Het openbaar bestuur is het deel van de overheid dat zich bezighoudt met besturen. De openbare
besturen kennen een bepaalde organisatiestructuur dat op alle niveaus terugkeert.
Op rijksniveau vormt de regering het (dagelijks) bestuur. Een college van burgemeester en wethouders
bestuurt op gemeentelijk niveau. Het dagelijks bestuur van waterschap houdt zich onder meer bezig
met het onderhoud van dijken en het beheren van beken en rivieren.
Kenmerkend voor alle openbaar bestuur: de wet geeft regels voor de organisatie van het openbaar
bestuur, verschaft het bestuur bevoegdheden en stelt regels aan het besturen, maar de wet geeft niet tot
in detail aan wat het bestuur nu precies moet doen en hoe het in een concrete situatie moet handelen.
Het openbaar bestuur van Nederland mag geen eigenbelang behartigen, maar moet het algemeen
belang behartigen.
Het openbaar bestuur reguleert en stuurt met het oog op een bepaald algemeen belang onder meer
activiteiten van burgers. Daarnaast verricht het bestuur publieke taken.
De bestuursactiviteit is op provinciaal niveau minder zichtbaar omdat die overheid vooral
coördinerende functies vervult. Het dagelijks bestuur van de provincie is het college van gedeputeerde
staten. Dit college oefent toezicht uit op gemeenten.
Op centraal niveau voert de regering of de minister niet zelf de bestuursbevoegdheid uit, maar laat het
doen door een ander orgaan met specifieke bevoegdheden. De bestuursbevoegdheden van provincies
en gemeenten kunnen worden onderverdeeld in 2 soorten bevoegdheden:
1. Autonome bestuursbevoegdheden: art. 124 lid 1 GW: ‘voor provincies en gemeenten wordt de
bevoegdheid tot regeling en bestuur inzake hun huishouding aan hun besturen overgelaten.’
Regeling en bestuur inzake de eigen huishouding van provincie en gemeenten wordt dus aan
het provinciaal en gemeentelijk bestuur overgelaten. De autonome bevoegdheid houdt onder
meer in dat de provinciale staten en gemeenteraden verordeningen kunnen maken op het
terrein van hun huishouding. In deze gemeentelijke en provinciale verordeningen kunnen
zaken geregeld worden die specifiek van belang zijn voor de desbetreffende gemeente of
provincie.
2. Medebewind: art. 124 lid 2 GW: ‘regeling en bestuur kunnen van de besturen van provincies
en gemeenten worden gevorderd bij of krachtens de wet.’ Er is hier sprake van (verplichte)
medewerking door de decentrale overheidsbesturen aan de uitvoering van wetten in formele
zin die op rijksniveau door de wetgever zijn gemaakt. Medebewind betekent dat via een wet in
de formele zin medewerking aan de uitvoering van die wordt gevorderd van het provinciaal of
gemeentelijk bestuur. Dit betekent dat het gemeentelijk of provinciaal bestuur mee moet
werken aan de uitvoering van de bijzondere wet. Bij medebewind gaat het om samenwerken
tussen verschillende bestuurslagen.
Samenvattend kunnen decentrale overheidsbesturen bevoegdheden uitoefenen in het kader van ‘eigen
huishouding’. Deze bevoegdheden zijn gebaseerd op de Gemeente- en Provinciewet (organieke
wetten). Dit zijn autonome bevoegdheden. Daarnaast kunnen decentrale overheidsbesturen
medewerking verlenen aan de uitvoering van wetten in formele zin, dit is medebewind.
Lagere algemeen verbindende voorschriften zijn wetten in materiële zin. De vergunningsbevoegdheid
is een van de belangrijkste bevoegdheden van het bestuur. Een vergunning dient ertoe om ‘in concreto’
te bewerkstelligen. Dit betekent dat het bestuur voor ieder bouwwerk afzonderlijke voorschriften in de
vergunning kan opnemen. Door het stellen van vergunningsvoorschriften kan de vergunde activiteit
nauwkeurig worden gereguleerd. De voorschriften moeten betrekking hebben op het doel van de wet.
