- Wat is de empirische cyclus (welke elementen herken je hiervan in de taak)?
De empirische cyclus is een systematisch en cyclisch stappenplan dat beschrijft hoe
wetenschappelijke kennis tot stand komt op basis van waarnemingen (empirie).
Empirie betekent kennis die is gebaseerd op ervaring en observaties van de werkelijkheid.
De empirische cyclus laat zien hoe onderzoekers van bestaande kennis (theorie) komen tot
nieuw onderzoek, en hoe de resultaten van dat onderzoek weer leiden tot nieuwe of
aangepaste theorieën. Het proces is cyclisch en spiraalvormig: elke onderzoeksronde
levert nieuwe inzichten op en roept nieuwe vragen op.
1. Probleemstelling en (niet-systematische) waarneming: De empirische cyclus
begint met een probleemstelling, die voortkomt uit waarnemingen in de praktijk of in
de samenleving. Dit zijn vaak niet-systematische waarnemingen, zoals opvallende
ziektegevallen, trends of problemen in de zorg. Onderzoeksvragen vallen niet uit de
lucht: toevallige waarnemingen, maatschappelijke problemen of ervaringen in de
praktijk wekken de nieuwsgierigheid van onderzoekers.
Ook resultaten uit eerder onderzoek kunnen aanleiding zijn voor nieuw onderzoek.
Onderzoekers willen bestaande bevindingen bevestigen (verificatie), tegenspreken
(contradictie), weerleggen (falsificatie) of nader specificeren (elaboratie). Zo dragen
opeenvolgende onderzoeken bij aan een steeds beter begrip van de werkelijkheid.
2. Theorie (bestaande kennis): Na de probleemstelling vertrekt de onderzoeker vanuit
een theorie. Een theorie is een samenhangend geheel van uitspraken met een
algemeen geldend karakter, gebaseerd op eerdere (systematische en
niet-systematische) waarnemingen en onderzoek. Theorieën helpen om patronen in
de werkelijkheid te begrijpen, te verklaren en te voorspellen.
Belangrijk is dat een theorie toetsbaar (falsifieerbaar) is, altijd voorlopig blijft,
rationeel en logisch is en gebaseerd op eerder onderzoek: nieuwe empirische
bevindingen kunnen leiden tot aanpassing van de theorie.
3. Deductie – van theorie naar onderzoeksvraag en hypothese: Vanuit de theorie
volgt deductie: de onderzoeker gaat van het algemene naar het specifieke. De
theorie wordt vertaald naar een onderzoeksvraag en vaak één of meerdere
hypothesen.
Een hypothese is een toetsbare uitspraak over een verwachte relatie tussen
variabelen, die op basis van waarnemingen kan worden aangenomen of verworpen.
Hypothesen geven richting aan het onderzoek en bepalen mede welk
onderzoeksontwerp geschikt is. Empirisch onderzoek is nodig om hypothesen te
toetsen of een nieuw probleemgebied te verkennen.
4. Onderzoeksontwerp (design): Na het formuleren van de onderzoeksvraag en
hypothese kiest de onderzoeker een onderzoeksopzet (design). Deze stap is
cruciaal, omdat het design bepaalt hoe de hypothese wordt getoetst.
De onderzoeker maakt hierbij keuzes over:
- het type onderzoek (kwalitatief of kwantitatief);
- experimenteel of observationeel onderzoek;
- beschrijvend, explorerend, toetsend of evaluerend onderzoek.
, In epidemiologisch onderzoek worden vaak designs gebruikt zoals cohortonderzoek,
patiënt-controleonderzoek of dwarsdoorsnedeonderzoek, afhankelijk van de
onderzoeksvraag.
5. Populatie en steekproef: Vervolgens wordt vastgesteld wie er onderzocht wordt. De
onderzoeker definieert de onderzoekspopulatie, de steekproef en de inclusie- en
exclusiecriteria. Dit is belangrijk om de resultaten te kunnen generaliseren naar een
grotere populatie. In de epidemiologie is het bovendien essentieel om vast te stellen
wie tot de populatie at risk behoort. Populatie en steekproef zijn niet hetzelfde.
6. Geschikte metingen en observaties kiezen: Abstracte begrippen uit de theorie
worden nu geoperationaliseerd: ze worden vertaald naar meetbare variabelen. De
onderzoeker kiest geschikte meetinstrumenten, zoals vragenlijsten, interviews,
observaties of biomarkers (bijvoorbeeld bloedonderzoek). Ook worden
meetmomenten vastgelegd en wordt vooraf bepaald welke statistische
analysetechnieken gebruikt zullen worden. Validiteit en betrouwbaarheid van de
metingen spelen hierbij een centrale rol.
