Master Notarieel recht
2025-2026
Douwe Jacobs
,Inhoudsopgave
Week 1 ........................................................................................................................................ 3
Week 2 ...................................................................................................................................... 40
Week 3 ...................................................................................................................................... 87
Week 4 ..................................................................................................................................... 118
Week 5 ..................................................................................................................................... 179
Week 6 ..................................................................................................................................... 205
Week 7 ..................................................................................................................................... 228
Week 8 ..................................................................................................................................... 278
,Week 1
Inleiding
In deze inleidende week staan verschillende onderdelen van de overdrachtsbelasting
centraal: (i) het systeem van de Wet op betalingen van rechtsverkeer (WBR), (ii)
formaliteiten, (iii) het belastbare feit en (iv) het tarief. Binnen die onderdelen staan
vooral hoofdregels centraal. In latere weken worden deze hoofdregels uitgebreid.
Algemene informatie overdrachtsbelasting
Allereerst is van belang wat achtergrondinformatie bij de overdrachtsbelasting te
hebben. Ik ga achtereenvolgens in op de geschiedenis, aard en inrichting, en
wijzigingen sinds 1995 van de overdrachtsbelasting.
- Geschiedenis
Het heffen van belasting op de overdracht van onroerende zaken geschiedt al
meerdere eeuwen en is daarmee een van de oudste belastingen in ons land.
De heffing was vrijwel altijd gekoppeld aan de registratie van akten waarbij
onroerende zaken werden vervreemd. Registratie van akten, oorspronkelijk
bedoeld voor controle, bestond al in het oude Egypte en bij de Grieken en
kwam via de Romeinen naar Frankrijk en vervolgens naar onze streken. Vanaf
de zestiende eeuw werd controle minder belangrijk en kwam het fiscale
aspect op de voorgrond, wat leidde tot de invoering van de veertigste penning
(een 2,5%-tarief voor de overdracht van onroerende zaken) in 1598. Tijdens
en na de Franse overheersing werd overdrachtsbelasting (registratierecht)
geheven op basis van de Frimaire Wet. Na wijzigingen werd de wetgeving in
1917 herzien met de Registratiewet 1917. Sinds 1 januari 1972 wordt
overdrachtsbelasting geheven op basis van de Wet op belastingen van
rechtsverkeer (WBR). Deze komt grotendeels overeen met het eerdere
registratierecht, maar heeft een ruimer toepassingsgebied doordat het wordt
geheven bij verkrijging van onroerende zaken, ook zonder akte of bij
verkrijging om niet. De WBR staat in dit vak centraal.
De historische band tussen overdrachtsbelasting en registratie van akten
bestaat nog steeds. Notariële akten van levering van onroerende zaken
moeten binnen tien dagen ter registratie worden aangeboden bij de
Belastingdienst. Sinds oktober 2013 gebeurt dit elektronisch, samen met een
digitaal aangiftebericht met relevante gegevens voor de heffing. De notaris
doet hiermee namens de verkrijger aangifte bij de inspecteur. Dit
elektronische aangiftebericht is de digitale opvolger van de vroegere
voetverklaring die bij fysieke registratie onder de akte werd geplaatst.
De WBR
De Wet op belastingen van rechtsverkeer (WBR) is vastgesteld op 24
december 1970 en trad in werking op 1 januari 1972, gelijktijdig met de
Registratiewet 1970. Beide wetten vervingen de verouderde Registratiewet
1917 en de Zegelwet 1917. Doel van deze vervanging was niet alleen een
betere aansluiting bij de moderne belastingwetgeving uit de jaren zestig, maar
vooral ook een vereenvoudiging van het belastingstelsel, omdat veel
registratie- en zegelbelastingen niet meer passend werden geacht.
, Oorspronkelijk werden op basis van de WBR vier belastingen geheven:
o overdrachtsbelasting (bij verkrijging van onroerende zaken);
o assurantiebelasting (bij verzekeringen);
o kapitaalsbelasting (bij het bijeenbrengen van aandelenkapitaal); en
o beursbelasting (bij aan- en verkoop van effecten via een
effectenmakelaar).
De kapitaalsbelasting en de beursbelasting zijn later afgeschaft
(respectievelijk per 1 januari 2006 en 1 januari 1990), waardoor tegenwoordig
alleen nog overdrachtsbelasting en assurantiebelasting op basis van de WBR
worden geheven.
Oudere wetten
Ik ga hieronder kort in op de oudere wetten die de WBR voorgingen.
o Registratiewet 1917
De Registratiewet 1917 (RW 1917) regelde zowel de formaliteit van
registratie van akten bij de Belastingdienst (thans geregeld in de RW
1970) als de registratiebelasting. Op basis van deze wet werden vier
registratiebelastingen geheven:
▪ rechten op overdracht van onroerende zaken
▪ recht op het geplaatste kapitaal van naamloze vennootschappen
en daarmee gelijkgestelde vennootschappen en verenigingen;
▪ recht op openbare verkopen van roerende zaken;
▪ vaste rechten.
o Frimaire wet
Van 1 januari 1812 tot het einde van de inlijving van het Koninkrijk
Holland bij Frankrijk was de Franse registratiewet van kracht, bekend
als de Frimaire Wet van 12 december 1798, met een tarief van 2,5%.
Na het herstel van de onafhankelijkheid in 1813 bleef men het
registratierecht volgens deze wet heffen. In 1822 werd het
registratierecht opgenomen in het stelsel van rijksbelastingen en na
meerdere wijzigingen werd de wetgeving in 1882 gemoderniseerd. Een
algehele herziening volgde pas in 1917.
o De eerste overdrachtsbelasting
De vaderlandse geschiedenis van de overdrachtsbelasting gaat terug
tot 1598, toen bij ordonnantie de verkoop van onroerende zaken werd
belast met de ‘veertigste penning’ (2,5%), mede om de oorlog tegen de
Spanjaarden te financieren. Eerder, in 1567, had de Hertog van Alva