Bestuursorganen kunnen in bepaalde gevallen in de wet bevoegd zijn om een vrijstelling of ontheffing
te verlenen van (bepaalde) wettelijke voorschriften.
, Een bestuursorgaan heeft ook subsidiebevoegdheid. Op verzoek van een (rechts)persoon kunnen er
financiële middelen ter beschikking gesteld worden.
Een fundamentele regel in de democratische rechtsstaat is dat het bestuur in beginsel niet mag
handelen tenzij de wetgever dit heeft toegestaan. Dit in tegenstelling tot burgers die altijd rechtens
mogen handelen, tenzij dit onrechtmatig is (legaliteitsbeginsel).
In de bestuurswetgeving wordt de aan het bestuur toegekende bevoegdheid genormeerd. Hiermee
wordt bedoeld dat de wet de inhoudelijke en procedurele voorwaarden formuleert waaronder het
bestuur zijn bevoegdheden mag uitoefenen. In dit verband is het van belang dat de wetgever bepaalt
welke belangen mogen en moeten worden behartigd. Bestuursbevoegdheden dienen altijd een
specifiek doel (specialiteitsbeginsel).
Onder bestuursrecht kan worden verstaan: het recht dat de relaties tussen het bestuur en burgers
normeert. Er wordt onderscheid gemaakt tussen formeel- en materieel bestuursrecht.
Formeel bestuursrecht:
Het formeel recht kan worden verdeeld in het bestuursprocesrecht en het besluitvormingsrecht. Het
bestuursprocesrecht regelt de procedure bij de bestuursrechter. Verder regelt het de procedures van
bezwaar en administratief beroep. Ook maken de procedurele regels over het tot stand komen van
besluiten deel uit van dit recht.
Materieel bestuursrecht:
Dit recht regelt de inhoudelijke verhouding tussen burger en bestuur door de vaststelling van rechten
en/of plichten van burger en bestuur. Ook horen de wetten waarin bestuursbevoegdheden worden
toegekend en genormeerd hierbij.
Er wordt onderscheid gemaakt tussen algemeen en bijzonder bestuursrecht.
Bijzonder bestuursrecht:
Er bestaan veel bestuurswetten op basis waarvan bestuursorganen publieke belangen behartigen. Het
bijzonder bestuursrecht is verspreid over vele bijzondere bestuurswetten. Bijzondere delen zijn
bijvoorbeeld: economisch bestuursrecht, het sociale zekerheidsrecht, het belastingrecht, het ruimtelijk
bestuursrecht en het milieurecht.
Algemeen bestuursrecht:
Het algemeen bestuursrecht bestaat uit regels die voor alle delen van het bestuursrecht relevant zijn,
met name de procedurele handelingen.
De Awb heeft als doel om algemene leerstukken van bestuursrecht en bestuursrechtelijke rechtsnamen
die voor alle bijzondere delen van het bestuursrecht relevant zijn te codificeren. De Awb moet altijd in
samenhang met een bijzondere bestuurswet worden geraadpleegd. De Awb bepaalt alleen welke
procedurele regels gevolgd moeten worden.
In een democratische rechtsstaat behoort het bestuur overeenkomstig het geschreven en het
ongeschreven recht te handelen. De eis van wetmatigheid van bestuur houdt in dat
bestuurshandelingen op een wettelijke grondslag moeten steunen (legaliteitsbeginsel). Daarnaast
brengt deze eis mee dat het bestuur niet in strijd met de wet mag handelen.
Belastende bestuursbevoegdheden:
Dit zijn bestuursbevoegdheden die het bestuur eenzijdige verplichtingen kan opleggen aan burgers.
