Zelfbewustzijn:
- Prive zelfbewustzijn: aandacht gericht op de 'binnenkant’ (terwijl
je zit te lezen nadenken over gevoel)
- Publiek zelfbewustzijn: je bekijkt jezelf door de ogen van buitenaf
publiek
Zelfkennis: weten wie je bent en handelt zoals je doet
Het spotlight effect: overschatten van de aandacht die mensen aan jou
besteden
Bronnen van zelfkennis:
- Introspectie: informatie over jezelf hebben die andere niet hebben
(iets mooi of lelijk vinden, je eigen innerlijk)
- Proprioceptie: weten waar je lichaam is en hoe het beweegt
- Zelfperceptie: via de buitenkant naar jezelf kijken, op wat je doet
en niet op hoe je denkt dat je het moet doen -> beeld dat je van
jezelf hebt en hoe je dat interpreteert
- Zelfperceptietheorie (bem, 1972) -> men leert zichzelf kennen
door op een objectieve manier naar zichzelf en gedrag te kijken
en daaruit eigenschappen af te leiden. Je gebruikt zelfperceptie
alleen bij gedrag dat we vrijwillig vertonen
Bronnen van zelfwaardering
- Expliciete zelfwaardering: hoe je bewust en duidelijk over jezelf
denkt en je eigen waarde inschat (zeggen dat je iets kan)
- Impliciete zelfwaardering: hoe waardevol jij jezelf onbewust
voelt, los van wat je erover zegt of denkt -> hoe jij je onbewust voelt
en reageert (lichaamsreactie)
Zelfevaluatie theorieën:
- Zelfverheffingsmotief: behoefte om jezelf positief te zien en je
zelfwaardering te behouden of vergroten
- Accuraatheidsmotief: behoefte om de situatie en jezelf
waarheidsgetrouw/eerlijk en correct te beoordelen
- Consistentiemotief: behoefte om je gedachten, gevoelens en
gedrag op elkaar af te stemmen en intern logisch te houden
- Zelfverbeteringsmotief: behoefte om jezelf te ontwikkelen en
beter te maken, gericht op persoonlijke groei
Organisatie van zelfkennis:
, - Zelfconcept: mentale beeld dat je van jezelf hebt inclusief
eigenschappen, rollen en capaciteiten
- Zelf-schema: georganiseerde set van overtuigingen over jezelf die
je helpt je zelfbeeld te structureren en te interpreteren
- Zelfcomplexiteit: hoe veelzijdig je zelfbeeld is, hoeveel
aspecten en rollen
- Complex: veel verschillende en gescheiden kanten van jezelf
- Simpel: weinig en overlappende kanten van jezelf
Contingente zelfwaardering: je zelfwaarde hangt af van wat je bereikt
of wat andere van je vinden
Theorieën over zelfwaardering:
Sociale vergelijkingstheorie (Festinger, 1954)
- Meestal is er geen objectieve vorm ter vergelijking, dus sociaal
criterium
- Vergelijken met vergelijkbare individuen. Vergelijken met andere
om zichzelf te kunnen evalueren
- Opwaartse sociale vergelijking: je vergelijkt jezelf met iemand
beters, kan motiveren maar ook onzeker maken
- Neerwaartse sociale vergelijking: je vergelijkt jezelf met iemand
slechter dan jij, versterkt zelfbeeld en kan je een beter gevoel geven
- Assimilatie: jezelf gelijkstellen aan degene waarmee je jezelf
vergelijkt
- Contrast: jezelf onderscheiden van degene waarmee je jezelf
vergelijkt
Sociometer-theorie:
- Wat is zelfwaardering eigenlijk -> a measure of group fit (maatstaf
voor de fit in de groep)
, - Zelfwaardering dient als sociometer, die meet hoe goed je erbij
hoort in sociale groepen
- Dus als mensen je leuk vinden -> zelfwaardering hoog
- Als mensen je niet leuk vinden -> zelfwaardering laag
- Soort ‘waarschuwingssysteem’ om je sociale relaties te
onderhouden