HOOFDSTUK 1 INTRODUCTIE
We onderscheiden 3 niveaus:
1. Persoonlijk: hoe kijk je naar gedrag van jezelf en belangrijke anderen in je privéleven?
2. Werk: hoe kijk je naar gedrag als proffesional (naar je communicatie en samenwerking met
anderen? Naar je rol als hulpverlener, docent, marketeer, ..?)
3. Maatschappij: wat betekend een en ander voor je kijk op maatschappelijke kwesties? Denk aan
rechtspraak, onderwijs, de verzorgingsstaat, etc.
➢ Biologische psychologie
Uitgangspunten:
- De mens is ‘een beschreven blad’. Al bij de conceptie wordt de erfelijke bagage, het DNA van een
mens vastgelegd. Deze bepaalt of beïnvloed – daarover lopen de opvattingen binnen de stroming
uiteen – de gedragsmogelijkheden van de mens.
- Gedrag en gedachten, emoties en motieven hangen altijd samen met biologische processen in
het lichaam. Zo kan gedrag worden veroorzaakt door ene virus, een erfelijk gen, een celafwijking,
en een teveel of tekort aan hersen-en lichaamsstofjes zoals neurotransmitters en hormonen.
- De hersenen zijn het belangrijkste orgaan bij het sturen van gedrag, gedachten, emoties etc.
zonder hersenen is gedrag onmogelijk.
- Mensen zijn het product van een langdurige evolutionaire geschiedenis. Gedrag van mensen kan
begrijpelijk gemaakt worden door het te plaatsen binnen de evolutie.
➢ Evolutionaire psychologie
- De hersenen zijn, net als alle andere onderdelen van het lichaam, de uitkomst van een
evolutionair proces
- Daaruit volgt dat, al is iedereen uniek, ieders geest ook kenmerken heeft die terug te vinden zijn
bij alle andere mensen, deze worden d.m.v. natuurlijke selectie (Darwin theorie) doorgegeven van
generatie op generatie omdat ze helpen bij overleving dan wel voortplanting.
- Deze universele kenmerken van de menselijke geest, psychologische adaptaties
(=aanpassingen) genoemd, zorgen ervoor dat onze gedragsmogelijkheden (die in theorie oneindig
is) gereduceerd worden tot een beperkt aantal acties.
- Psychologische adaptaties zijn complex, bestaan uit verschillende onderdelen, zijn functioneel
gespecialiseerd en bovendien talrijk, snel, automatisch en onbewust.
, - Massive modularity hypothesis: the mind is a ‘’a collection of instincts adapted for solving
evolutionarily significant problems – the mind as a Swiss Army Knife’’
- Denk bijv. Aan snel en gepast reageren op bijvoorbeeld een slang of op een mogelijk ontrouwe
partner, of aan de gevoelens van zorg die worden opgewekt door baby’s en jonge dieren.
➔ Darwin theorie: er is competitie om de beperkte hoeveelheid hulpbronnen en er is variatie
tussen soortgenoten.
Natuurlijke selectie OF survival of the fittest: De dieren die het beste zijn aangepast aan hun natuurlijke
omgeving, zullen het gemakkelijkste voedsel kunnen vinden, zich beter kunnen verdedigen tegen
aanvallers, beter bestand zijn tegen parasieten en soepeler weten om te gaan met de eisen van het
klimaat en meer gezonde nakomelingen produceren dan minder goed aangepaste soortgenoten
Hoe onderscheid je adaptaties van eigenschappen die niet bijdragen aan overleving/voortplanting?
• Ze zijn complex van aard
• Bestaan uit verschillende onderdelen
• Werken automatisch
• Hebben een duidelijke functie
Seksuele selectie:
- dieren die niet goed zijn aangepast kunnen toch hierdoor overleven, bepaalde kenmerken, hoe
onhandig ook, doet het goed bij het andere geslacht en worden doorgegeven.
- Heeft meer invloed op het uiterlijk en gedrag van mannetjes dan op dat van vrouwtjes (dit
verschil= seksuele dimorfisme), het houdt verband met de hoeveelheid tijd en energie die M/V in
de nageslacht stoppen.
