Samenvatting Jurist in Control 1
Europees recht/ beginselen en instellingen
week 1
De Europese Unie: een orgaan die boven de lidstaten staat (een supranationaal
karakter).
Kenmerken van de Europese Unie:
- Drijft op staatssoevereiniteit overdragen: op beslissingen te nemen
voor eigen land. Je draagt een stukje van je soevereiniteit overdraagt aan
de Europese Unie, enkel Europa is bevoegd.
Het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) > detailniveau voor
wetgeving.
Het Verdrag betreffende werking van de Europese Unie (VWEU)
- Supranationaal karakter: een instelling die boven de individuele
lidstaten staat.
Alle lidstaten staan beslissingsbevoegdheid af aan de organisatie. Zij
accepteren dat dat de organisatie regels vaststelt waar zij zich aan
moeten houden en niet zelfstandig de inhoud van deze regels
kunnen bepalen.
- Verdrag: hoe de lidstaten tegenover elkaar moeten handelen, de
instellingen, hoe de lidstaten tegenover de Europese Unie moet handelen.
Beginselen voor de Europese Unie:
1. Loyale samenwerking art. 4 lid 3 VEU: je moet je als loyaal aan de
Europese Unie en lidstaten gedragen. Je mag niet tegenwerken, je moet je
als onderdeel gedragen en meedoen.
2. Attributiebeginsel, art. 5 lid 2 VEU: Europese Unie is pas bevoegd als
dit staat in de grondslagen (artikelen in de verdragen) bijv. wetgeving over
klimaat.
3. Subsidiariteitsbeginsel, art. 5 lid 3 VEU: Als Europa bevoegd is, maar
het is toch handiger dat lidstaten het zelf doen dan kunnen zij dit zelf
doen. Dan blijft de bevoegdheid bij de lidstaten en Europa geeft de
opdracht tot uitvoering.
4. Evenredigheidsbeginsel, art. 5 lid 4 VEU: als een lidstaat of Europa
wetgeving maakt, moeten zij kiezen voor het minst ingrijpende middel.
5. Gelijkheidsbeginsel, art. 18 VWEU: als lidstaat mag je niet
discrimineren ten opzichte van andere inwoners van een andere lidstaat. Je
moet de inwoners van een andere lidstaat behandelen als eigen inwoner.
Doelstellingen van de Europese Unie, art. 3 VEU:
1. Vrede en welzijn (economische integratie): door economische
afhankelijkheid van elkaar kunnen conflicten beter opgelost worden. De
afhankelijkheid stimuleert landen om niet te grijpen naar militaire middelen
om onderlinge conflicten op te lossen.
2. Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht: burgers van de EU mogen in alle
lidstaten verblijven om bijv. Te werken/ te studeren. Daarnaast zorgen ze
ervoor dat criminaliteit en illegale migratie worden bestreden door bijv.
samenwerking in strafzaken en grensbewaking.
3. Interne markt: de interne markt maakt mogelijk dat er meer gehandeld
worden tussen bedrijven en iedereen overal in de EU werken. De bedoeling is
dat nationale markten geïntegreerd worden tot 1 gemeenschappelijke markt.
, 4. Economische en Monetaire Unie (EMU): valt uiteen in 2 pijlers; het
monetaire beleid (bijv. de gemeenschappelijke munt de euro) en het
economische beleid (bijv. de lidstaten moeten hun economisch beleid zo
inrichten dat het ziet op gezamenlijke doelstellingen en stabiliteit binnen de
eurozone).
5. Beschermen van mensen rechten, art. 2 VEU: vormt de grondslag voor
het Hof van Justitie om te oordelen over schending van mensenrechten. De EU
is niet alleen gericht op het verdedigen van handelsbelangen maar zet zich
ook in voor ontwikkelingshulp buiten de EU.
Europese interne markt: Bestaat met name uit 3 onderdelen.
1. Regels op het gebied van het vrije verkeer: diensten en goederen
moeten gemakkelijk over de landsgrenzen heen kunnen. Zonder dat daar
belemmeringen voor zijn.
Keck en Mithouard-arrest: er sprake van strijdigheid met het vrije
verkeer van goederen als lidstaten de handel binnen de EU al dan
niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel belemmeren. Het
verbieden van wederverkoop met verlies valt hier niet onder, een
nationale regeling is zowel op nationale als buitenlandse producten
van toepassing en levert geen belemmering op het vrij verkeer op.
