blijkt niet dat de vordering moet
worden ingeschreven in de openbare registers, dus het is geen registergoed. Aan wie een zelfstandig en
overdraagbaar recht toekomt, kan binnen de grenzen van dat recht de in de wet genoemde beperkte rechten
vestigen. De vordering is zelfstandig. De vordering is echter goederenrechtelijk onoverdraagbaar. Omdat de
vordering goederenrechtelijk onoverdraagbaar is gemaakt (art. 3:83 lid 2 BW), mist de bank de
beschikkingsbevoegdheid om de vordering over te dragen óf te bezwaren. Een vordering die niet overdraagbaar is,
kan namelijk ook niet worden verpand (art. 3:228 BW).
d) Was dat anders als de vordering verbintenisrechtelijk onoverdraagbaar was gemaakt?
Ja, dat is anders. Bij een louter verbintenisrechtelijk verbod (een afspraak tussen A en de bank) blijft de
vordering goederenrechtelijk overdraagbaar. De bank handelt dan weliswaar in strijd met de afspraak met A
(wanprestatie), maar de vestiging van het pandrecht ten behoeve van Z is in dat geval rechtsgeldig.
Vraag 2
A is sinds 2019 eigenaar van het huis en vestigt in 2020 een vruchtgebruik ten behoeve van B. In
2021 vestigt A nóg een vruchtgebruik, ditmaal ten behoeve van D. Tot slot vestigt B in 2022 een
ondervruchtgebruik ten behoeve van C op zijn vruchtgebruik.
In 2023 komen A, B, C en D allen aan bij het huis. Wie mag het huis gebruiken?
Hier zal een rangorde te pas komen. A heeft het recht van vruchtgebruik eerst gevestigd ten behoeve van B art.
3:201 BW. dus dan kan B in 2023 bij het huis komen.
In deze casus is het antwoord gebaseerd op het prioriteitsbeginsel en de aard van het vruchtgebruik. In 2023 mag C
het huis gebruiken.
De volgorde van vestiging bepaalt wie het sterkste recht heeft:
1. Prioriteitsbeginsel (art. 3:21 BW): A vestigt in 2020 als eerste een vruchtgebruik ten behoeve van B. Omdat
dit het oudste recht is, gaat het recht van B voor op alle later gevestigde rechten op de woning.
2. Tweede vruchtgebruik (D): Het in 2021 door A gevestigde vruchtgebruik voor D is weliswaar geldig, maar
het is "ondergeschikt" aan het recht van B. D krijgt pas feitelijk het genot van de woning als het vruchtgebruik
van B eindigt.
3. Ondervruchtgebruik (C): In 2022 vestigt B een ondervruchtgebruik ten behoeve van C op zijn (eigen)
vruchtgebruik. Aangezien B het eerste recht op het genot van de woning had, draagt hij dit genotsrecht nu
over aan C.
4. Status in 2023:
1. A is de bloot-eigenaar en heeft geen recht op gebruik (art. 3:201 BW).
2. B heeft zijn genotsrecht "vervreemd" aan C door het ondervruchtgebruik.
3. D moet wachten tot het recht van B (en daarmee dat van C) eindigt.
4. C oefent op dit moment het oudste genotsrecht uit dat op de woning rust
Over de figuur van ‘ondervruchtgebruik’ bestaat weinig literatuur. Aangenomen moet worden dat de
ondervruchtgebruiker de rechten en plichten heeft van de primaire vruchtgebruiker. De figuur lijkt dan op
overdracht van vruchtgebruik (art. 3:223 BW) met dit verschil dat het ondervruchtgebruik niet alleen eindigt bij
de dood van de vruchtgebruiker, maar ook bij de dood van de ondervruchtgebruiker. Bij overdracht van
vruchtgebruik eindigt het vruchtgebruik bij de dood van de overdrager (de vruchtgebruiker ten behoeve van wie
het vruchtgebruik is ingesteld), maar niet bij de dood van de verkrijger.
Wanneer aan de vruchtgebruiker op grond van art. 3:212 lid 2 BW de bevoegdheid is toegekend om de aan
vruchtgebruik onderworpen goederen te bezwaren (waarover [41] hieronder), is ook de figuur denkbaar waarin
de onderliggende goederen rechtstreeks worden bezwaard met een recht van vruchtgebruik. Dit
ondervruchtgebruik eindigt bij de dood van de ondervruchtgebruiker, maar niet bij de dood van de primaire
vruchtgebruiker. Zie hierover ook P.C. van Es, ‘Het bezwaren van vruchtgebruik goederen: niet zonder
bezwaren’, WPNR 2020/7274, p. 196.
Naast de hierboven geschetste figuren van ondervruchtgebruik, kan men zich ook een figuur voorstellen waarbij
de ondervruchtgebruiker recht heeft op het gebruik van de vruchten die voortkomen uit het primaire vruchtgebruik
en hem de vruchten van deze vruchten toekomen.
Vraag 3
a) A heeft een stuk grond met een huis in eigendom. Hij vestigt er in 2010 een erfpachtrecht op ten
behoeve van X. X vestigt vervolgens in 2011 een ondererfpachtrecht ten behoeve van A. Is dat
, mogelijk?