➔ Na Darwin
- Meer inzicht in erfelijkheid (genen, DNA)
- Ethologie: onderzoek naar de adaptieve waarde van diergedrag; wat is de directe oorzaak van het
gedrag? Hoe ontwikkeld gedrag zich? Wat is de functie van overleving? Wat is de evolutionaire
geschiedenis van gedrag?
- Konrad Lorenz onderzocht het mechanisme van imprinting (= genetisch geprogrammeerd, snel
leerproces binnen een kritische periode) bij ganzen.
- Bill Hamilton voegde inclusive fitness (= het directe + indirecte voortplantingssucces van een
individu) toe aan de theorie van Darwin. Het gaat niet alleen om het reproductieve succes van
een individu zelf maar ook om diens bijdrage aan de ontwikkeling van genetisch verwanten.
Vergelijkende psychologie: gedrag van mens en dier vergelijken
Typisch voor mensen:
- Cumulatieve cultuur: we nemen niet alleen dingen van elkaar over maar brengen ook
verbeteringen aan
- Shared intentionality: samen iets doen en bereiken
Cognitieve archeologie: op basis van vondsten (fossielen en artefacten) een beeld vormen van
voorouders.
,Kritiek op de evolutionaire psychologie:
- Star, alsof alles om aangeboren instincten draait
- Niet te toetsen, het zijn verklaringen achteraf
- Politieke agenda? Seksistisch?
Naturalistic fallacy: het idee dat men wat men in de praktijk aantreft, ook juist is
- Te veel nadruk op genen. Nog te weinig kennis van epi-genetica: het tot expressie komen van
genen in samenspel met de omgeving
➢ Ons brein
Grijze stof: informatie verwerking
Witte stof: informatieoverdracht
Hersencellen
- Neuronen: overdracht zintuigelijke, motorische en interneuronale informatie. Naar schatting 80
miljard.
- Gliacellen: ‘steuncellen’, structuur/stevigheid, aanvoer voedingsstoffen, opruimen afval, isolatie
axonen (myeline), wegwijzen, vorming bloed-hersenbarrière, bufferfunctie. Ongeveer evenveel.
Verbindingen
- Er zijn heel veel verbindingsmogelijkheden, soms heeft één cel er wel 150.000
- Onze neuronen en hun verbindingen bepalen ons gedrag, wie we zijn, we zullen zien dat deze
relatie achterhalen, niet eenvoudig is.
, HOOFDSTUK 2 WERKING EN OPBOUW VAN HET BREIN
Neurowetenschappen
- Neurowetenschappers bestuderen het zenuwstelsel van de mens
- Het zenuwstelsel verwerkt zintuigelijke informatie, maakt het lichaam klaar voor actie of rust, zet
emotionele en cognitieve processen in gang en stuurt de spieren aan.
- Kortom: het zenuwstelsel speelt een coördinerende rol bij al onze handelingen.
- De centrale verwerkingseenheid van ons zenuwstelsel is het brein
- Ons brein is big science geworden
- Belangrijk onderscheid: structuur en functie
- Structuur: anatomie, gebieden in de hersenen onderscheiden zich van elkaar op basis van bijv.
het soort neuronen dat zich er bevindt
- Functie: wat de verschillende gebieden doen
-
Neurale correlaten
- Neuraal: verwijst naar hersencellen en zenuwen
- Correlaat: naar onderling gerelateerd
- Het vinden naar neurale correlaten is niet eenvoudig
Problemen
- Het kan moeilijk zijn om ervaring/gedraging eenduidig te definiëren
- Een ervaring/gedraging ‘zit’ vaak niet op maar één plek
- Het is lang niet altijd bekend wat activiteit in een bepaald hersengebied betekend
- De hersenen zijn mogelijk niet bij iedereen hetzelfde ‘georganiseerd’
- Het kan moeilijk zijn om een ervaring/gedraging geïsoleerd te onderzoeken
- Er kunnen praktische problemen zijn die het onderzoek naar een ervaring/gedraging moeilijk
maken
Het zenuwstelsel
- Het zenuwstelsel bestaat uit het centrale en perifere zenuwstelsel
We onderscheiden 3 niveaus:
1. Persoonlijk: hoe kijk je naar gedrag van jezelf en belangrijke anderen in je privéleven?
2. Werk: hoe kijk je naar gedrag als proffesional (naar je communicatie en samenwerking met
anderen? Naar je rol als hulpverlener, docent, marketeer, ..?)
