Samenvatting H&I
Week 1
Bloed is vloeibaar bindweefsel met transport en afweerfuncties. Het is ongeveer
+/- 8% van het lichaamsgewicht. Het bestaat uit cellulaire componenten en
acellulaire componenten. Het bloed heeft verschillende functies zoals
voedingsstoffen aanvoeren, afvalstoffen verwijderen, reparatie en bescherming
tegen pathogenen.
Bloed word in normale omstandigheden uit de ader
geprikt. Er zijn verschillende type buizen waarin dit
bloed word bewaard. Dit is afhankelijk van
hoeveelheid en wat er onderzocht word. Bloed wat
buiten het lichaam komt gaat stollen. Om dit tegen
te gaan word er anticoagulant toegevoegd. Dit
gaat de klontering van het bloed tegen en heeft
verschillende varianten met verschillende
werkingen. Dit zit in de verschillende buizen. Als je
dit afdraait krijg je plasma + cellen.
Soms word er ook geen anticoagulant buis gebruikt
juist zodat het bloed gaat stollen. Hierbij krijg je
serum + bloedprop.
Ook is er nog een hypotone oplossing die kan worden toegevoegd. Hierdoor gaan
de cellen opzwellen en knappen. Dit kan handig zijn
voor hemoglobinemetingen (hoeveelheid zuurstof kan
worden gemeten).
Bij anticoagulant heb je 3 lagen in het bloed
Plasma 55%
Buffy coat <1%
Hematocriet (erytrocyten) 45% (eigenlijk
hoeveelheid rode bloedcellen tegenover
plasma)
Bij geen anticoagulant
Serum (geen stollingsfactoren)
Bloedprop van rode bloedcellen
Plasma bevat dus wel stollingsfactoren en serum niet.
Kijken naar het plasma kan veel over een patient zeggen.
Geel helder plasma (geen bijzonderheden)
Rood plasma (hemolyse door hemoglobine wat vrij
komt) Kan komen door foutive bloedafname, een
ziekte of lang staan van bloed
Geel plasma (icteric) Bilirubine ontstaat,
bijvoorbeeld bij geelzucht of leverziektes
Troebel vet achtig plasma (Lipemic)
Bloed kan ook als ‘medicijn’ gebruikt worden. Dit kan in plasma, tromocyten en
rode bloedcellen.
, Rode bloedcellen worden gebruikt bij veel bloedverlies en/of anemie
(hemoglobine terkort)
Plasma Bij afwijkende plasma eiwitten of antistoffen
Trombocyen bij spontane bloedingen door ziekte of bijv. leukemie
Cellulaire componenten
Erytrocyten (rode bloedcellen RBCs)
Leukocyten (witte bloedcellen WBCs)
5 types
o Neutrofielen (60%) heeft
gelobte kern. Kernstukken die
door ‘’bruggetjes worden
vastgehouden
o Lymfocyten (30%)
o Monocyten (7%)
o Eosinofielen (2%)
o Basofielen (1%)
Trombocyten (bloedplaatjes)
Ezelsbruggetje voor ordergrootte: Never Let Monkeys Eat Bananas
Referentie waardes hoef je niet te kennen maar wel ongeveer een ordergrootte.
Acellulaire componenten
Water (90%)
Plasma-eiwitten (8%)
o Transport
o Imuniteit
o Stolling
Zouten, gas, hormonen, glucose (2%)
Soorten aanmaak:
Hematopoïse = Proces van bloedcelproductie
In het beenmerg vanuit een pluripotente stamcel (PPSC) (kan nog alles worden)
splitst naar lymfocyten cellen en Myeloïde cellen.
, Erytropoïese = Aanmaak rode bloedcellen (levensduur +/- 120 dagen)
Homeostase is belangrijk = evenwicht in het inwendig milieu.
EPO word geproduceerd door de nieren en is een hormoon wat erytrocyt
productie stimuleert.
