Dit komt altijd in het tentamen:
Kunnen uitleggen wat een SDG’s inhouden (sustaineble development goals)
Kunnen uitleggen wat ‘tripleP’ is
Kunnen uitleggen wat de 3 kapitalen zijn
SDGs (sustainable development goals):
‐ Duurzame ontwikkelingsdoelstellingen
‐ In 2015 vastgesteld door de VN (verenigde naties) als de nieuwe mondiale duurzame
ontwikkelingsagenda voor 2030
‐ Van 2016 tot 2030 van kracht
‐ 17 doelstellingen, 169 onderliggende targets
‐ De lidstaten moeten zelf zorgen dat voor vertaling in nationaal beleid
‐ Gaan over mens, milieu en economie oftewel de triple P’s
Triple P’s:
‐ People, planet, profit
‐ Economisch kapitaal: dit zijn dingen zoals machines, gebouwen en wegen. Ze zijn nodig om
een samenleving goed te laten werken. Als de economie slechter gaat, is er vaak ook minder
aandacht en geld voor sociale zaken. Efficiënt werken helpt om duurzamer te zijn.
‐ Sociaal kapitaal: dit gaat over mensen: hun kennis, vaardigheden en hoe ze met elkaar
omgaan. Denk aan organisaties zoals bedrijven, scholen, sportclubs en kerken. Het heeft ook
te maken met hoe mensen zich voelen (mentaal welzijn).
‐ Ecologisch: dit gaat over mensen: hun kennis, vaardigheden en hoe ze met elkaar omgaan.
Denk aan organisaties zoals bedrijven, scholen, sportclubs en kerken. Het heeft ook te maken
met hoe mensen zich voelen (mentaal welzijn).
‐ Wanneer de combinatie niet in balans is, zullen de andere elementen hieronder lijden
‐ 3 pilaren onder de triple P’s
,Hoofdstuk 2 Politieke omgeving
Geopolitiek: is het overlappende vakgebied tussen de internationale betrekkingen en de politieke
geografie, die de relatie wil onderzoeken tussen de politiek handelende mens en zijn opgevende
territorialiteit.
‐ Geopolitiek gaat over hoe politiek en gebied met elkaar te maken hebben
‐ Onthouden: enerzijds politiek anderszijds territorium
‐ Voorbeeld gepolitiek: rusland en oekraïne of trump en groenland (je claimed land omdat je
denk dat je er geomatisch recht op hebt of het handig is)
Economisch orde:
‐ Als we op het tentamen een land gegeven krijgen moeten we aangeven waar deze zit (zie
tabel economische orde), de roze vakjes kennen.
‐ In elke economie moet men de problemen van informatie, motivatie en verdeling oplossen.
‐ De economische ordeningsprincipes zijn markt, de regulering van bovenaf en de
samenleving.
‐ Mensen kunnen niet alle behoeften bevredingen. Ze moeten dagelijks kiezen hoe ze hun
schaarste middelen inzetten om een zo hoog mogelijke welvaart te bereiken.
‐ Markteconomie: een economie waarin het markt- of prijsmechanisme dominant is. (in een
markteconomie is er een grote vrijheid van handel). Als iedereen uit zijn eigen belang handelt
dan dien je het belang van het collectief, Als jij doet waar jij goed in bent, dan hebben we met
zn allen voordeel.
‐ Gereguleerde economie: is een systeem waarin de overheid toezicht houdt op, of regels stelt
aan, marktactiviteiten om doelen te bereiken zoals betaalbaarheid, kwaliteit of eerlijke
concurrentie.
‐ Samenleving: bijdragen naar capacitijd en consumeren naar behoefte.
‐ Plan economie: een economie waar de overheid de productie voorschrijft. (meestal
inefficiënt)
, Politieke orde:
‐ We krijgen een casus en er wordt bijvoorbeeld gevraagd wat voor een systeem het is.
‐ Autoritair bestuur moet je kennen + de 3 waar die uit bestaat
‐ Menselijk handelen wordt geordend in de politieke orde.
‐ Autoritair bestuur: in een autoritair bestuurd land heeft de bevolking weinig of geen invloed.
De machtshebbers ontlenen hun macht niet aan verkiezingen, maar aan iets anders zoals
afkomst (absolute monarchie), religie (theocreatie) of ideologie (communisme, facisme).
Ontstaat meestal door geweld.
‐ Meritocratie: is een systeem waarin mensen macht of posities krijgen op basis van hun
verdiensten (zoals talent, kennis, vaardigheden en prestaties). De verdeling is afhankelijk van
wat mensen kunnen.
‐ Technocratie: is een bestuurssysteem waarin experts en specialisten (bijvoorbeeld
wetenschappers, economen of ingenieurs) de macht hebben. Beslissingen worden vooral
genomen op basis van kennis, data en efficiëntie.
‐ Absolute monarchie: is een regeringsvorm waarin één persoon (koning, koningin, keizer) alle
macht in handen heeft.
‐ Totalitair stelsel: beheerst het leven van de burgers totaal. Geen recht op privacy. De staat
bepaald wat mensen moeten doen, laten en denken. Persoonsverheerlijking van de leider.
‐ Communisme: streeft naar een klasseloze maatschappij waarin alle productiemiddelen
gemeenschappelijk bezit zijn.
‐ Fascisme: benadrukt leiderschapsprincipe en de totale controle van de staat over de
samenleving. Vaak gecentreerd rond een autoritaire leider.
‐ Theocratie: religie, de macht behoort toe aan een opperwezen of aan diens
vertegenwoordigers op aarde. De geschriften die aan het opperwezen worden toegeschreven
en de opvattingen van religieuze leiders bepalen de wet- en regelgeving van het land. Een
voorbeeld van een theocratie is Iran.