3. Maatschappij: wat betekend een en ander voor je kijk op maatschappelijke kwesties? Denk aan
rechtspraak, onderwijs, de verzorgingsstaat, etc.
➢ Biologische psychologie
Uitgangspunten:
- De mens is ‘een beschreven blad’. Al bij de conceptie wordt de erfelijke bagage, het DNA van een
mens vastgelegd. Deze bepaalt of beïnvloed – daarover lopen de opvattingen binnen de stroming
uiteen – de gedragsmogelijkheden van de mens.
- Gedrag en gedachten, emoties en motieven hangen altijd samen met biologische processen in
het lichaam. Zo kan gedrag worden veroorzaakt door ene virus, een erfelijk gen, een celafwijking,
en een teveel of tekort aan hersen-en lichaamsstofjes zoals neurotransmitters en hormonen.
- De hersenen zijn het belangrijkste orgaan bij het sturen van gedrag, gedachten, emoties etc.
zonder hersenen is gedrag onmogelijk.
- Mensen zijn het product van een langdurige evolutionaire geschiedenis. Gedrag van mensen kan
begrijpelijk gemaakt worden door het te plaatsen binnen de evolutie.
➢ Evolutionaire psychologie
- De hersenen zijn, net als alle andere onderdelen van het lichaam, de uitkomst van een
evolutionair proces
- Daaruit volgt dat, al is iedereen uniek, ieders geest ook kenmerken heeft die terug te vinden zijn
bij alle andere mensen, deze worden d.m.v. natuurlijke selectie (Darwin theorie) doorgegeven van
generatie op generatie omdat ze helpen bij overleving dan wel voortplanting.
- Deze universele kenmerken van de menselijke geest, psychologische adaptaties
(=aanpassingen) genoemd, zorgen ervoor dat onze gedragsmogelijkheden (die in theorie oneindig
is) gereduceerd worden tot een beperkt aantal acties.
- Psychologische adaptaties zijn complex, bestaan uit verschillende onderdelen, zijn functioneel
gespecialiseerd en bovendien talrijk, snel, automatisch en onbewust.
, - Massive modularity hypothesis: the mind is a ‘’a collection of instincts adapted for solving
evolutionarily significant problems – the mind as a Swiss Army Knife’’
- Denk bijv. Aan snel en gepast reageren op bijvoorbeeld een slang of op een mogelijk ontrouwe
partner, of aan de gevoelens van zorg die worden opgewekt door baby’s en jonge dieren.
➔ Darwin theorie: er is competitie om de beperkte hoeveelheid hulpbronnen en er is variatie
tussen soortgenoten.
Natuurlijke selectie OF survival of the fittest: De dieren die het beste zijn aangepast aan hun natuurlijke
omgeving, zullen het gemakkelijkste voedsel kunnen vinden, zich beter kunnen verdedigen tegen
aanvallers, beter bestand zijn tegen parasieten en soepeler weten om te gaan met de eisen van het
klimaat en meer gezonde nakomelingen produceren dan minder goed aangepaste soortgenoten
Hoe onderscheid je adaptaties van eigenschappen die niet bijdragen aan overleving/voortplanting?
• Ze zijn complex van aard
• Bestaan uit verschillende onderdelen
• Werken automatisch
• Hebben een duidelijke functie
Seksuele selectie:
- dieren die niet goed zijn aangepast kunnen toch hierdoor overleven, bepaalde kenmerken, hoe
onhandig ook, doet het goed bij het andere geslacht en worden doorgegeven.
- Heeft meer invloed op het uiterlijk en gedrag van mannetjes dan op dat van vrouwtjes (dit
verschil= seksuele dimorfisme), het houdt verband met de hoeveelheid tijd en energie die M/V in
de nageslacht stoppen.
