stuurvragen uitwerking LU1
kennistoets
1. Gezondheidspatroon van Gordon
Gezondheidsbeleving en -instandhouding: Hoe ervaart de
patiënt zijn gezondheid en welke gewoonten heeft hij rondom
ziekte, behandeling en preventie? Dit omvat ook medische
voorgeschiedenis en huidige gezondheidstoestand.
Voeding en stofwisseling: Inname van voedsel en vocht,
eetpatronen, huidconditie, gewicht, wondgenezing en gebruik
van voedingssupplementen.
Uitscheidingspatroon: Functie van darmen, blaas en huid,
inclusief regelmaat, problemen zoals incontinentie of obstipatie,
en gebruik van hulpmiddelen zoals katheters.
Activiteitenpatroon: Lichaamsbeweging, dagelijkse
activiteiten (ADL), ontspanning, recreatie en sport, inclusief
belemmeringen zoals pijn of spierkrampen.
Slaap- en rustpatroon: Kwaliteit en kwantiteit van slaap,
slaaphygiëne, vermoeidheid en rustbehoefte.
Cognitie en waarneming: Zintuiglijk functioneren, geheugen,
oriëntatie, leervermogen en probleemoplossend vermogen.
Zelfbelevingspatroon: Zelfbeeld, zelfvertrouwen,
copingstrategieën en emotionele gezondheid.
Rol- en relatiepatroon: Sociale rollen, familiebanden,
vriendschappen en sociale ondersteuning.
Seksualiteit- en voortplantingspatroon: Seksuele
gezondheid, voortplanting, intimiteit en eventuele problemen of
zorgen.
Coping- en stresspatroon: Manieren van omgaan met stress,
angst, verlies en andere psychologische uitdagingen.
Waarden- en levensovertuigingenpatroon: Culturele,
religieuze en ethische waarden die het gedrag en de keuzes van
de patiënt beïnvloeden.
, 2. PES opstellen
Probleem: Beschrijf het probleem dat de patiënt ervaart, zoals
pijn, vermoeidheid of hoofdpijn.
Etiologie: Identificeer de oorzaak van het probleem, variërend
van aangeboren aandoeningen tot verwondingen of leefstijl.
Signs and Symptomen: Gebruik de PES-structuur om
specifieke tekenen en symptomen te identificeren die
gerelateerd zijn aan het probleem, zoals roodheid van de huid of
koorts.
3. SMART doel stellen
Specifiek: Het doel moet duidelijk en specifiek zijn.
Meetbaar: Je moet kunnen meten of je het doel hebt bereikt.
Acceptabel: Het doel moet acceptabel zijn voor de
betrokkenen.
Realistisch: Het doel moet haalbaar zijn.
Tijdgebonden: Er moet een deadline aan het doel verbonden
zijn.
kennistoets
1. Gezondheidspatroon van Gordon
Gezondheidsbeleving en -instandhouding: Hoe ervaart de
patiënt zijn gezondheid en welke gewoonten heeft hij rondom
ziekte, behandeling en preventie? Dit omvat ook medische
voorgeschiedenis en huidige gezondheidstoestand.
Voeding en stofwisseling: Inname van voedsel en vocht,
eetpatronen, huidconditie, gewicht, wondgenezing en gebruik
van voedingssupplementen.
Uitscheidingspatroon: Functie van darmen, blaas en huid,
inclusief regelmaat, problemen zoals incontinentie of obstipatie,
en gebruik van hulpmiddelen zoals katheters.
Activiteitenpatroon: Lichaamsbeweging, dagelijkse
activiteiten (ADL), ontspanning, recreatie en sport, inclusief
belemmeringen zoals pijn of spierkrampen.
Slaap- en rustpatroon: Kwaliteit en kwantiteit van slaap,
slaaphygiëne, vermoeidheid en rustbehoefte.
Cognitie en waarneming: Zintuiglijk functioneren, geheugen,
oriëntatie, leervermogen en probleemoplossend vermogen.
Zelfbelevingspatroon: Zelfbeeld, zelfvertrouwen,
copingstrategieën en emotionele gezondheid.
Rol- en relatiepatroon: Sociale rollen, familiebanden,
vriendschappen en sociale ondersteuning.
Seksualiteit- en voortplantingspatroon: Seksuele
gezondheid, voortplanting, intimiteit en eventuele problemen of
zorgen.
Coping- en stresspatroon: Manieren van omgaan met stress,
angst, verlies en andere psychologische uitdagingen.
Waarden- en levensovertuigingenpatroon: Culturele,
religieuze en ethische waarden die het gedrag en de keuzes van
de patiënt beïnvloeden.
, 2. PES opstellen
Probleem: Beschrijf het probleem dat de patiënt ervaart, zoals
pijn, vermoeidheid of hoofdpijn.
Etiologie: Identificeer de oorzaak van het probleem, variërend
van aangeboren aandoeningen tot verwondingen of leefstijl.
Signs and Symptomen: Gebruik de PES-structuur om
specifieke tekenen en symptomen te identificeren die
gerelateerd zijn aan het probleem, zoals roodheid van de huid of
koorts.
3. SMART doel stellen
Specifiek: Het doel moet duidelijk en specifiek zijn.
Meetbaar: Je moet kunnen meten of je het doel hebt bereikt.
Acceptabel: Het doel moet acceptabel zijn voor de
betrokkenen.
Realistisch: Het doel moet haalbaar zijn.
Tijdgebonden: Er moet een deadline aan het doel verbonden
zijn.