Ja want een erfpachter mag een ondererfpacht vestigen op grond van art. 5:93 BW
Bij ondererfpacht wordt het recht gevestigd op de zaak en niet op het erfpachtrecht. Art. 5:93 BW maakt de
erfpachter hiertoe bevoegd voor zover in de akte van vestiging niet anders is bepaald.
Een beperkt recht kan niet worden gevestigd t.b.v. zijn eigendom vermenging teniet.
A heeft nu een ondererfpacht op zijn eigen huis. Het ondererfpacht biedt hem gebruik op zijn eigen huis, dus
hij heeft er belang bij. Zonder de ondererfpacht zou x erfpachtrecht gebruik hebben op de eigendom van A. het
is dus mogelijk dat x een ondererfpacht vestigt ten behoeve van A.
Er treedt geen vermenging op want er is een belang voor A.
b) A bezwaart zijn ondererfpachtrecht in 2014 met een recht van vruchtgebruik ten behoeve
van D. Vervolgens doet A afstand van zijn ondererfpachtrecht. Heeft dat gevolgen voor D?
Dan gaat het vruchtgebruik teniet, want het recht waarop het vruchtgebruik rust is komen te vervallen.
Beperkte rechten gaan onder andere teniet door afstand, art. 3:81 lid 2 sub c BW.
Het recht van vruchtgebruik die in 2014 door A is gevestigd, rust op de ondererfpachtrecht. Omdat A
afstand doet van zijn ondererfpachtrecht, gaat zowel het ondererfpachtrecht als het vruchtgebruik in
beginsel teniet (art. 3:81 lid 2 sub a BW).
Afstand en vermenging werken niet ten nadele van hen die op het tenietgaande beperkte recht op hun
beurt een beperkt recht hebben (3:81 lid 3) de vruchtgebruiker.
c) X draagt in 2016 een deel van zijn erfpachtrecht (dat ziet op de westkant van de grond) over aan Y.
Wat gebeurt er met het vruchtgebruik van D en het eigendomsrecht van A?
De rechtstoestand verandert. De ene helft van de grond is bezwaard met het erfpachtrecht van X en de andere helft
van de grond is bezwaard met het erfpachtrecht van y. Het eigendomsrecht van A splitst automatisch en er
ontstaan 2 eigendomsrechten. Het vruchtgebruik van D is afgeleid van het ondererfpacht van A, maar het
vruchtgebruik blijft dus bestaan. Er kan geen ondererfpacht rusten op 2 eigendomsrechten dus het
ondererfpachtrecht splitst ook derhalve. Het vruchtgebruik is daaruit afgeleid.
Of: Het eigendomsrecht van A splitst niet; A blijft eigenaar van één perceel, maar de lasten daarop veranderen
doordat er nu twee erfpachters (X en Y) zijn voor verschillende delen van de grond. Het ondererfpachtrecht van A
is door de afstand in 2014 reeds tenietgegaan, waardoor dit recht niet kan splitsen. Het vruchtgebruik van D blijft
echter bestaan op basis van de wettelijke bescherming van beperkt gerechtigden (art. 3:81 lid 2 BW): de afstand
door A mag het recht van D niet schaden, waardoor het vruchtgebruik nu als het ware de bovenliggende
erfpachtrechten van X en Y bezwaart.
Omdat de rechtstoestand wijzigt zie je dat het splitst in 2 want je hebt een erfpachtrecht van x en y vervolgens
moet je constateren dat je niet een helft van de erfpachtrecht hebt. Dat leidt ertoe dat het door splitst naar A. Als A
z’n recht splitst ; dat vestig je op 1 goed. , als a . Je hebt dus steeds 1 ondererfpacht recht. Vruchtgebruik splitst
dan ook op/ 1 vruchtgebruik zou dan rusten op 2 verschillende erfpachtrechten. Uniciteitsbeginsel. We vinden het
fijn als er 1 beperkt recht per goed is. daar zijn uitzonderingen op.
Art. 5:85 lid 1 BW gebruiksrecht erfpachtrecht.
d) Y heeft de verkrijging van zijn erfpachtrecht gefinancierd met een lening bij bank Z. Ter zekerheid
heeft hij t.b.v. bank Z een hypotheekrecht gevestigd op zijn erfpachtrecht. Y komt in 2020 overeen
met A dat het erfpacht inhoudelijk wordt gewijzigd. Y mag niet meer de bovenste verdieping van het
huis gebruiken. Hoe moet het erfpachtrecht worden gewijzigd?
Inhoudelijke wijziging: Een wijziging van de inhoud van een erfpachtrecht (zoals het beperken van het
gebruik van een verdieping) wordt goederenrechtelijk geconstrueerd als een combinatie van gedeeltelijke
afstand van het oude recht en een aanvullende vestiging van de nieuwe voorwaarden.
Schakel- en vestigingsbepalingen: Voor deze rechtshandelingen is inderdaad de vestigingsprocedure
van art. 3:98 BW (de schakelbepaling) in verbinding met art. 3:89 BW van toepassing. Dit betekent dat er
een notariële akte tussen A en Y moet worden opgemaakt, gevolgd door inschrijving in de openbare registers
van het Kadaster.