Hoorcollege (2) | Elektrische activiteit van het hart
1. Wat is de evenwichtspotentiaal van natrium?
a. +62 mV
b. +122 mV
c. -90 mV
2. Wat is de rustmembraanpotentiaal van een ventriculaire hartspiercel?
a. +162 mV
b. -85 mV
c. -95 mV
3. Tijdens de diastole is de permeabiliteit voor natrium groter dan die voor kalium.
a. Juist
b. Onjuist
4. Welk kanaal bestaat uit meerdere eiwitten?
a. Natrium
b. Kalium
c. Calcium
5. A-subunits modificeren de eigenschappen van het kaliumkanaal.
a. Juist
b. Onjuist
6. Welke stroom zorgt voor de diastolische depolarisatie in een nodale actiepotentiaal?
a. ICa
b. If
c. IK
d. INa
7. Waaruit bestaan gap junctions en welke zijn van belang in het hart?
8. Welke drie factoren zijn nodig voor het ontstaan van een ritmestoornis?
9. Hoe herken je re-entry aritmie in een ECG?
Circ I | week 5 | 1
, Re-entry aritmie | unidirectioneel block
10. Waarvan kunnen ritmestoornissen het gevolg zijn?
Zelfstudie voor werkgroep 9 (6+2) | Elektrische activiteit van het hart
11. Welke factoren spelen een belangrijke rol bij de waarde van de membraanpotentiaal?
Doorlaatbaarheid membraan voor ionen
Nernstpotentialen
Grootte van de cel
12. Bij een patiënt is door medicatie de extracellulaire kaliumconcentratie gestegen van 5mM
naar 7mM. Wat is hiervan het gevolg voor de opgaande flank van de actiepotentiaal in een
neuron?
a. Stijler
b. Slomer
c. Geen effect
13. Welk ion is de belangrijkste drager van funny current?
a. Ca-ion
b. K-ion
c. Na-ion
14. De contractiliteit van het hart wordt geregeld via modulatie van de calciumhandling in de
myocyt door fosforylering. Welke eiwitten staan hierbij onder invloed van fosforylering?
L-type calciumkanaal
Na/Ca-wisselaar (NCX)
Na/K-ATPase
Ryanodine receptor
SERCA
Circ I | week 5 | 2