2. Verbod op staatssteun: nationale overheden mogen niet hun bedrijven
voortrekken ten aanzien van buitenlandse bedrijven. Bijv. met verstrekken
van subsidies aan eigen nationale bedrijven. > in strijd met het
gelijkheidsbeginsel.
3. Mededingingsregels: zorgt ervoor dat grote Europese bedrijven geen
prijsafspraken maken, zodat de consument niet wordt benadeeld. Je wilt
dat ze met elkaar concurreren. Niet voor overheden maar bedrijven.
EU-wetgeving, art. 288 VEU:
- Verdragen (VEU en VWEU): Grondslagen vallen vaak te vinden in het
VWEU, als het maar gaat om een bepaling waaraan rechten aan ontleent
kunnen worden.
- Verordeningen: Zijn direct toepasbaar, als er een bepaling wordt
ontwikkeld werkt deze direct in alle 27 lidstaten. En wordt niet op nationaal
niveau ingezet.
- Richtlijnen: Zijn voor lidstaten geschreven, geven actie en regelen. De
lidstaat moet dit in nationaal recht omzetten. Het krijgt pas werking als het
in nationale wetgeving is opgenomen. Zoals bijv. consumentenrecht.
- Adviezen (niet bindend): Vallen vaak geen rechten aan te ontlenen.
Instellingen van de Europese Unie:
De Europese Raad: de hoogste instelling binnen de EU.
Staatshoofden en de regeringsleden van de lidstaten, samen met
voorzitter van de Europese Commissie en een Hoge vertegenwoordiger uit
de Europese Commissie.
Sluit verdragen en kan veranderingen aanbrengen in verdragen, art. 15
VEU, zij komen niet vaak bij elkaar vaak bij crisis.
Unaniem met elkaar eens zijn over wijzingen in verdragen.
Stellen beleidslijnen vast. Ze houden zich bezig met hoofdlijnen en het
maken van afspraken bij bijv. de strategie.
Europees Parlement, art. 14 VEU: samengesteld uit fracties bestaande uit
Europarlementariërs.
Europees recht/ beginselen en instellingen
week 1
De Europese Unie: een orgaan die boven de lidstaten staat (een supranationaal
karakter).
Kenmerken van de Europese Unie:
- Drijft op staatssoevereiniteit overdragen: op beslissingen te nemen
voor eigen land. Je draagt een stukje van je soevereiniteit overdraagt aan
de Europese Unie, enkel Europa is bevoegd.
Het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) > detailniveau voor
wetgeving.
Het Verdrag betreffende werking van de Europese Unie (VWEU)
- Supranationaal karakter: een instelling die boven de individuele
lidstaten staat.
Alle lidstaten staan beslissingsbevoegdheid af aan de organisatie. Zij
accepteren dat dat de organisatie regels vaststelt waar zij zich aan
moeten houden en niet zelfstandig de inhoud van deze regels
kunnen bepalen.
- Verdrag: hoe de lidstaten tegenover elkaar moeten handelen, de
instellingen, hoe de lidstaten tegenover de Europese Unie moet handelen.
Beginselen voor de Europese Unie:
1. Loyale samenwerking art. 4 lid 3 VEU: je moet je als loyaal aan de
Europese Unie en lidstaten gedragen. Je mag niet tegenwerken, je moet je
als onderdeel gedragen en meedoen.
2. Attributiebeginsel, art. 5 lid 2 VEU: Europese Unie is pas bevoegd als
dit staat in de grondslagen (artikelen in de verdragen) bijv. wetgeving over
klimaat.
3. Subsidiariteitsbeginsel, art. 5 lid 3 VEU: Als Europa bevoegd is, maar
het is toch handiger dat lidstaten het zelf doen dan kunnen zij dit zelf
doen. Dan blijft de bevoegdheid bij de lidstaten en Europa geeft de
opdracht tot uitvoering.
4. Evenredigheidsbeginsel, art. 5 lid 4 VEU: als een lidstaat of Europa
wetgeving maakt, moeten zij kiezen voor het minst ingrijpende middel.
5. Gelijkheidsbeginsel, art. 18 VWEU: als lidstaat mag je niet
discrimineren ten opzichte van andere inwoners van een andere lidstaat. Je
moet de inwoners van een andere lidstaat behandelen als eigen inwoner.