Verschillende functies erytrocyt:
Gastransport (O2 en CO2)
Biconcave vorm (groot opp. Voor veel
opname en makkelijk te vouwen om door de
vaten te kunnen.
Hemoglobine/zuurstoftransporten (1/3 van erytrocyt)
Mannen hebben meer erytrocyten dan vrouwen
Leukopoïse = aanmaak wittebloedcellen
Granulocyten (korrels in de cel)
o Neutrofielen (hebben wel korrels maar hebben een neutrale kleur. 2
tot 6 lobben)
Bij bacteriële infecties of ontstekingen
Facocyteren bacteriën.
o Eosiofielen (kenmerkende kleurende oranje roze korrels)
Vooral bij parasitaire infecties en allergische reacties.
Blijven kort in bloedsomloop, daarna naar de weefsels.
Dood parasiet door release reactieve zuurstofmetabolieten
(ROS) en cytotoxische eiwitten.
o Basofielen (Kenmerkende blauw/paarse korrels, kern niet echt meer
zichtbaar)
Vooral bij allergieën door binding aan IgE. Laat histamine vrij
wat voor allergie klachten zorgt.
Lymfocyten
o Functie is fagocytose van bacteriën (‘eet’ als het ware infecties of
ontstekingen)
Monocyten
o Bevind zich vooral in de weefsels.
o Ruimt vooral parasieten op door ‘korrels’ aan het milieu te geven.
Hierdoor valt de parasiet uit elkaar en dit kan worden ‘opgegeten)
In het bloed zitten meer erytrocyten dan leukocyten in het bloed (1:1000)
Witte bloedcellen kan je onderscheiden op basis van:
Grootte van de cel
Kleur en vorm van de kern
Kleur cytoplasma
Aanwezigheid granula
Aanwezigheid specifieke receptoren
Trombocyten = Geen cel maar meer een cel fragment.
Megakariocyt is zoals de naam al zegt mega, hierdoor is het een cel
fragement. (meeste is opgeslagen in de milt.)
Lymfocyten cellen
B-lymfocyten Voor antigeen productie
Week 1
Bloed is vloeibaar bindweefsel met transport en afweerfuncties. Het is ongeveer
+/- 8% van het lichaamsgewicht. Het bestaat uit cellulaire componenten en
acellulaire componenten. Het bloed heeft verschillende functies zoals
voedingsstoffen aanvoeren, afvalstoffen verwijderen, reparatie en bescherming
tegen pathogenen.
Bloed word in normale omstandigheden uit de ader
geprikt. Er zijn verschillende type buizen waarin dit
bloed word bewaard. Dit is afhankelijk van
hoeveelheid en wat er onderzocht word. Bloed wat
buiten het lichaam komt gaat stollen. Om dit tegen
te gaan word er anticoagulant toegevoegd. Dit
gaat de klontering van het bloed tegen en heeft
verschillende varianten met verschillende
werkingen. Dit zit in de verschillende buizen. Als je
dit afdraait krijg je plasma + cellen.
Soms word er ook geen anticoagulant buis gebruikt
juist zodat het bloed gaat stollen. Hierbij krijg je
serum + bloedprop.
Ook is er nog een hypotone oplossing die kan worden toegevoegd. Hierdoor gaan
de cellen opzwellen en knappen. Dit kan handig zijn
voor hemoglobinemetingen (hoeveelheid zuurstof kan
worden gemeten).
Bij anticoagulant heb je 3 lagen in het bloed
Plasma 55%
Buffy coat <1%
Hematocriet (erytrocyten) 45% (eigenlijk
hoeveelheid rode bloedcellen tegenover
plasma)
Bij geen anticoagulant
Serum (geen stollingsfactoren)
Bloedprop van rode bloedcellen
Plasma bevat dus wel stollingsfactoren en serum niet.
Kijken naar het plasma kan veel over een patient zeggen.