7. Uitvoeren van het onderzoek (dataverzameling): In deze fase wordt het
onderzoek daadwerkelijk uitgevoerd. De onderzoeker verricht systematische
waarnemingen en verzamelt gegevens volgens het vooraf vastgestelde
onderzoeksprotocol. Bij experimenteel onderzoek kan dit betekenen dat een
interventie wordt toegepast, terwijl bij observationeel onderzoek alleen wordt
gemeten en geobserveerd.
8. Resultaten en data-analyse: De verzamelde gegevens worden geanalyseerd. Dit
gebeurt meestal in twee stappen:
- Beschrijvende analyse: frequenties, gemiddelden, incidentie en prevalentie;
- Analytische analyse: het onderzoeken van relaties tussen variabelen
(bijvoorbeeld tussen blootstelling en ziekte).
9. Interpretatie, conclusie en rapportage: De onderzoeker interpreteert de resultaten
en trekt conclusies. Hierbij wordt antwoord gegeven op de onderzoeksvraag en wordt
vastgesteld of de hypothese wordt ondersteund of verworpen. Op basis van de
resultaten kan de theorie worden:
- bevestigd (confirmatie);
- tegengesproken (contradictie);
- weerlegd (falsificatie);
- nader gespecificeerd (elaboratie);
- ondersteund (verificatie).
Volledige zekerheid is zelden mogelijk; wetenschappelijke kennis blijft voorlopig.
10.Inductie – van resultaten terug naar theorie: De laatste stap is inductie. Hierbij
gaat de onderzoeker van concrete waarnemingen terug naar een meer algemene
theorie. De bevindingen worden geïntegreerd met bestaande kennis, wat kan leiden
tot een aangepaste of nieuwe theorie. Inductie maakt generalisatie mogelijk, maar
vereist herhaling en vervolgonderzoek.
Herkenning van de empirische cyclus in de taak:
In de taak over GRID/AIDS zijn alle stappen van de empirische cyclus duidelijk herkenbaar.
Het proces begint met niet-systematische waarnemingen, gevolgd door theorievorming,
deductie, systematisch onderzoek, analyse en inductie. Door opeenvolgende
,onderzoeksrondes worden aannames bijgesteld en ontstaat steeds meer kennis over
oorzaak, transmissie, diagnostiek en behandeling van HIV/AIDS. Dit laat zien dat de
empirische cyclus geen gesloten cirkel is, maar een spiraal waarin elke stap bijdraagt aan
verdieping van wetenschappelijke kennis.
- Wat is deductie en inductie?
Deductie en inductie zijn twee manieren van wetenschappelijk redeneren die laten zien
hoe theorie en empirisch onderzoek met elkaar verbonden zijn binnen de empirische cyclus.
Deductie is het redeneren van algemeen naar specifiek. De onderzoeker vertrekt vanuit een
bestaande, abstracte theorie en leidt daaruit concrete, toetsbare verwachtingen af. Deze
verwachtingen worden geformuleerd als onderzoeksvragen en hypothesen. Bij deductie
wordt dus vooraf voorspeld wat er in de werkelijkheid waargenomen zou moeten worden als
de theorie klopt. Deductie speelt vooral een rol bij hypothesetoetsend, vaak kwantitatief
onderzoek en vormt meestal het startpunt van de empirische cyclus.
Dit is duidelijk te zien in het HIV/AIDS-voorbeeld. Aan het begin van de epidemie bestond de
theorie dat AIDS een ziekte was die alleen voorkwam bij homoseksuele mannen (de
zogeheten “homoziekte”). Vanuit deze theorie werd deductief de hypothese geformuleerd
dat uitsluitend homoseksuele mannen AIDS konden krijgen. Deze hypothese gaf richting
aan het onderzoek en werd vervolgens empirisch getoetst door verschillende groepen
mensen te onderzoeken.
Inductie is het redeneren van specifiek naar algemeen. De onderzoeker vertrekt hierbij
vanuit concrete waarnemingen en onderzoeksresultaten en trekt daaruit algemene
conclusies over de werkelijkheid. Inductie houdt in dat alle waarnemingen aan het einde van
het onderzoek worden geïntegreerd tot een meer abstracte, universele samenvatting, die
kan leiden tot aanpassing, uitbreiding of verwerping van bestaande theorieën, of tot het
ontwikkelen van nieuwe theorieën. Inductie speelt vooral een rol na afloop van onderzoek en
is ook belangrijk bij explorerend en kwalitatief onderzoek.
