Hoofdstuk 1
Eigenschappen van virussen
1. Infectieus
2. Obligate intracellulaire moleculaire parasieten
3. Niet via lichtmicroscoop bekijken
4. Genoom is DNA of RNA, kan gefragmenteerd zijn
5. CPE = Celdood meten
6. Virussen zijn niet gevoelig aan antibiotica
7. Virussen zijn kleiner dan bacteriën
Overzicht van Virale Infectieziekten (BELANGRIJK)
1. Luchtwegen en keel: Toont virussen die verantwoordelijk zijn voor verkoudheid, keelontsteking en
longontsteking, zoals het Rhinovirus, Influenzavirus en Coronavirus.
2. Centraal zenuwstelsel: Benoemt virussen die
hersenontsteking (zoals Rabiës) of myelitis
(Poliovirus) veroorzaken.
3. Interne organen: Geeft virussen weer die infecties
veroorzaken in de lever (Hepatitis), het hart
(Coxsackievirus B) en de alvleesklier.
4. Huid en ogen: Lijst virussen op die leiden tot
ooginfecties en diverse huidinfecties, waaronder
mazelen, waterpokken (Varicella-zoster) en het
pokkenvirus.
5. Spijsvertering en SOA's: Vermeldt virussen die buikgriep veroorzaken (zoals het Norovirus) en
seksueel overdraagbare infecties zoals HIV en het Humaan papillomavirus (HPV).
CPE van virussen = Virussen maken de cellen kapot
- Meten van de celdood = CPE
- Cellen klonteren, worden opgeblazen
1
,Virus is verpakt door Capsid
- In midden = Zit Nucleïnezuur (DNA of RNA)
Verpakking Structuur = Eicosaheder
Spikes = zijn contactplaatsen om contact te maken met het celoppervlak (receptoren)
Helicale Capside Structuur = Eiwit Bouwstenen (capsomeren) vormen een spiraal of helix
direct rondom het nucleïnezuur (DNA of RNA).
Complexe structuur = Verzamelnaam voor virussen die niet simpelweg als een staafje
(helix) of een bolletje (icosaëder) te classificeren zijn
- Voorbeeld: Bacteriofaag
Vijf Basis Types van Virale Symmetrie
Icosahedraal ● Structuur: Een geometrisch twintigvlak opgebouwd uit eiwitbouwstenen
(capsomeren).
● Inhoud: Het nucleoïd (nucleïnezuur) zit direct opgesloten in deze
kristalachtige structuur.
Icosahedraal ● Structuur: Het icosahedrale nucleocapside vormt de kern, maar
met Envelop daaromheen zit een extra laag: de lipid bilayer (vetlaag).
● Kenmerk: Deze envelop is vaak afkomstig van het celmembraan van de
gastheer die het virus heeft besmet.
Helicaal ● Structuur: Hierbij zijn de eiwitten in een spiraalvorm (helix) om het
nucleïnezuur gewonden.
● Vorm: Het ziet eruit als een holle staaf of een flexibele draad.
Helicaal met ● Structuur: De helixvormige streng ligt opgerold binnenin een membraan
Envelop (envelop).
2
, ● Details: Op de buitenkant zie je vaak glycoproteïne spikes (ook wel
peplomeren genoemd). Dit zijn de "sleutels" waarmee het virus zich
aan een gezonde cel vastklikt.
Complex ● Structuur: Deze virussen volgen geen simpele geometrische
symmetrie.
● Kenmerk: Ze hebben vaak extra structuren, zoals een ingewikkelde
wand of een specifieke "kop-staart" constructie (zoals bij de
bacteriofaag rechtsboven in je afbeelding).
● Functie: Deze vorm is vaak aangepast aan een zeer specifieke manier
van binnendringen in een gastheer.
Classificatie van virussen = Orde, Familie, Subfamilie, Genus, Species
Binnendringen in Gastheercel
→ Virus wordt opgenomen door de cel
Stap 1 = Versmelting ● Bij virussen met een envelop (zoals het icosahedrale virus
bovenaan in beeld) versmelt de vetlaag van het virus direct met
het plasmamembraan van de gastheercel.
3
, ● Het resultaat: De envelop blijft achter als onderdeel van het
celmembraan, en alleen het nucleocapside (de kern met het
DNA/RNA) komt vrij in het cytoplasma.
Stap 2 = Endocytose ● Dit is een proces waarbij de cel het virus als het ware "opeet".
● Vorming van een endosoom: Het celmembraan stulpt naar
binnen en omsluit het virus volledig, waardoor een blaasje
ontstaat dat een endosoom wordt genoemd.
● Vrijkomen: Eenmaal binnen in de cel moet het virus uit dit
blaasje ontsnappen om zijn genetisch materiaal af te kunnen
geven.
Stap 3 = Binding aan ● Voordat het virus kan binnendringen, moet het eerst "aanmeren".
Receptoren ● De eiwitten op de buitenkant van het virus binden aan specifieke
receptoren op het plasmamembraan van de gastheer. Dit werkt
als een sleutel op een slot en bepaalt welk type cel het virus kan
infecteren.
Penetratie en Ontmanteling (Uncoating)
1. De cel pakt het virus terug in in een
endosome
2. Transport naar Celkernmembraan
3. Virus komt vrij uit de endosoom (lysis)
4. Transcriptie proces start
4