Deze verplichtingen zullen in het algemeen de handelingsvrijheid van de burger beïnvloeden en soms
ook fundamentele rechten.
besturen kennen een bepaalde organisatiestructuur dat op alle niveaus terugkeert.
Op rijksniveau vormt de regering het (dagelijks) bestuur. Een college van burgemeester en wethouders
bestuurt op gemeentelijk niveau. Het dagelijks bestuur van waterschap houdt zich onder meer bezig
met het onderhoud van dijken en het beheren van beken en rivieren.
Kenmerkend voor alle openbaar bestuur: de wet geeft regels voor de organisatie van het openbaar
bestuur, verschaft het bestuur bevoegdheden en stelt regels aan het besturen, maar de wet geeft niet tot
in detail aan wat het bestuur nu precies moet doen en hoe het in een concrete situatie moet handelen.
Het openbaar bestuur van Nederland mag geen eigenbelang behartigen, maar moet het algemeen
belang behartigen.
Het openbaar bestuur reguleert en stuurt met het oog op een bepaald algemeen belang onder meer
activiteiten van burgers. Daarnaast verricht het bestuur publieke taken.
De bestuursactiviteit is op provinciaal niveau minder zichtbaar omdat die overheid vooral
coördinerende functies vervult. Het dagelijks bestuur van de provincie is het college van gedeputeerde
staten. Dit college oefent toezicht uit op gemeenten.
Op centraal niveau voert de regering of de minister niet zelf de bestuursbevoegdheid uit, maar laat het
doen door een ander orgaan met specifieke bevoegdheden. De bestuursbevoegdheden van provincies
en gemeenten kunnen worden onderverdeeld in 2 soorten bevoegdheden:
1. Autonome bestuursbevoegdheden: art. 124 lid 1 GW: ‘voor provincies en gemeenten wordt de
bevoegdheid tot regeling en bestuur inzake hun huishouding aan hun besturen overgelaten.’
Regeling en bestuur inzake de eigen huishouding van provincie en gemeenten wordt dus aan
het provinciaal en gemeentelijk bestuur overgelaten. De autonome bevoegdheid houdt onder
meer in dat de provinciale staten en gemeenteraden verordeningen kunnen maken op het
terrein van hun huishouding. In deze gemeentelijke en provinciale verordeningen kunnen
zaken geregeld worden die specifiek van belang zijn voor de desbetreffende gemeente of
provincie.
2. Medebewind: art. 124 lid 2 GW: ‘regeling en bestuur kunnen van de besturen van provincies
en gemeenten worden gevorderd bij of krachtens de wet.’ Er is hier sprake van (verplichte)
medewerking door de decentrale overheidsbesturen aan de uitvoering van wetten in formele
zin die op rijksniveau door de wetgever zijn gemaakt. Medebewind betekent dat via een wet in
de formele zin medewerking aan de uitvoering van die wordt gevorderd van het provinciaal of
gemeentelijk bestuur. Dit betekent dat het gemeentelijk of provinciaal bestuur mee moet
werken aan de uitvoering van de bijzondere wet. Bij medebewind gaat het om samenwerken
tussen verschillende bestuurslagen.
Samenvattend kunnen decentrale overheidsbesturen bevoegdheden uitoefenen in het kader van ‘eigen
huishouding’. Deze bevoegdheden zijn gebaseerd op de Gemeente- en Provinciewet (organieke
wetten). Dit zijn autonome bevoegdheden. Daarnaast kunnen decentrale overheidsbesturen
medewerking verlenen aan de uitvoering van wetten in formele zin, dit is medebewind.
Lagere algemeen verbindende voorschriften zijn wetten in materiële zin. De vergunningsbevoegdheid
is een van de belangrijkste bevoegdheden van het bestuur. Een vergunning dient ertoe om ‘in concreto’
te bewerkstelligen. Dit betekent dat het bestuur voor ieder bouwwerk afzonderlijke voorschriften in de
vergunning kan opnemen. Door het stellen van vergunningsvoorschriften kan de vergunde activiteit
nauwkeurig worden gereguleerd. De voorschriften moeten betrekking hebben op het doel van de wet.
