Medische Kennis 3
3.7 labwaarden bloed, urine en vochtbalans
1. De globale homeostase van de vochthuishouding van
het lichaam kan uitleggen
Homeostase betekent het constant houden van het inwendig milieu
(milieu intérieur). Voor de vochthuishouding houdt dit in dat: de
hoeveelheid water, verdeling van water, samenstelling (zouten, eiwitten).
Binnen nauwe grenzen blijft.
Het lichaamsvocht is verdeeld over:
Intracellulair vocht (celvocht) → ± 25 liter (2/3)
Extracellulair vocht → ± 17 liter (1/3), bestaande uit:
o bloedplasma (± 5 liter)
o interstitieel vocht / weefselvocht (± 12 liter)
De vochtbalans is normaal in evenwicht:
Vochtin = Vochtuit ≈ 2500 ml/dag
Regulatie verloopt via o.a.: nieren, hormonen (ADH, RAAS), dorstprikkel
2. Oorzaken, klachten en lichamelijke bevindingen,
diagnostiek en behandeling van aandoeningen waarbij
afwijkingen van de vochthuishouding voorkomen
benoemen
Dehydratie (negatieve vochtbalans)
Oorzaken: gastro-enteritis (braken/diarree), verminderde intake,
verhoogd verlies (koorts, transpiratie)
Klachten & bevindingen: dorst, droge slijmvliezen, weinig plassen
(oligurie/anurie), sufheid, ingezonken ogen (bij kinderen)
Diagnostiek:gewichtsverlies, klinisch beeld, lab (elektrolyten,
nierfunctie)
Behandeling: ORS of intraveneus vocht, oorzaak behandelen
Overvulling (positieve vochtbalans)
Oorzaken: hartfalen, te veel infuus, nierfalen, verminderde
diuretica-inname
, Behandeling: diuretica, vochtbeperking, behandelen
onderliggende oorzaak
3. De onderdelen en de klinische relevantie van de
vochtbalans kan benoemen en uitleggen
Onderdelen:
Intake: drinken, voeding, infuus
Output: urine, feces, transpiratie
Klinische relevantie:
Bijhouden bij: postoperatieve patiënten, ernstig zieken, nier- en
hartfalen
In de praktijk:
Oxidatiewater en insensibele verliezen worden niet meegerekend
→ vochtbalans lijkt vaak positief met ± 400 ml
4. Het ontstaan van weefselvocht (interstitiële vloeistof)
kan uitleggen
Weefselvocht ontstaat door filtratie van vocht uit capillairen:
aan de arteriële kant treedt vocht uit
aan de veneuze kant wordt vocht weer opgenomen
overtollig vocht wordt afgevoerd via het lymfesysteem
Dit proces wordt bepaald door drukverschillen over de vaatwand.
5. De termen capillaire druk (Pc) en colloïd osmotische
druk (COD) kan uitleggen
Capillaire druk (Pc):
wordt veroorzaakt door de bloeddruk
duwt vocht uit het capillair het weefsel in
,Colloïd osmotische druk (COD):
wordt veroorzaakt door plasma-eiwitten (vooral albumine)
trekt vocht terug het capillair in
De balans tussen Pc en COD bepaalt hoeveel vocht in het weefsel
achterblijft.
6. Vier redenen kan geven voor het ontstaan van
oedeem en voorbeelden ervan kan benoemen.
Verhoogde permeabiliteit
Cellulitis, erysipelas
Angio-oedeem
Septische shock
Verhoogde capillaire druk (Pc ↑)
DVT
Chronische veneuze insufficiëntie
Hartfalen (→ tweezijdig oedeem)
Verlaagde COD
Hongeroedeem
Leverfalen (↓ albumine)
Nefrotisch syndroom (eiwitverlies)
Verminderde lymfeafvoer
Aangeboren lymfoedeem
Na okselklierdissectie
Filariasis
7. De meest voorkomende laboratoriumbepalingen in
bloed en urine kan benoemen, inclusief de betekenis
Bloed:
Hb → anemie
Leukocyten → infectie
CRP → acute ontsteking
BSE → chronische ontsteking
Na⁺ / K⁺ → vocht- en elektrolytenbalans
, Creatinine / ureum → nierfunctie
Glucose → diabetes
TSH / T4 → schildklierfunctie
Cholesterol → cardiovasculair risico
Urine:
eiwit → nierschade
glucose → diabetes
ketonen → ontregeling diabetes
nitriet/leukocyten → urineweginfectie
8. Kan herkennen welke laboratoriumbepalingen
relevant zijn bij diagnostiek van veel voorkomende
ziektebeelden
Voorbeelden:
Moeheid → Hb, TSH, glucose, BSE
Oedeem → albumine, nierfunctie
Infectie → CRP, leukocyten
Diabetes → glucose, HbA1c
Hartfalen → pro-BNP
Nierziekte → creatinine, eGFR, urine-eiwit
Aanvullende informatie, Zuur-base-evenwicht en
bloedgasanalyse
Basis van het zuur-base-evenwicht
Het zuur-base-evenwicht beschrijft het handhaven van een stabiele pH
van het bloed.
