Week 1
Hoeksteen van EU wordt gevormd door de interne markt (art. 26 lid 2 VWEU).
Deze bestaat uit:
- Fundamentele vrijheden
o Deze verbieden lidstaten om maatregelen te nemen die het vrije
verkeer kan belemmeren.
- Mededingingsrecht
o Zorgt ervoor dat er concurrentie blijft bestaan, zodat
ondernemingen niet te groot en lui worden. Er moet een balans
bestaan tussen economische en politieke vrijheid.
▪ Kartelverbod
▪ Misbruik van dominante positie
▪ Concentratietoezicht (Verordening 139/2004)
▪ Staatsteun (art. 107 VWEU)
Verschil tussen deze twee is dat de ene is gericht tot lidstaten (zowel verticale
als horizontale rechtstreekse werking) en de ander tot ondernemingen.
Waarom hebben we de interne markt? een level playing field creëren voor
personen en bedrijven. Interne markt bevordert de vrede, veiligheid en
welvaart. Protectionisme is slecht.
Bij de fundamentele vrijheden moet er altijd sprake zijn van een
grensoverschrijdend element iets of iemand moet de grens over. Anders
kom je altijd bij het nationaal recht uit.
Doelen van het mededingingsrecht:
- Het bevorderen van de interne markt.
o Geen belemmeringen opleggen, zodat het een open markt blijft.
- Consumentenwelvaart.
o Als een bedrijf te groot wordt, dan wordt het lui en gaat het
minder innoveren, omdat er minder concurrentie is. Door te
zorgen dat bedrijven niet te groot worden, blijft innovatie hoog en
kan de consument betere producten kopen.
,Week 2 vrij verkeer van goederen
Stappenplan voor het vrije verkeer van goederen
1. Welke vrijheid is in het geding
a. Goederen = Waalse stort
i. ‘Goederen zijn alle op geld waardeerbare zaken welke
voorwerp kunnen vormen van handelstransacties.’
2. Is er sprake van een grensoverschrijdend element?
3. Is er harmonisatie?
a. Kijken naar Richtlijnen en Verordeningen. Als dit niet staat in de
casus is dit niet het geval. Dan gewoon kijken naar het VWEU.
4. Van wat soort belemmering is er sprake?
a. Tarifair = financieel.
i. Art. 30
1. Douane recht. Je betaald belasting bij de
grensovergang. Je betaalt dus echt WEGENS de
grensovergang.
2. Heffing van gelijke werking (Italiaanse) let op! Het
grensoverschrijdende element kan ook een
stadsgrens zijn etc.
ii. Art. 110 Fiscale discriminatie. Je betaalt hoe dan ook
deze belasting. De kosten worden aan iedereen opgelegd,
dus de heffing wordt niet betaald WEGENS de
grensoverschrijding (Helleense Republiek).
1. Gelijksoortige producten discriminatie is verboden.
2. Concurrerende producten protectionisme is
verboden.
a. Buitenlandse producten mogen wel een hogere
belasting hebben, maar dit mag er niet toe
dienen dat producten uit eigen land
aantrekkelijker worden (protectionisme).
i. SSNIP-test = prijs % iets verhogen, zou je
dan switchen? Ja, dan zijn het
concurrerende producten en is
protectionisme verboden.
Het duidelijke verschil tussen art. 30 en 110 VWEU is dat de last in art. 30
VWEU wordt opgelegd WEGENS de grensoverschrijding en de last in art. 110
,VWEU NIET wordt opgelegd WEGENS de grensoverschrijding. Art. 110 VWEU
gaat namelijk over binnenlandse belastingen.
b. Non-tarifair = van niet financieel aard (art. 34/35 VWEU)
i. Kwantitatieve invoer-en uitvoer beperking
1. Importverboden of invoerquota (hoeveelheden; is
deze nul, dan is dat ook verboden. Een quotum van
nul is overigens wel iets anders dan een
verkoopverbod)
a. Komen niet of nauwelijks voor in de EU.
ii. Maatregel van gelijke werking (maatregelen die op een
‘zelfde manier’ de handel tussen de lidstaten belemmeren,
niet zijnde quota).
1. Dassonville maakt het de import lastiger?
2. Is het een maatregel met of zonder onderscheid?
(Cassis de Dijon = zowel maatregelen met als zonder
onderscheid vallen onder het verbod van art. 34/35
(gelijke werking)).
a. Met onderscheid = directe discriminatie op
grond van nationaliteit.
b. Zonder onderscheid = geen direct onderscheid
op basis van nationaliteit (indirecte
discriminatie), maar vormen toch een
belemmering voor de import margarine =
kubusvorm).
c. Keck-arrest vallen producteisen en
verkoopmodaliteiten ook onder het verbod en
kunnen zij dus worden gezien als een maatregel
van gelijke werking?
i. Producteisen vallen nog steeds onder art.
34 VWEU en zijn maatregelen van gelijke
werking.
ii. Verkoopmodiliteiten vallen NIET meer
onder het verbod van art. 34 VWEU,
MITS is voldaan aan de twee
voorwaarden (ze mogen niet
discrimineren):
, 1. Geldt dit verbod voor alle
marktdeelnemers actief op het
grondgebied van de
desbetreffende lidstaat.
2. Levert het verbod zowel rechtens
als feitelijk geen discriminatie op?
(reclame maken voor buitenlandse
alcohol in Zweden is verboden. Dit
is feitelijke discriminatie, want zo
worden de Zweden nooit bekend
met buitenlandse alcohol).
Cassis de Dijon = Beginsel van wederzijdse erkenning (en dubbele last). Als
producten voldoen aan de regels in een lidstaat en daar legaal in de handel zijn
gebracht, dan moeten ze ook in de handel kunnen worden gebracht in andere
lidstaten ze mogen dus niet onderworpen worden aan een dubbele last
(dual burden).
Mickelson = overige belemmeringen het gebruik van goederen wordt
belemmerd. Het is niet discriminerend, maar wel indirect discriminerend. Het is
geen producteis en ook geen verkoopmodaliteit. Doordat het gebruik van
goederen wordt belemmerd, wordt het vrije verkeer van goederen beperkt.
- Goederen worden in landen verschillend behandeld. Goed daar naar
kijken (Distorsie).
Kan de belemmering gerechtvaardigd worden? als je een beroep doet op
een rechtvaardigingsgrond, dan mag je dus als lidstaat je eigen regels
toepassen.
1. Art. 30 douane rechten = er bestaan geen rechtvaardigingsgronden.
a. Wel drie soorten heffingen waarop art. 30 VWEU niet van
toepassing is:
i. Retributie.
- Als je erom vraagt (vrijwillig), dan wordt het niet
eenzijdig opgelegd (Italiaanse) en is het dus geen
heffing van gelijke werking. Je betaalt als
tegenprestatie voor een specifieke dienst.