De volledige gebitsprothese in woord en beeld
H1: nog een paar keer goed doornemen omdat het anatomie is
H2: Reductie van het alveolaire kaakbot
Vanaf 35e neemt botmassa af (fysiologisch), eerst in trabeculaire bot, daarna ook corticale bot.
Pas als de botmassa onder kritische grens komt is er een probleem. Oa trabeculaire structuren
verdwijnen.
Osteoporose: ziekte van het skelet, gekenmerkt door een lage botmassa en verstoring van de micro-
architectuur van het botweefsel, waardoor een toegenomen fragiliteit van het bot ontstaat met een
toegenomen kans op botbreuken.
Dus: sterke afname van botmassa, met als gevolg gemakkelijk botbreuken.
Botmineraaldichtheid (BMD) kan met grote precisie worden gemeten.
Door afname BMD, kan met leeftijd ook de afname van alveolair kaakbot verklaard worden.
Tot 35e (piekbotmassa) toename van BMD, daarna geleidelijke afname. Bij vrouwen wordt tussen 50e
en 60e toename van botmassa waargenomen, waarna het verlies weer even snel gaat als bij mannen.
In bot voordurend aanmaak en afbraak. 3% trabeculaire bot omgebouwd per jaar.
Osteonen: microscopisch kleine botombouweenheden. Als na het 40e levensjaar te veel osteonen
geactiveerd zijn, is er (pathologisch) te snelle turnover, dus afbraak. Dit kan door hyperthyreoïdie etc.
Ook kan het zo zijn dat de osteoblasten door pathologish proces te langzaam werken (vaak door
langdurig gebruik van corticosteroïden).
Postmenopauzaal botverlies komt door gebrek aan oestrogeen.
Oestrogeenverlies --> Osteoclasten gestimuleerd
Zowel mannen als vrouwen hebben vanaf hun 25e daling van absolute botmassa.
Calciumtekort --> secundaire hyperparathyreoïdie --> gingivitis, tandverlies en botatrofie (kaak)
Het is gemakkelijker osteoporose te voorkomen dan te behandelen.
Risicofactoren van systematisch verlies botmassa:
Piekbotmassa: hoog botvolume op 35e, is later op de fractuurdrempel.
Postmenopauzaal botverlies: fors botverlies. Vroeg optredende menopauze is meer botverlies.
Botverlies door ziekten: veel verschillende, hypogodanisme, syndroom van Turner, vit-D-
insufficiëntie. Malabsorptie, nierinsufficiëntie,
Botverlies door medicamenten: corticosteroïden in perimenopauze Desastreus, prednison
Botverlies door gedrag en gewoonten: roken vooral bij magere vrouwen, ev. Alcoholgebruik
Botverlies door voedingsgewoonten: lage calciuminname of opname door darm, te veel uitscheiding
van calcium door te veel zout eten of te veel vlees eten. Vit D insufficiëntie bij vega peuters en
mensen die nooit buiten komen.
Factoren die een remmend effect hebben op botverlies: hypoparathyreoïdie (tragere botombouw),
obesitas bij de vrouw, thiazidan (verminderde uitscheiding calcium), fluoridering drinkwater.
,Risicoprofiel
Alles wat samen een lagere piekbotmassa veroorzaakt en fysiologische BMD verminderd op latere
leeftijd.
Preventie
Primaire preventie door identificatie van personen met een verhoogd risico.
Secundaire preventie door behandeling van patiënten met al ernstige vormen van botontkalking met
als doel de progressie tegen te gaan.
Als eenmaal BMD is afgenomen kan het vaak niet meer vergroot worden. Botmassa wordt vr 60 %
bepaald door genen, andere 40 % ziekten etc.
Niet roken!
Te vroeg in menopauze, oestrogeen toedienen. Miss bifosfonaattherapie
Deel B: specifieke oorzaken en morfologie van de voortschrijdende resorptie
Groei = osteoblasten maken meer bot aan dan osteoclasten afbreken. Zolang gebitselementen
aanwezig zijn behoud de proc alveolaris zijn vorm. Na extractie verliest de proc alveolaris
steunfunctie --> botresorptie zonder compensatie door osteoblasten. Verlies van bot is relatief het
grootst de eerste 6 maanden na de extractie, maar gaat daarna ook hard door. Gemiddeld
hoogteverlies OK = 0,4 mm pj, BK 0,1 mm pj. Ok gaat dus 4 maal zo snel als BK.
Door botverlies processus alveolaris , ontstaan scherpe kammen. Er ontstaat ook een scherpe crista
mylohyoidea, waardoor de gebitsprothese niet naar linguaal kan worden uitgebreid. Pijnlijk doordat
mucosa wordt ingeklemd. Ook foramen metale kan op de bovenzijde van de mandibula terecht
komen. Ook kan het dak van de canalis mandibularis weg gaan. De gebitsprothese ligt dan op de
nervus alveolaris, wat erg pijnlijk is.
