Samenvatting voor tentamen
,Inhoudsopgave
C&V week 2 – Asher (middellijke vertegenwoordiging).....................................8
Systeem 2.1: Pand en hypotheek..................................................................14
Systeem 3.1: Kat in het nauw & Gazelle........................................................20
Systeem 3.2 – Tout failliet.............................................................................24
Systeem 4.2: Garanties voor de toekomst......................................................28
C&V week 5 – Envista’s octrooi......................................................................33
Systeem 5.1 – Eigendomsvoorbehoud en retentie..........................................37
Systeem 6.1 – Natrekking en bestanddelen....................................................49
Systeem 7.1 (schijnzekerheden)....................................................................53
Oefententamens..........................................................................................57
Oefententamen 2.......................................................................................................... 60
Oefententamen 3.......................................................................................................... 65
Oefententamen 4.......................................................................................................... 72
,C&V week 1 – Overdracht
Literatuur:
1. Brahn/Reehuis, Zwaartepunten van het vermogensrecht, hoofdstuk 7
(paragraaf 7.2) en hoofdstuk 9.
Taak: De zilveren ketting
In 1992 ontdekt Daphne op een antiekmarkt in Den Haag een schitterende
zilveren ketting. Zij kan deze voor een redelijk lage prijs kopen. Navraag bij
de verkoper leert Daphne weinig: de verkoper geeft aan de herkomst van
de ketting niet te kennen. Wel wijst hij Daphne op de zilvermerken die de
echtheid van het zilver garanderen en op het feit dat zij een buitenkansje
laat lopen. Hierop koopt Daphne de ketting.
Antwoord: goed is overdraagbaar volgens art. 3:83 BW. Vervolgens
kijken naar 3:84 BW, hoe kan dit goed over worden gedragen:
1. Levering
2. Geldige titel
3. Beschikkingsbevoegdheid -> hier gaat het mis in de casus, omdat
Aalbers geen rechtmatig eigenaar is.
Volgens art. 3:86 BW kan een persoon beschermd worden tegen de
beschikkingsbevoegdheid van een ander. Hiervoor is nodig:
1. Onbevoegdheid van de vervreemder;
2. Overdracht o.g.v. 3:90, 3:91 of 3:93 BW;
3. Roerende zaak, niet registergoed of een recht aan toonder of order;
4. Levering anders dan om niet;
5. Verkrijger is te goeder trouw (art. 3:11 jo. 3:118 BW).
*Eenieder die een roerende zaak verkrijgt van iemand die daartoe niet
bevoegd is, verkrijgt in beginsel dus geen eigendom. Echter kan iemand
toch eigendom verwerven indien aan de voorwaarden uit art. 3:86 BW is
voldaan.
Daphne is niet te goeder trouw (art. 3:11 BW). Zij had namelijk kunnen
weten dat de prijs niet kon kloppen. Zodoende heeft zij bezit gekregen
middels bezitsverschaffing, maar is zij geen eigenaar van de ketting
geworden. Aalbers blijft dus eigenaar.
Concluderend: Aalbers is eigenaar en Daphne is bezitter en houder.
In 1997 overlijdt Daphne onverwacht. De ketting komt terecht bij haar 7-
jarige dochter en enig erfgenaam Jolien. Inmiddels is gebleken dat de
ketting kort voor de aankoop door Daphne bij antiquair Aalbers is gestolen.
1
, Daphne is hiervan echter nooit op de hoogte gebracht en Jolien weet
uiteraard helemaal niets van de voorgeschiedenis van de ketting.
Antwoord: Jolien verkrijgt bezit middels erfopvolging (art. 3:80 lid 2 jo.
4:182 BW), maar wordt geen eigenaar (art. 3:116 BW, opvolging onder
algemene titel is met alle gebreken. Ondanks sterven van Daphne is Jolien
dus nog steeds te kwader trouw). Indien Daphne geen eigenaar was, kan
Jolien dus ook niet het eigendom erven.
Concluderend: eigenaar nog steeds Aalbers en Jolien is nu bezitter en
houder. Was Daphne wel te goeder trouw geweest, was de ketting
natuurlijk wel eigendom van Jolien geworden.
*LET OP: je kunt alleen op het moment van de overdracht te kwader
trouw zijn volgens art. 3:118 lid 2 BW. Verneem je dus later dan de
overdracht van de diefstal, kun je niet opeens toch te kwader trouw zijn!
Te goeder trouw wordt daarnaast vermoed aanwezig te zijn volgens lid 3.
Het te kwader trouw zijn, moet dus worden bewezen.
In 2014 heeft Jolien dringend geld nodig en verkoopt zij de ketting aan
haar vriendin Pauline. Zij spreken af dat meteen wordt geleverd door
middel van een levering constituto possessorio (cp-levering) en dat Jolien
de ketting nog een maand onder zich houdt. De vriendinnen zijn echter vrij
laks: Pauline neemt de ketting pas na een half jaar mee naar huis, als zij
toevallig bij Jolien op bezoek is.
Antwoord: Jolien is in 2012 eigenaar geworden o.g.v. art. 3:105 jo.
3:306 BW (extinctieve verjaring, te kwader trouw). De verjaringstermijn
van 20 jaar is namelijk verstreken. Dus kijken naar 3:84 BW voor
overdracht:
1. Titel;
2. Levering;
3. Beschikkingsbevoegdheid -> Nu wel voldaan, omdat Jolien eigenaar
is geworden door de verjaring.
Concluderend: Pauline is middellijk bezitter en Jolien onmiddellijk houder
geworden. Echter is Jolien tot de feitelijke overdracht nog eigenaar (art.
3:115 BW).
*LET OP: bezitter te goeder trouw, kan bezit van roerende zaken, niet
registergoederen of rechten aan toonder of order al verkrijgen na
onafgebroken bezit van drie jaren. Voor andere goederen moet dit
onafgebroken bezit 10 jaren hebben geduurd (art. 3:99 BW).
Er lijkt bijna een vloek op de ketting te rusten: in 2016 breekt Henri bij
Pauline in en neemt al haar sieraden mee, waaronder dus ook de ketting.
Een jaar na de inbraak doet Henri de ketting cadeau aan zijn nichtje
2