De normale pH van arterieel bloed ligt tussen 7,35 – 7,45.
pH < 7,35 → acidose
pH > 7,45 → alkalose
Een stabiele pH is essentieel voor:
enzymwerking
spier- en zenuwfunctie
hartfunctie
zuurstofbinding aan hemoglobine
3.7 labwaarden bloed, urine en vochtbalans
1. De globale homeostase van de vochthuishouding van
het lichaam kan uitleggen
Homeostase betekent het constant houden van het inwendig milieu
(milieu intérieur). Voor de vochthuishouding houdt dit in dat: de
hoeveelheid water, verdeling van water, samenstelling (zouten, eiwitten).
Binnen nauwe grenzen blijft.
Het lichaamsvocht is verdeeld over:
Intracellulair vocht (celvocht) → ± 25 liter (2/3)
Extracellulair vocht → ± 17 liter (1/3), bestaande uit:
o bloedplasma (± 5 liter)
o interstitieel vocht / weefselvocht (± 12 liter)
De vochtbalans is normaal in evenwicht:
Vochtin = Vochtuit ≈ 2500 ml/dag
Regulatie verloopt via o.a.: nieren, hormonen (ADH, RAAS), dorstprikkel
2. Oorzaken, klachten en lichamelijke bevindingen,
diagnostiek en behandeling van aandoeningen waarbij
afwijkingen van de vochthuishouding voorkomen
benoemen
Dehydratie (negatieve vochtbalans)
Oorzaken: gastro-enteritis (braken/diarree), verminderde intake,
verhoogd verlies (koorts, transpiratie)
Klachten & bevindingen: dorst, droge slijmvliezen, weinig plassen
(oligurie/anurie), sufheid, ingezonken ogen (bij kinderen)
Diagnostiek:gewichtsverlies, klinisch beeld, lab (elektrolyten,
nierfunctie)
Behandeling: ORS of intraveneus vocht, oorzaak behandelen
Overvulling (positieve vochtbalans)
Oorzaken: hartfalen, te veel infuus, nierfalen, verminderde
diuretica-inname
, Behandeling: diuretica, vochtbeperking, behandelen
onderliggende oorzaak
3. De onderdelen en de klinische relevantie van de
vochtbalans kan benoemen en uitleggen
Onderdelen:
Intake: drinken, voeding, infuus
Output: urine, feces, transpiratie
Klinische relevantie:
Bijhouden bij: postoperatieve patiënten, ernstig zieken, nier- en
hartfalen
In de praktijk:
Oxidatiewater en insensibele verliezen worden niet meegerekend
→ vochtbalans lijkt vaak positief met ± 400 ml
4. Het ontstaan van weefselvocht (interstitiële vloeistof)
kan uitleggen
Weefselvocht ontstaat door filtratie van vocht uit capillairen:
aan de arteriële kant treedt vocht uit
aan de veneuze kant wordt vocht weer opgenomen
overtollig vocht wordt afgevoerd via het lymfesysteem
Dit proces wordt bepaald door drukverschillen over de vaatwand.
5. De termen capillaire druk (Pc) en colloïd osmotische
druk (COD) kan uitleggen
Capillaire druk (Pc):
wordt veroorzaakt door de bloeddruk
duwt vocht uit het capillair het weefsel in
,Colloïd osmotische druk (COD):
wordt veroorzaakt door plasma-eiwitten (vooral albumine)
trekt vocht terug het capillair in
De balans tussen Pc en COD bepaalt hoeveel vocht in het weefsel
achterblijft.
6. Vier redenen kan geven voor het ontstaan van
oedeem en voorbeelden ervan kan benoemen.
Verhoogde permeabiliteit
Cellulitis, erysipelas
Angio-oedeem
Septische shock
Verhoogde capillaire druk (Pc ↑)
DVT
Chronische veneuze insufficiëntie
Hartfalen (→ tweezijdig oedeem)
Verlaagde COD
Hongeroedeem
Leverfalen (↓ albumine)
Nefrotisch syndroom (eiwitverlies)
Verminderde lymfeafvoer
Aangeboren lymfoedeem
Na okselklierdissectie
Filariasis
7. De meest voorkomende laboratoriumbepalingen in
bloed en urine kan benoemen, inclusief de betekenis
Bloed:
Hb → anemie
Leukocyten → infectie
CRP → acute ontsteking
BSE → chronische ontsteking
Na⁺ / K⁺ → vocht- en elektrolytenbalans
, Creatinine / ureum → nierfunctie
Glucose → diabetes
TSH / T4 → schildklierfunctie
Cholesterol → cardiovasculair risico
Urine:
eiwit → nierschade
glucose → diabetes
ketonen → ontregeling diabetes
nitriet/leukocyten → urineweginfectie
8. Kan herkennen welke laboratoriumbepalingen
relevant zijn bij diagnostiek van veel voorkomende
ziektebeelden
Voorbeelden:
Moeheid → Hb, TSH, glucose, BSE
Oedeem → albumine, nierfunctie
Infectie → CRP, leukocyten
Diabetes → glucose, HbA1c
Hartfalen → pro-BNP
Nierziekte → creatinine, eGFR, urine-eiwit
Aanvullende informatie, Zuur-base-evenwicht en
bloedgasanalyse
Basis van het zuur-base-evenwicht
Het zuur-base-evenwicht beschrijft het handhaven van een stabiele pH
van het bloed.
De normale pH van arterieel bloed ligt tussen 7,35 – 7,45.
pH < 7,35 → acidose
pH > 7,45 → alkalose
Een stabiele pH is essentieel voor:
enzymwerking
spier- en zenuwfunctie
hartfunctie
zuurstofbinding aan hemoglobine