In de BK kan hetzelfde ontstaan als het foramen incisivum op de top van het proc. alveolaris
uitmondt.
Door resorptie kunnen ook kleine scherpe doornachtige uitstekels ontstaan op de proc alveolaris,
welke erg pijnlijk kunnen zijn.
Resoptie van de onderkaak kan ingedeeld worden in verschillende klassen, beginnende bij I, met
elementen er nog in, klasse II, net na extractie, etc.
Symfysestreek (puntje kin, incisieven): eerst ontstaat scherpe kam, waarna er volledige resorptie
plaatsvindt
Premolaarstreek: ronde vorm --> scherpe kam, foramen mentale komt op de kam te liggen, crista
mylohyoïdeus blijft scherp, daarna volledige resorptie
Molaarstreek: canalis mentalis komt aan de oppervlakte te liggen (net als in P-streek). Ook scherpe
crista mylohyoïdeus.
In BK neemt de protrusie af.
Verlies van tanden is belangrijk in botverlies
In edentate kaak, geen trekkrachten op bot, alleen druk, osteoclasten krijgen de overhand.
Verschillende factoren voor botverlies:
- lokale factoren: te herleiden tot pasvorm, functioneren en gebruik gebitsprothese. :
• Het dragen van gebitsprothese zorgt voor grotere resorptie dan het niet dragen
• Goed dragende gebitsprothese levert functionele stimulatie van de proc. alveolaris op en
vertraagt de resorptie
, • Plaatsen van immediaatprothese direct na extractie heeft op de lange duur geen nega invloed
op de resorptie
• Slechte pasvorm, klemmen en bruxeren veroorzaken een ischemie van de mucosa, gevolgd
door ontsteking en daling van de pH, wat botresorptie stimuleert.
• Onvoldoende reiniging van de gebitsprothese leidt tot chemisch-toxische irritaties, die
ontstekingen in de mucosa veroorzaken met als gevolg nog meer resorptie
• Het aantal jaar edentaat zijn, draaggewoonten en botdichtheid zijn lokale factoren die het
resorptieproces beïnvloeden.
Verstoring in de vascularisatie, mindere doorbloeding (ook omdat prothese af zou klemmen) zorgt
voor meer botresorptie.
Metabool botverlies, door verkeerde voeding
Gebitsprothese heeft als doel fysiologische functies te herstellen en de gelaatsvorm te verbeteren.
Beschikbare oppervlak op proc. alveolaris voor de prothesebasis en een gezond mucoperiostium zijn
belangrijk voor het verkrijgen van genoeg:
- retentie = weerstand van prothese tegen krachten tegengesteld aan de inzetrichting)
- stabiliteit =weerstand tegen horizontale krachten
- steun = weerstand tegen verticale krachtenz
De eerste jaren na extractie kan bij veel patiënten de ideale situatie (hoge spieraanhechting en
frenula, hoog profiel, geen ondersnijdingen of botkammen, intermaxillaire relatie is bijna boven
elkaar, mucosa gezond en gelijkmatig van dikte), alleen door voortschrijdende resorptie ontstaat daar
veel verandering in.
Opp proc alv neemt af
Afstand tussen OK en BK neemt toe
Retentie wordt minder, stabiliteit neemt af en steun ook
Rela OK-BK wordt ongunstiger, want BK wordt smaller terwijl OK breder wordt.
Soms is er wel botresorptie, maar slinkt de mucosa niet mee. ‘flappy ridge’.
Door relatief te lange randen van de prothese kunnen er irritaties van de mucosa ontstaan en
hyperplasiën.
H7: afdrukprocedure voor de VP
Afdruk genomen in de mond is ‘negatief’. Het uitgieten in gips maakt hem weer positief
Afdruk moet juiste weergave zijn en leiden tot een prothesebasis met voldoende retentie
(verplaatsing in verticale richting (staat tegenover de inzetrichting), stabiliteit (horizontaal gerichte
krachten weerstaan) en steun (weerstand tegen verticale naar de kaak gerichte kauwkrachten).
Retentie is afhankelijk van mate van contact tussen de gebitsprothese en de orale weefsels,
onderhevig aan: bio en fysio factoren: adhesie, cohesie, dikte van de spleet tussen gebitsprothese en
mucosa (moet minimaal zijn, ontstaat een capillaire werking), randafsluiting, zwaartekracht (OK posi,
BK nega) en musculaire reflexen(vooral onderprothese, dislokerende spieren worden zoveel mogelijk
vermeden, terwijl de bepaalde spierreflexen de prothese op zijn plek houden).
Indirecte factoren: (die door de vorm van de prothesebasis zoveel mogelijk voorkomen worden:
- musculatuur, waardoor gebitsprothese gefixeerd of gedisloceerd kan worden
- neutrale zone, waar de gebitsprothese zijn steun van de omliggende weefsels zal krijgen
- omslagplooi, die een afsluiting van de spleet tussen de rand van de gebitsprothese en mucosa kan
waarborgen.