➔ Na Darwin
- Meer inzicht in erfelijkheid (genen, DNA)
- Ethologie: onderzoek naar de adaptieve waarde van diergedrag; wat is de directe oorzaak van het
gedrag? Hoe ontwikkeld gedrag zich? Wat is de functie van overleving? Wat is de evolutionaire
geschiedenis van gedrag?
- Konrad Lorenz onderzocht het mechanisme van imprinting (= genetisch geprogrammeerd, snel
leerproces binnen een kritische periode) bij ganzen.
- Bill Hamilton voegde inclusive fitness (= het directe + indirecte voortplantingssucces van een
individu) toe aan de theorie van Darwin. Het gaat niet alleen om het reproductieve succes van
een individu zelf maar ook om diens bijdrage aan de ontwikkeling van genetisch verwanten.
Vergelijkende psychologie: gedrag van mens en dier vergelijken
Typisch voor mensen:
- Cumulatieve cultuur: we nemen niet alleen dingen van elkaar over maar brengen ook
verbeteringen aan
- Shared intentionality: samen iets doen en bereiken
Cognitieve archeologie: op basis van vondsten (fossielen en artefacten) een beeld vormen van
voorouders.
,Kritiek op de evolutionaire psychologie:
- Star, alsof alles om aangeboren instincten draait
- Niet te toetsen, het zijn verklaringen achteraf
- Politieke agenda? Seksistisch?
Naturalistic fallacy: het idee dat men wat men in de praktijk aantreft, ook juist is
- Te veel nadruk op genen. Nog te weinig kennis van epi-genetica: het tot expressie komen van
genen in samenspel met de omgeving
➢ Ons brein
Grijze stof: informatie verwerking
Witte stof: informatieoverdracht
Hersencellen
- Neuronen: overdracht zintuigelijke, motorische en interneuronale informatie. Naar schatting 80
miljard.
- Gliacellen: ‘steuncellen’, structuur/stevigheid, aanvoer voedingsstoffen, opruimen afval, isolatie
axonen (myeline), wegwijzen, vorming bloed-hersenbarrière, bufferfunctie. Ongeveer evenveel.
Verbindingen
- Er zijn heel veel verbindingsmogelijkheden, soms heeft één cel er wel 150.000
- Onze neuronen en hun verbindingen bepalen ons gedrag, wie we zijn, we zullen zien dat deze
relatie achterhalen, niet eenvoudig is.
, HOOFDSTUK 2 WERKING EN OPBOUW VAN HET BREIN
Neurowetenschappen
- Neurowetenschappers bestuderen het zenuwstelsel van de mens
- Het zenuwstelsel verwerkt zintuigelijke informatie, maakt het lichaam klaar voor actie of rust, zet
emotionele en cognitieve processen in gang en stuurt de spieren aan.
- Kortom: het zenuwstelsel speelt een coördinerende rol bij al onze handelingen.
- De centrale verwerkingseenheid van ons zenuwstelsel is het brein
- Ons brein is big science geworden
- Belangrijk onderscheid: structuur en functie
- Structuur: anatomie, gebieden in de hersenen onderscheiden zich van elkaar op basis van bijv.
het soort neuronen dat zich er bevindt
- Functie: wat de verschillende gebieden doen
-
Neurale correlaten
- Neuraal: verwijst naar hersencellen en zenuwen
- Correlaat: naar onderling gerelateerd
- Het vinden naar neurale correlaten is niet eenvoudig
Problemen
- Het kan moeilijk zijn om ervaring/gedraging eenduidig te definiëren
- Een ervaring/gedraging ‘zit’ vaak niet op maar één plek
- Het is lang niet altijd bekend wat activiteit in een bepaald hersengebied betekend
- De hersenen zijn mogelijk niet bij iedereen hetzelfde ‘georganiseerd’
- Het kan moeilijk zijn om een ervaring/gedraging geïsoleerd te onderzoeken
- Er kunnen praktische problemen zijn die het onderzoek naar een ervaring/gedraging moeilijk
maken
Het zenuwstelsel
- Het zenuwstelsel bestaat uit het centrale en perifere zenuwstelsel