Geel helder plasma (geen bijzonderheden)
Rood plasma (hemolyse door hemoglobine wat vrij
komt) Kan komen door foutive bloedafname, een
ziekte of lang staan van bloed
Geel plasma (icteric) Bilirubine ontstaat,
bijvoorbeeld bij geelzucht of leverziektes
Troebel vet achtig plasma (Lipemic)
Bloed kan ook als ‘medicijn’ gebruikt worden. Dit kan in plasma, tromocyten en
rode bloedcellen.
, Rode bloedcellen worden gebruikt bij veel bloedverlies en/of anemie
(hemoglobine terkort)
Plasma Bij afwijkende plasma eiwitten of antistoffen
Trombocyen bij spontane bloedingen door ziekte of bijv. leukemie
Cellulaire componenten
Erytrocyten (rode bloedcellen RBCs)
Leukocyten (witte bloedcellen WBCs)
5 types
o Neutrofielen (60%) heeft
gelobte kern. Kernstukken die
door ‘’bruggetjes worden
vastgehouden
o Lymfocyten (30%)
o Monocyten (7%)
o Eosinofielen (2%)
o Basofielen (1%)
Trombocyten (bloedplaatjes)
Ezelsbruggetje voor ordergrootte: Never Let Monkeys Eat Bananas
Referentie waardes hoef je niet te kennen maar wel ongeveer een ordergrootte.
Acellulaire componenten
Water (90%)
Plasma-eiwitten (8%)
o Transport
o Imuniteit
o Stolling
Zouten, gas, hormonen, glucose (2%)
Soorten aanmaak:
Hematopoïse = Proces van bloedcelproductie
In het beenmerg vanuit een pluripotente stamcel (PPSC) (kan nog alles worden)
splitst naar lymfocyten cellen en Myeloïde cellen.
, Erytropoïese = Aanmaak rode bloedcellen (levensduur +/- 120 dagen)
Homeostase is belangrijk = evenwicht in het inwendig milieu.
EPO word geproduceerd door de nieren en is een hormoon wat erytrocyt
productie stimuleert.
Verschillende functies erytrocyt:
Gastransport (O2 en CO2)
Biconcave vorm (groot opp. Voor veel
opname en makkelijk te vouwen om door de
vaten te kunnen.
Hemoglobine/zuurstoftransporten (1/3 van erytrocyt)
Mannen hebben meer erytrocyten dan vrouwen
Leukopoïse = aanmaak wittebloedcellen
Granulocyten (korrels in de cel)
o Neutrofielen (hebben wel korrels maar hebben een neutrale kleur. 2
tot 6 lobben)
Bij bacteriële infecties of ontstekingen
Facocyteren bacteriën.
o Eosiofielen (kenmerkende kleurende oranje roze korrels)
Vooral bij parasitaire infecties en allergische reacties.
Blijven kort in bloedsomloop, daarna naar de weefsels.
Dood parasiet door release reactieve zuurstofmetabolieten
(ROS) en cytotoxische eiwitten.
o Basofielen (Kenmerkende blauw/paarse korrels, kern niet echt meer
zichtbaar)
Vooral bij allergieën door binding aan IgE. Laat histamine vrij
wat voor allergie klachten zorgt.
Lymfocyten
o Functie is fagocytose van bacteriën (‘eet’ als het ware infecties of
ontstekingen)
Monocyten
o Bevind zich vooral in de weefsels.
o Ruimt vooral parasieten op door ‘korrels’ aan het milieu te geven.
Hierdoor valt de parasiet uit elkaar en dit kan worden ‘opgegeten)
In het bloed zitten meer erytrocyten dan leukocyten in het bloed (1:1000)
Witte bloedcellen kan je onderscheiden op basis van:
Grootte van de cel
Kleur en vorm van de kern
Kleur cytoplasma
Aanwezigheid granula
Aanwezigheid specifieke receptoren
Trombocyten = Geen cel maar meer een cel fragment.
Megakariocyt is zoals de naam al zegt mega, hierdoor is het een cel
fragement. (meeste is opgeslagen in de milt.)
Lymfocyten cellen
B-lymfocyten Voor antigeen productie