SEKSE, ERNST VAN ANGSTSYPTOMEN, ACTUELE STRESSOREN EN PSYCHOLOGISCHE KWETSBAARHEID
Sekseverschillen in Ernst van Angstsymptomen bij Volwassenen met een Angststoornis
en de Rol van Negatieve Levensgebeurtenissen, Jeugdtrauma en Locus of Control
Daphne van der Zande
Studentnummer: U1272935
Begeleid door: Willie Langeland
Tweede beoordelaar: Madelon Hendricx
Masterthesis Klinische Psychologie, Tilburg University
Juni 2020
Aantal woorden: 9032
,SEKSE, ERNST VAN ANGSTSYPTOMEN, ACTUELE STRESSOREN EN PSYCHOLOGISCHE KWETSBAARHEID
Samenvatting
Inleiding: Dit onderzoek bestudeerde sekseverschillen in ernst van angstsymptomen bij
mensen die gediagnosticeerd zijn met een DSM-IV angststoornis. Hierbij werd gekeken naar
verschillende factoren en de associaties van deze factoren met de ernst van de
angstsymptomen. Verwacht werd dat vrouwen ernstigere angstsymptomen rapporteren en dat
de factoren - ingedeeld in stressoren (negatieve levensgebeurtenissen en jeugdtrauma) en
psychologische kwetsbaarheid (locus of control [LOC]) – de relatie tussen sekse en ernst van
de angstsymptomen zouden mediëren. Voorgaand onderzoek richtte zich vooral op
sekseverschillen in het ontstaan en de prevalentie van angststoornissen. Sekse kan echter ook
van invloed zijn op de manifestatie van angststoornissen. Vrouwen hebben vaker een
angststoornis dan mannen en vrouwen rapporteren doorgaans ook ernstigere symptomen.
Methode: Er zijn 1085 respondenten (31% vrouwen) meegenomen in de analyses. De data
zijn geanalyseerd met behulp van een t-test en een mediatieanalyse uitgevoerd in twee
stappen; individuele en parallelle mediatieanalyses met de PROCESS-macro. Resultaten: Er
zijn geen sekseverschillen in ernst van de angstsymptomen gevonden (p = .494), de relatie
tussen sekse en ernst van angstsymptomen werd niet gemedieerd door negatieve
levensgebeurtenissen en/of LOC, wel door jeugdtrauma. Verder was een meer externe LOC
geassocieerd met ernstigere angstsymptomen (p = .000). Discussie: De verwachtingen
werden deels bevestigd. De relatie tussen sekse en ernst van de angstsymptomen werd
gemedieerd door jeugdtrauma. Longitudinaal vervolgonderzoek is interessant om een seriële
mediatie uit te kunnen voeren en causale uitspraken te kunnen doen.
Trefwoorden: angststoornis, sekseverschillen, ernst angstsymptomen, locus of control,
negatieve levensgebeurtenissen, jeugdtrauma
2
,SEKSE, ERNST VAN ANGSTSYPTOMEN, ACTUELE STRESSOREN EN PSYCHOLOGISCHE KWETSBAARHEID
Abstract
Introduction: The aim of this study was to examine the sex differences in anxiety symptoms
for individuals diagnosed with a DSM-IV anxiety disorder. Different factors and their
association with symptom severity have been examined. The hypothesis was that women
report more severe anxiety symptoms than men and that certain factors – divided in stressors
(negative life events and childhood trauma) and psychological vulnerability (locus of control
[LOC]) – will mediate the association between sex and severity of anxiety symptoms.
Previous research focused on sex differences in etiology and epidemiology of anxiety
disorders. However, sex can also influence the manifestation of anxiety disorders. There are
more women with anxiety disorders than men, women also report more severe anxiety
symptoms than men. Method: 1085 respondents have been included in analysis (31%
women). A t-test was used to examine data and mediation analysis were performed in two
steps; simple and parallel mediation with the PROCESS-macro. Results: No significant sex
differences were found in the severity of anxiety symptoms (p = .494), the association was
not mediated by negative life evens and/or LOC. Childhood trauma was found to mediate the
sex differences in anxiety symptom severity. External LOC was associated with more severe
anxiety symptoms (p = .000). Discussion: Expectations were partially met. The association
between sex and severity of anxiety symptoms was mediated by childhood trauma.
Longitudinal research is needed to conduct a serial mediation analysis to be able to look at
causality.
Key words: anxiety disorder, sex differences, severity anxietysymptoms, locus of control,
negative life events, childhood trauma
3
, SEKSE, ERNST VAN ANGSTSYPTOMEN, ACTUELE STRESSOREN EN PSYCHOLOGISCHE KWETSBAARHEID
Sekseverschillen in Ernst van Angstsymptomen bij Volwassenen met een Angststoornis
en de Rol van Negatieve Levensgebeurtenissen, Jeugdtrauma en Locus of Control
Bijna 20% van alle Nederlanders van 18 tot 65 jaar heeft ooit een angststoornis gehad (De
Graaf, ten Have, van Gool, & van Dorsselaer, 2012). Volgens de DSM-5 houdt een
angststoornis in dat er sprake is van excessieve angst en bezorgdheid die gedurende minstens
zes maanden vaker wel dan niet aanwezig zijn en betrekking hebben op een aantal
gebeurtenissen of activiteiten (American Psychiatric Association [APA], 2013). Tot nu toe
zijn prevalentiecijfers van angststoornissen in de Nederlandse bevolking gebaseerd op data
die is verzameld met instrumenten die gebruikmaken van DSM-IV criteria voor
angststoornissen. Sociale fobie (9,3%) en specifieke fobie (7,9%) komen het meest voor,
gevolgd door de gegeneraliseerde angststoornis (4,5%) en paniekstoornis (3,8%). Agorafobie
of straatvrees (0,9%) komt het minst voor (De Graaf et al., 2012).
Vrijwel alle angststoornissen komen vaker voor bij vrouwen dan bij mannen (Bandelow
& Michaelis, 2015; De Graaf et al., 2012; Tolin & Foa, 2006). De prevalentie van
angststoornissen in Nederland is bij vrouwen 23,4% tegenover 15,9% bij mannen (De Graaf
et al., 2012). Hoewel in etiologische modellen die het ontstaan van angststoornissen
beschrijven meestal geen aandacht wordt besteed aan sekseverschillen, zouden deze
verschillen wellicht verklaard kunnen worden door verschillen in risicofactoren (Hallers-
Haalboom, Maas, Kunst, & Bekker, 2019). Neem bijvoorbeeld het kwetsbaarheid-
stressmodel (Zuckerman, 1999), dit model veronderstelt dat zowel een verhoogde
gevoeligheid (biologisch en/of psychologisch) voor angst bij vrouwen als verschillen in
blootstelling aan psychosociale stressoren bij vrouwen en mannen kunnen leiden tot
sekseverschillen in de prevalentie van angstklachten en -stoornissen (Christiansen, 2015). Zo
stellen Bandelow en Michaelis (2015) dat psychosociale factoren zoals jeugdtrauma en
andere (chronische) stressoren, naast genetische en neurobiologische factoren, een mogelijke
4