Goed leren voor de toets:
Brillen H1 en H2: 4 brillen, per bril weten of het micro of macro is of
combinatie van. De namen weten: Karl Marx, Max Weber en Emile
Durkheim. En de kritiek op de bril.
Kosten en baten
Merton: deviantie
Manifeste en latente functie
Sociale mobiliteit
Cultuurelement H 3
Gesellschaft en gemeinschaft H1: Tonnies, Dorpen naar steden
Sociale Stratificatie: 4/5 definities kennen en kenmerken
Is Sociale stratificatie universeel: Komt het wereldwijd/ in elke
samenleving voor? Ja
Digitale kloof
Tegenhanger van stratificatie: meritocratie
Sociale positie is een weerspiegeling van de talenten en
capaciteit van de leden van de conservatieve samenleving: heeft
te maken met meritocratie. Het past bij het structureel
functionalisme van Durkheim want alle delen heeft een functie in de
maatschappij.
Burgashie (elite) en proletariaat (arbeiders): Conflictsociologie (karl
Marx)
Type samenleving: Jagers en verzamelaars, tuinbouw en veedrij en
industrie samenleving, geen stratificatie maar ongelijkheid.
Wetenschap valt buiten.
Cultuurrelativisme, etnocentrisme, eurocentrisme, multicultirisme
Tegencultuur, hoge cultuur, populaire cultuur
Patiënten - en artsenrol
Premodern, modern en Postmoderne samenleving: 1 van de laatste
hoofdstukken
Davis en moores these; ze zijn tegen karl Marx
Vrouwenbesnijdenis (ritueel): als een sociaal geconstrueerd ritueel,
waarbij de betekenis wordt toegekend binnen het vrouwelijk
lichaam. De symbolisch interactionisme zou zeggen het is een
ritueel, die gaat vrouwenbesnijdenis goed praten.
Ritueel
Egalitair
Labelingstheorie
Primaire en secundaire zelfbeeld
Sociaal disfunctie, functie
Burgee, Cultureelkaptiaal
Relatieve en absolute armoede
, Queer theorie, homofobie
Hirschi: bindingen
Bewegingen: revolutionaire bewegingen, hervormde sociale
bewegingen: alle 4 kennen.
Schoonheidsmythe
Homogamie
Stadia van lenski
,Hoofdstuk 1: het ontstaan van sociologie
De Duitse socioloog Ferdinand Tönnies (1855 - 1937) heeft in zijn
theorie over Gemeinschaft en Gesellschaft een waardevol
verslag van de modernisering vastgelegd. Hij zei dat de
modernisering ervoor zorgde dat Gemeinschaft van het
wereldtoneel verdween (kleine menselijke gemeenschap) en dat
de Gesellschaft daarvoor in de plaats kwam (een samenleving
waarin eigenbelang belangrijker werd en alles zakelijker
benaderd werd).
Tönnies theorie over Gemeinschaft en Gesellschaft is een van de
meest geciteerde modellen over modernisering. Toch zijn ook in een
moderne samenleving (Gesellschaft) langdurige, hechte
vriendschappen mogelijk. Daarnaast zijn sommige analisten van
mening dat Tönnies een voorkeur had voor een traditionele
samenleving (Gemeinschaft) waardoor hij over het hoofd zag dat
ook in een moderne samenleving (Gesellschaft) hechte
familiebanden en vriendschappen kunnen ontstaan.
De Franse socioloog Emile Durkheim (1858 - 1917) deelde Tönnies
belangstelling voor de belangrijke sociale veranderingen die de
industriële revolutie met zich meebracht.
Voor Durkheim werd de modernisering gekenmerkt door een
toenemende arbeidsverdeling: een gespecialiseerde
economische activiteit. Dat betekend dat in een moderne
samenleving veel meer mensen een meer verschillende
specialisatie hebben op het gebied van arbeid.
Volgens Durkheim worden pre-industriële samenlevingen bij elkaar
gehouden door mechanische solidariteit of gedeelde morele waarde.
(Leden van deze samenleving zien elkaar als gelijken en verrichten
hetzelfde werk / leven hetzelfde.)
Door modernisering gaat arbeidsverdeling steeds verder.
Mechanische solidariteit wordt hierdoor vervangen door
organische solidariteit: de wederzijdse afhankelijkheid van
gespecialiseerde arbeiders. Met andere woorden: een moderne
samenleving wordt niet door overeenkomsten, maar door
verschillen bijeengehouden. Maar het denken van Tönnies en
Durkheim kent ook verschillen. Zo dacht Tönnies dat een moderne
samenleving het einde betekende van sociale solidariteit omdat
mensen niet meer in een kleine hechte gemeenschap leven, maar in
een grote gemeenschap. Durkheim dacht dat de moderne
samenleving even natuurlijk was als alle andere maatschappijen. Hij
, zag de transitie niet als een teloorgang maar als een overgang van
gemeenschap naar gemeenschap. Durkheims beeld van moderniteit
is dus complexer en optimistischer dan Tönnies schetste.