Bestuursorganen kunnen in bepaalde gevallen in de wet bevoegd zijn om een vrijstelling of ontheffing
te verlenen van (bepaalde) wettelijke voorschriften.
, Een bestuursorgaan heeft ook subsidiebevoegdheid. Op verzoek van een (rechts)persoon kunnen er
financiële middelen ter beschikking gesteld worden.
Een fundamentele regel in de democratische rechtsstaat is dat het bestuur in beginsel niet mag
handelen tenzij de wetgever dit heeft toegestaan. Dit in tegenstelling tot burgers die altijd rechtens
mogen handelen, tenzij dit onrechtmatig is (legaliteitsbeginsel).
In de bestuurswetgeving wordt de aan het bestuur toegekende bevoegdheid genormeerd. Hiermee
wordt bedoeld dat de wet de inhoudelijke en procedurele voorwaarden formuleert waaronder het
bestuur zijn bevoegdheden mag uitoefenen. In dit verband is het van belang dat de wetgever bepaalt
welke belangen mogen en moeten worden behartigd. Bestuursbevoegdheden dienen altijd een
specifiek doel (specialiteitsbeginsel).
Onder bestuursrecht kan worden verstaan: het recht dat de relaties tussen het bestuur en burgers
normeert. Er wordt onderscheid gemaakt tussen formeel- en materieel bestuursrecht.
Formeel bestuursrecht:
Het formeel recht kan worden verdeeld in het bestuursprocesrecht en het besluitvormingsrecht. Het
bestuursprocesrecht regelt de procedure bij de bestuursrechter. Verder regelt het de procedures van
bezwaar en administratief beroep. Ook maken de procedurele regels over het tot stand komen van
besluiten deel uit van dit recht.
Materieel bestuursrecht:
Dit recht regelt de inhoudelijke verhouding tussen burger en bestuur door de vaststelling van rechten
en/of plichten van burger en bestuur. Ook horen de wetten waarin bestuursbevoegdheden worden
toegekend en genormeerd hierbij.
Er wordt onderscheid gemaakt tussen algemeen en bijzonder bestuursrecht.
Bijzonder bestuursrecht:
Er bestaan veel bestuurswetten op basis waarvan bestuursorganen publieke belangen behartigen. Het
bijzonder bestuursrecht is verspreid over vele bijzondere bestuurswetten. Bijzondere delen zijn
bijvoorbeeld: economisch bestuursrecht, het sociale zekerheidsrecht, het belastingrecht, het ruimtelijk
bestuursrecht en het milieurecht.
Algemeen bestuursrecht:
Het algemeen bestuursrecht bestaat uit regels die voor alle delen van het bestuursrecht relevant zijn,
met name de procedurele handelingen.
De Awb heeft als doel om algemene leerstukken van bestuursrecht en bestuursrechtelijke rechtsnamen
die voor alle bijzondere delen van het bestuursrecht relevant zijn te codificeren. De Awb moet altijd in
samenhang met een bijzondere bestuurswet worden geraadpleegd. De Awb bepaalt alleen welke
procedurele regels gevolgd moeten worden.
In een democratische rechtsstaat behoort het bestuur overeenkomstig het geschreven en het
ongeschreven recht te handelen. De eis van wetmatigheid van bestuur houdt in dat
bestuurshandelingen op een wettelijke grondslag moeten steunen (legaliteitsbeginsel). Daarnaast
brengt deze eis mee dat het bestuur niet in strijd met de wet mag handelen.
Belastende bestuursbevoegdheden:
Dit zijn bestuursbevoegdheden die het bestuur eenzijdige verplichtingen kan opleggen aan burgers.
Deze verplichtingen zullen in het algemeen de handelingsvrijheid van de burger beïnvloeden en soms
ook fundamentele rechten.