Ook dit is goed zichtbaar in het HIV/AIDS-voorbeeld. Uit onderzoek bleek dat AIDS niet
alleen voorkwam bij homoseksuele mannen, maar ook bij heteroseksuele mannen,
intraveneuze drugsgebruikers en mensen die besmet waren via bloedtransfusies. Op basis
van deze waarnemingen werd inductief geconcludeerd dat AIDS geen homoziekte is. Dit
leidde tot een nieuwe, algemenere theorie over de aard en verspreiding van de ziekte.
De samenhang tussen deductie en inductie is dat ze elkaar aanvullen binnen de empirische
cyclus. Deductie vormt vaak het begin van de cyclus: vanuit een theorie worden hypothesen
afgeleid die richting geven aan onderzoek. Inductie vormt het sluitstuk: onderzoeksresultaten
worden samengevat en teruggekoppeld naar de theorie. De aangepaste of nieuwe theorie
die hieruit ontstaat, vormt vervolgens weer het startpunt voor een nieuwe deductieve
onderzoeksronde.
Concreet in het HIV/AIDS-voorbeeld leidde de oorspronkelijke theorie deductief tot
hypothesen over wie AIDS kon krijgen. De onderzoeksresultaten spraken deze hypothesen
tegen, waarna via inductie een nieuwe theorie werd gevormd. Deze nieuwe theorie werd
vervolgens opnieuw gebruikt voor deductieve vragen, zoals naar de oorzaak (HIV), de
, transmissieroutes en mogelijke behandelingen. Zo laten deductie en inductie samen zien
hoe wetenschappelijke kennis zich stap voor stap ontwikkelt.
- Wat zijn gezondheidsstatistieken en frequentiematen? (mortaliteit, incidentie,
prevalentie)
- Wanneer gebruik je welke uitkomstmaat?
- Hoe zie je dit in de tabel?
Gezondheidsstatistieken zijn cijfermatige beschrijvingen van gezondheid, ziekte en sterfte
in populaties. Ze laten zien hoe vaak gezondheidsuitkomsten voorkomen bij groepen
mensen en vormen de basis van epidemiologisch onderzoek, volksgezondheidsbeleid en
zorgplanning. Epidemiologen gebruiken gezondheidsstatistieken niet om individuele
patiënten te beschrijven, maar om patronen, trends en verschillen tussen groepen te
analyseren, bijvoorbeeld tussen leeftijdsgroepen, geslachten, regio’s of tijdsperioden.
De kern van gezondheidsstatistieken is het meten van ziektefrequentie. Dit gebeurt met
behulp van frequentiematen, waarbij altijd een verhouding wordt berekend tussen een teller
(het aantal ziekte- of sterftegevallen) en een noemer (de populatie die risico loopt, de
population at risk). Deze epidemiologische fractie vormt de basis voor vrijwel alle
epidemiologische analyses.
Prevalentie – hoe vaak komt een ziekte voor?
Prevalentie beschrijft het aantal bestaande ziektegevallen in een populatie en geeft inzicht in
de ziektelast. Het is een proportie: het aantal personen met de gezondheidsuitkomst
gedeeld door het totaal aantal personen in de populatie.
Er zijn drie vormen van prevalentie:
1. Puntprevalentie: het aandeel van de populatie dat op één specifiek tijdstip ziek is.
Bijvoorbeeld: eind 2023 gebruikte 14,3% van jongeren van 12–16 jaar een vape.
2. Periodeprevalentie: het aandeel van de populatie dat tijdens een bepaalde periode
ziek is geweest. Hierbij wordt vaak de gemiddelde populatiegrootte (mid-term
population) gebruikt.
Bijvoorbeeld: in 2022 had 11,5% van de jongeren van 18–25 jaar een depressieve
stoornis.
3. Lifetimeprevalentie: het aandeel van de populatie dat een ziekte ooit in het leven
heeft gehad.
Prevalentie gebruik je vooral wanneer je wilt weten hoe groot de zorgvraag is, hoeveel
mensen zorg of begeleiding nodig hebben en hoe groot de ziektelast in een populatie is.
Prevalentie is daarom vooral belangrijk voor zorgplanning en beleid, en minder geschikt om
oorzaken van ziekte te onderzoeken.
Incidentie – hoe vaak ontstaat een ziekte?
Incidentie beschrijft het aantal nieuwe ziektegevallen dat ontstaat in een bepaalde periode.
Ziekte wordt hier gezien als een dynamisch proces: mensen zijn eerst gezond, worden ziek