Durkheims werk is ook erg belangrijk geweest voor de analyse van
de moderniteit. Ook al was hij optimistischer dan Tönnies, hij was
toch bang dat de samenleving zo divers zou worden dat we tot
anomie zouden overvallen: een gemoedstoestand van individuen in,
die gekenmerkt wordt door afwezigheid of afwijzen van standaarden
of waarden.
Voor de Duitse socioloog Max Weber (1864 - 1920) hield het begrip
moderniteit in dat een traditionele samenleving werd vervangen
door een meer rationeel denkende samenleving. In traditionele /
pre-industriële samenlevingen hebben tradities een remmend effect
op sociale veranderingen. Voor de moderne mens is de waarheid
het resultaat van rationele processen. De moderne mens hecht
waarde aan efficiëntie, heeft weinig ontzag voor het verleden en zal
sociale patronen overnemen die hem in staat stellen om zijn doel te
bereiken. Weber dacht dat de moderne samenleving
onttoverd is: het rationele denken heeft mensen aan het twijfelen
gebracht over vaststaande waarheden.
In vergelijking met Durkheim en Tönnies stond Weber kritisch
tegenover de moderne samenleving. Hij wist dat de wetenschap
technologische en organisatorische wonderen zou kunnen
voortbrengen, maar hij was bang dat de wetenschap de afstand tot
enkele fundamentele levensvragen zou vergroten. (zin / doel van
het bestaan).
In de ogen van de Duitse Karl Marx (1818 - 1863) staat een
moderne samenleving gelijk aan kapitalisme. Hij beschouwde de
industriële revolutie dan ook als een kapitalistische revolutie. Marx
was het eens met Durkheim, Tönnies en Weber, maar hij vond ook
dat deze drie visies ideaal waren voor een kapitalistische
samenleving. Daar was hij op tegen. Marx geloofde dat sociale
ongelijkheden uiteindelijk tot een revolutie zouden leiden en
uiteindelijk tot maatschappelijke gelijkheid (socialisme).
Marx theorie was complex over het kapitalisme, maar hij
onderschatte de invloed van de bureaucratie in de moderne
samenlevingen. Met name in de socialistische maatschappijen
waren de verstikkende bureaucratie
Hoofdstuk 2: Sociologische theorieën en methoden
Theorie: een stelsel van uitspraken die met elkaar samenhangen.
Brillen H1 en H2: 4 brillen, per bril weten of het micro of macro is of
combinatie van. De namen weten: Karl Marx, Max Weber en Emile
Durkheim. En de kritiek op de bril.
Kosten en baten
Merton: deviantie
Manifeste en latente functie
Sociale mobiliteit
Cultuurelement H 3
Gesellschaft en gemeinschaft H1: Tonnies, Dorpen naar steden
Sociale Stratificatie: 4/5 definities kennen en kenmerken
Is Sociale stratificatie universeel: Komt het wereldwijd/ in elke
samenleving voor? Ja
Digitale kloof
Tegenhanger van stratificatie: meritocratie
Sociale positie is een weerspiegeling van de talenten en
capaciteit van de leden van de conservatieve samenleving: heeft
te maken met meritocratie. Het past bij het structureel
functionalisme van Durkheim want alle delen heeft een functie in de
maatschappij.
Burgashie (elite) en proletariaat (arbeiders): Conflictsociologie (karl
Marx)
Type samenleving: Jagers en verzamelaars, tuinbouw en veedrij en
industrie samenleving, geen stratificatie maar ongelijkheid.
Wetenschap valt buiten.
Cultuurrelativisme, etnocentrisme, eurocentrisme, multicultirisme
Tegencultuur, hoge cultuur, populaire cultuur
Patiënten - en artsenrol
Premodern, modern en Postmoderne samenleving: 1 van de laatste
hoofdstukken
Davis en moores these; ze zijn tegen karl Marx
Vrouwenbesnijdenis (ritueel): als een sociaal geconstrueerd ritueel,
waarbij de betekenis wordt toegekend binnen het vrouwelijk
lichaam. De symbolisch interactionisme zou zeggen het is een
ritueel, die gaat vrouwenbesnijdenis goed praten.
Ritueel
Egalitair
Labelingstheorie
Primaire en secundaire zelfbeeld
Sociaal disfunctie, functie
Burgee, Cultureelkaptiaal
Relatieve en absolute armoede
, Queer theorie, homofobie
Hirschi: bindingen
Bewegingen: revolutionaire bewegingen, hervormde sociale
bewegingen: alle 4 kennen.
