PIJN
1. Definitie van pijn
Volgens IASP:
“Een onplezierige sensorische en/of emotionele ervaring die
samenhangt met (mogelijke) weefselschade.”
Pijn is:
o een waarschuwingssignaal
o subjectief → alleen de patiënt kan het beoordelen
2. Soorten pijn
2.1 Nociceptieve pijn
Oorzaak: weefselschade (huid, spieren, botten, organen)
Mechanisme:
Prikkel → zenuw → ruggenmerg → hersenen → pijnervaring
Vormen:
Somatische pijn
o scherp, stekend, kloppend
o goed te lokaliseren
Viscerale pijn
o afkomstig uit organen
o diffuus, drukkend, krampend
Koliekpijn
o hevige aanvallen met pijnvrije periodes
o bewegingsdrang
o door krampen (bijv. gal- of nierstenen)
Behandeling:
Paracetamol
NSAID’s
Opioïden
2.2 Neuropathische pijn
Oorzaak: beschadiging van zenuwen of zenuwstelsel
Kenmerken:
1
, brandend, schietend, stekend
pijn zonder prikkel
overgevoeligheid (allodynie)
Behandeling:
minder effect van standaard pijnstillers
antidepressiva
anti-epileptica
2.3 Combinatiepijn
Nociceptief + neuropathisch komt vaak samen voor
3. Belang van goede pijnbehandeling
Slechte behandeling kan leiden tot:
o vertraagde genezing
o slechter functioneel herstel
o verminderde afweer
o chronische pijn
o invaliditeit
o hogere zorgkosten
4. Pijnbeleving
Altijd individueel en subjectief
Verschilt per persoon, zelfs bij hetzelfde letsel
Beïnvloedende factoren:
lichamelijk (bijv. ziekte, letsel)
psychologisch (angst, emoties)
omgeving
Reacties op pijn:
lichamelijk: zweten, misselijkheid, hyperventilatie
emotioneel: verdriet, wanhoop
Belangrijk:
oordeel van patiënt is leidend
2
, zorgverleners onderschatten pijn vaak
5. Pijnbeoordeling
5.1 Belang
Pijn = “vitale functie”
Nodig voor:
o juiste behandeling
o evaluatie
5.2 Meetinstrumenten
Unidimensioneel (acute pijn)
NRS (0–10) → eerste keus
VAS (lijn van 10 cm)
VRS (woorden) → beter voor ouderen
Multidimensioneel
Meet ook impact en kenmerken
Vooral bij chronische pijn
5.3 Interpretatie
NRS ≥ 4 → behandelen
NRS < 4 → meestal acceptabel
Klinisch relevante verbetering:
NRS: ≥ 1,3 punt
VAS: ≥ 13 mm
Of 30–35% afname
Belangrijk:
Vraag altijd of pijnstilling voldoende is
Cijfers alleen zijn niet genoeg
5.4 Frequentie
Afhankelijk van doel:
3
, o diagnose
o evaluatie
o monitoring
6. Factoren die pijn beïnvloeden
6.1 Angst en stress
Kunnen pijn verergeren
Goede uitleg vermindert angst en pijn
6.2 Alcohol en drugs
Beïnvloeden pijndrempel en medicatie-effect
Stimulerende middelen (bijv. cocaïne):
lagere pijndrempel → meer pijn → meer medicatie nodig
Dempende middelen (bijv. alcohol):
hogere pijndrempel → minder pijn
Extra aandacht:
kans op ontwenningsverschijnselen
gedragsveranderingen
interacties
Stimulerende middelen (uppers)
Verlagen de pijndrempel → patiënt ervaart meer pijn → vaak meer
pijnstilling nodig
Voorbeelden:
Cocaïne
Amfetamine
XTC (MDMA)
Effecten:
Verhoogde alertheid en energie
Versnelde hartslag
Meer prikkelbaarheid
Meer pijngevoeligheid
Dempende middelen (downers)
4