Doelstellingen van de Europese Unie, art. 3 VEU:
1. Vrede en welzijn (economische integratie): door economische
afhankelijkheid van elkaar kunnen conflicten beter opgelost worden. De
afhankelijkheid stimuleert landen om niet te grijpen naar militaire middelen
om onderlinge conflicten op te lossen.
2. Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht: burgers van de EU mogen in alle
lidstaten verblijven om bijv. Te werken/ te studeren. Daarnaast zorgen ze
ervoor dat criminaliteit en illegale migratie worden bestreden door bijv.
samenwerking in strafzaken en grensbewaking.
3. Interne markt: de interne markt maakt mogelijk dat er meer gehandeld
worden tussen bedrijven en iedereen overal in de EU werken. De bedoeling is
dat nationale markten geïntegreerd worden tot 1 gemeenschappelijke markt.
, 4. Economische en Monetaire Unie (EMU): valt uiteen in 2 pijlers; het
monetaire beleid (bijv. de gemeenschappelijke munt de euro) en het
economische beleid (bijv. de lidstaten moeten hun economisch beleid zo
inrichten dat het ziet op gezamenlijke doelstellingen en stabiliteit binnen de
eurozone).
5. Beschermen van mensen rechten, art. 2 VEU: vormt de grondslag voor
het Hof van Justitie om te oordelen over schending van mensenrechten. De EU
is niet alleen gericht op het verdedigen van handelsbelangen maar zet zich
ook in voor ontwikkelingshulp buiten de EU.
Europese interne markt: Bestaat met name uit 3 onderdelen.
1. Regels op het gebied van het vrije verkeer: diensten en goederen
moeten gemakkelijk over de landsgrenzen heen kunnen. Zonder dat daar
belemmeringen voor zijn.
Keck en Mithouard-arrest: er sprake van strijdigheid met het vrije
verkeer van goederen als lidstaten de handel binnen de EU al dan
niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel belemmeren. Het
verbieden van wederverkoop met verlies valt hier niet onder, een
nationale regeling is zowel op nationale als buitenlandse producten
van toepassing en levert geen belemmering op het vrij verkeer op.
2. Verbod op staatssteun: nationale overheden mogen niet hun bedrijven
voortrekken ten aanzien van buitenlandse bedrijven. Bijv. met verstrekken
van subsidies aan eigen nationale bedrijven. > in strijd met het
gelijkheidsbeginsel.
3. Mededingingsregels: zorgt ervoor dat grote Europese bedrijven geen
prijsafspraken maken, zodat de consument niet wordt benadeeld. Je wilt
dat ze met elkaar concurreren. Niet voor overheden maar bedrijven.
EU-wetgeving, art. 288 VEU:
- Verdragen (VEU en VWEU): Grondslagen vallen vaak te vinden in het
VWEU, als het maar gaat om een bepaling waaraan rechten aan ontleent
kunnen worden.
- Verordeningen: Zijn direct toepasbaar, als er een bepaling wordt
ontwikkeld werkt deze direct in alle 27 lidstaten. En wordt niet op nationaal
niveau ingezet.
- Richtlijnen: Zijn voor lidstaten geschreven, geven actie en regelen. De
lidstaat moet dit in nationaal recht omzetten. Het krijgt pas werking als het
in nationale wetgeving is opgenomen. Zoals bijv. consumentenrecht.
- Adviezen (niet bindend): Vallen vaak geen rechten aan te ontlenen.
Instellingen van de Europese Unie:
De Europese Raad: de hoogste instelling binnen de EU.
Staatshoofden en de regeringsleden van de lidstaten, samen met
voorzitter van de Europese Commissie en een Hoge vertegenwoordiger uit
de Europese Commissie.
Sluit verdragen en kan veranderingen aanbrengen in verdragen, art. 15
VEU, zij komen niet vaak bij elkaar vaak bij crisis.
Unaniem met elkaar eens zijn over wijzingen in verdragen.
Stellen beleidslijnen vast. Ze houden zich bezig met hoofdlijnen en het
maken van afspraken bij bijv. de strategie.
Europees Parlement, art. 14 VEU: samengesteld uit fracties bestaande uit
Europarlementariërs.