Schoonheidsmythe
Homogamie
Stadia van lenski
,Hoofdstuk 1: het ontstaan van sociologie
De Duitse socioloog Ferdinand Tönnies (1855 - 1937) heeft in zijn
theorie over Gemeinschaft en Gesellschaft een waardevol
verslag van de modernisering vastgelegd. Hij zei dat de
modernisering ervoor zorgde dat Gemeinschaft van het
wereldtoneel verdween (kleine menselijke gemeenschap) en dat
de Gesellschaft daarvoor in de plaats kwam (een samenleving
waarin eigenbelang belangrijker werd en alles zakelijker
benaderd werd).
Tönnies theorie over Gemeinschaft en Gesellschaft is een van de
meest geciteerde modellen over modernisering. Toch zijn ook in een
moderne samenleving (Gesellschaft) langdurige, hechte
vriendschappen mogelijk. Daarnaast zijn sommige analisten van
mening dat Tönnies een voorkeur had voor een traditionele
samenleving (Gemeinschaft) waardoor hij over het hoofd zag dat
ook in een moderne samenleving (Gesellschaft) hechte
familiebanden en vriendschappen kunnen ontstaan.
De Franse socioloog Emile Durkheim (1858 - 1917) deelde Tönnies
belangstelling voor de belangrijke sociale veranderingen die de
industriële revolutie met zich meebracht.
Voor Durkheim werd de modernisering gekenmerkt door een
toenemende arbeidsverdeling: een gespecialiseerde
economische activiteit. Dat betekend dat in een moderne
samenleving veel meer mensen een meer verschillende
specialisatie hebben op het gebied van arbeid.
Volgens Durkheim worden pre-industriële samenlevingen bij elkaar
gehouden door mechanische solidariteit of gedeelde morele waarde.
(Leden van deze samenleving zien elkaar als gelijken en verrichten
hetzelfde werk / leven hetzelfde.)
Door modernisering gaat arbeidsverdeling steeds verder.
Mechanische solidariteit wordt hierdoor vervangen door
organische solidariteit: de wederzijdse afhankelijkheid van
gespecialiseerde arbeiders. Met andere woorden: een moderne
samenleving wordt niet door overeenkomsten, maar door
verschillen bijeengehouden. Maar het denken van Tönnies en
Durkheim kent ook verschillen. Zo dacht Tönnies dat een moderne
samenleving het einde betekende van sociale solidariteit omdat
mensen niet meer in een kleine hechte gemeenschap leven, maar in
een grote gemeenschap. Durkheim dacht dat de moderne
samenleving even natuurlijk was als alle andere maatschappijen. Hij
, zag de transitie niet als een teloorgang maar als een overgang van
gemeenschap naar gemeenschap. Durkheims beeld van moderniteit
is dus complexer en optimistischer dan Tönnies schetste.
Durkheims werk is ook erg belangrijk geweest voor de analyse van
de moderniteit. Ook al was hij optimistischer dan Tönnies, hij was
toch bang dat de samenleving zo divers zou worden dat we tot
anomie zouden overvallen: een gemoedstoestand van individuen in,
die gekenmerkt wordt door afwezigheid of afwijzen van standaarden
of waarden.
Voor de Duitse socioloog Max Weber (1864 - 1920) hield het begrip
moderniteit in dat een traditionele samenleving werd vervangen
door een meer rationeel denkende samenleving. In traditionele /
pre-industriële samenlevingen hebben tradities een remmend effect
op sociale veranderingen. Voor de moderne mens is de waarheid
het resultaat van rationele processen. De moderne mens hecht
waarde aan efficiëntie, heeft weinig ontzag voor het verleden en zal
sociale patronen overnemen die hem in staat stellen om zijn doel te
bereiken. Weber dacht dat de moderne samenleving
onttoverd is: het rationele denken heeft mensen aan het twijfelen
gebracht over vaststaande waarheden.
In vergelijking met Durkheim en Tönnies stond Weber kritisch
tegenover de moderne samenleving. Hij wist dat de wetenschap
technologische en organisatorische wonderen zou kunnen
voortbrengen, maar hij was bang dat de wetenschap de afstand tot
enkele fundamentele levensvragen zou vergroten. (zin / doel van
het bestaan).
In de ogen van de Duitse Karl Marx (1818 - 1863) staat een
moderne samenleving gelijk aan kapitalisme. Hij beschouwde de
industriële revolutie dan ook als een kapitalistische revolutie. Marx
was het eens met Durkheim, Tönnies en Weber, maar hij vond ook
dat deze drie visies ideaal waren voor een kapitalistische
samenleving. Daar was hij op tegen. Marx geloofde dat sociale
ongelijkheden uiteindelijk tot een revolutie zouden leiden en
uiteindelijk tot maatschappelijke gelijkheid (socialisme).
Marx theorie was complex over het kapitalisme, maar hij
onderschatte de invloed van de bureaucratie in de moderne
samenlevingen. Met name in de socialistische maatschappijen
waren de verstikkende bureaucratie
Hoofdstuk 2: Sociologische theorieën en methoden
Theorie: een stelsel van uitspraken die met elkaar samenhangen.