VWO biologie H7: Afweer
Gezond en ziek:
Bacteriën zijn overal, slechts weinig bacteriesoorten zijn
ziekteverwekkend. Bacteriën die wel ziekteverwekkend zijn worden
pathogene bacteriën genoemd. Er zijn ook bacteriesoorten die voor
gezonde mensen onschuldig zijn (zijn niet in staat in voldoende grote
aantallen in het lichaam te dringen), deze kunnen alleen verzwakte
mensen ziek maken. Veel infectieziekten die door bacteriën worden
veroorzaakt, zijn goed te bestrijden met AB -> dit zijn stoffen die de
celwand van de bacteriën kapot maken en zo de bacteriën uitschakelen.
Bekendste AB soort is penicilline, wordt geproduceerd door een schimmel
(Penicillinum notatum). Sommige bacteriën zijn in staat om extreme
omstandigheden te overleven, doordat ze hun celwand verdikken ->
vormen dan een spore: op dat moment kunnen ze niet delen, maar zijn ze
ook moeilijk te doden. Als de omstandigheden verbeteren komen ze weer
‘tot leven’. Ziekteverwekkende bacteriën maken je ziek doordat ze giftige
stoffen uitscheiden waar het lichaam niet goed tegen kan.
Virussen:
Virussen zijn erg klein, 0,01 tot 0,2 micrometer. Veel virussen bestaan
alleen uit een eiwitmantel ofwel capside en het erfelijk materiaal ->
erfelijke materiaal is een nucleïnezuur en kan DNA of RNA zijn. Sommige
virussen hebben behalve een capside nog een tweede omhulsel ook wel
envelop genoemd, is een soort membraan die sterk lijkt op de membraan
van een cel. Een virus kan niet zelfstandig leven, zoekt een gastheer op
(bv. Slijmvliescellen van de luchtwegen) en injecteert het DNA of RNA in
die gastheercel. DNA/ RNA wordt door de cel afgelezen en de cel maakt de
eiwitten die in de code van het DNA/ RNA staan. Zo maakt de gastheercel
de eiwitten voor een nieuw virus. Als er een aantal nieuwe virussen
gevormd zijn, barst de gastheercel open en zoeken de vrijgekomen
virussen een nieuwe gastheercel. Niet bij alle virussen barsten de
gastheercellen open als ze op deze wijze virussen hebben aangemaakt,
sommige virussen verlaten de gastheercel door de celmembraan heen,
waarbij het lijkt alsof de cel een soort blaasje vormt waarin het virus zit ->
budding (knoopvorming) genoemd. Hierdoor krijgt het virus een tweede
omhulsel, namelijk de wand van het blaasje: de envelop. Dit verklaart het
feit dat de envelop wat bouw betreft lijkt op de celmembraan. Zie Binas 77
voor voorbeelden van virussen.
Niet specifieke afweer:
De algemene afweer van de mens is niet- specifiek -> is gericht op alle
binnendringende stoffen en organismen. Bestaat o.a. uit de volgende
elementen:
, Mechanische afweer. De huid en de slijmvliezen van het
gaswisseling- en verteringssysteem zijn zodanig gebouwd dat het
binnendringen van ziekteverwekkers wordt bemoeilijkt. Trilhaartjes in
de luchtwegen vervoeren ziekteverwekkers terug naar de mond waar
ze worden ingeslikt en het maagzuur in de maag doodt de
ziekteverwekkers.
Biochemische afweer. Organismen, zoals bacteriën. Kunnen
gedood worden met behulp van zuren uit zweet- en uit
maagsapklieren, of door enzymen in traanvocht en in speeksel.
Interferon, een hormoonachtige stof, remt de ontwikkeling van
virussen.
Cellulaire afweer. Er zijn verschillende witte bloedcellen die zich
richten tegen indringers en deze indringers onschadelijk kunnen
maken.
Deze witte bloedcellen reageren direct op cellen die niet lichaamseigen
zijn. Elke lichaamscel van een bepaalde persoon heeft typische
herkenningseiwitten- receptoren- op de buitenkant van de cel -> geven
aan dat de cel bij het lichaam hoort. Cellen van de aspecifieke afweer
reageren op elke cel die niet zo’n lichaam specifieke receptor heeft ->
MHC- I- eiwitten zijn hiervoor verantwoordelijk op de celmembraan, deze
eiwitten zitten op alle lichaamscellen.
Als er bv. Een wondje optreedt, kunnen hierdoor bacteriën het lichaam
binnendringen. Beschadigde weefsel maakt signaaleiwitten aan die in het
bloed terechtkomen, gaat soort alarm af in dat deel van het lichaam.
Bloedvaten verwijden, zodat er extra bloed (met ook witte bloedcellen)
naar de beschadigde plek stroomt.
Type witte bloedcellen die op dat moment een belangrijke rol spelen, zijn
macrofagen (vreetcellen genoemd). Macrofagen behoren tot de
fagocyten: cellen die andere cellen opeten en verteren. Een macrofaag
kan van vorm veranderen -> tussen cellen in de haarvaten doorkruipen en
van het bloed naar het weefsel gaan. Als de macrofagen in de weefsels
ziekteverwekkers aantreffen, sluiten ze die ziekteverwekkers in en breken
die af.
Een ander type cellen van de aspecifieke cellulaire afweer zijn de naturel-
killercellen (NK – cellen) -> zijn in staat om cellen die met een virus
geïnfecteerd zijn, te herkennen, en die cellen te doden.
Specifieke afweer:
Deze afweer is nodig als de aspecifieke afweer alleen niet voldoende is en
de ziekteverwekkers zich verspreid hebben door het gehele lichaam. Deze
afweer is in staat zich specifiek tegen die ene ziekteverwekker te richten.
Macrofagen brengen na het vernietigen van een ziekteverwekker een
herkenningsstukje van de ziekteverwekker naar de lymfeknopen ->
antigeen wordt getoond, stukje receptor aan de buitenkant van die
Gezond en ziek:
Bacteriën zijn overal, slechts weinig bacteriesoorten zijn
ziekteverwekkend. Bacteriën die wel ziekteverwekkend zijn worden
pathogene bacteriën genoemd. Er zijn ook bacteriesoorten die voor
gezonde mensen onschuldig zijn (zijn niet in staat in voldoende grote
aantallen in het lichaam te dringen), deze kunnen alleen verzwakte
mensen ziek maken. Veel infectieziekten die door bacteriën worden
veroorzaakt, zijn goed te bestrijden met AB -> dit zijn stoffen die de
celwand van de bacteriën kapot maken en zo de bacteriën uitschakelen.
Bekendste AB soort is penicilline, wordt geproduceerd door een schimmel
(Penicillinum notatum). Sommige bacteriën zijn in staat om extreme
omstandigheden te overleven, doordat ze hun celwand verdikken ->
vormen dan een spore: op dat moment kunnen ze niet delen, maar zijn ze
ook moeilijk te doden. Als de omstandigheden verbeteren komen ze weer
‘tot leven’. Ziekteverwekkende bacteriën maken je ziek doordat ze giftige
stoffen uitscheiden waar het lichaam niet goed tegen kan.
Virussen:
Virussen zijn erg klein, 0,01 tot 0,2 micrometer. Veel virussen bestaan
alleen uit een eiwitmantel ofwel capside en het erfelijk materiaal ->
erfelijke materiaal is een nucleïnezuur en kan DNA of RNA zijn. Sommige
virussen hebben behalve een capside nog een tweede omhulsel ook wel
envelop genoemd, is een soort membraan die sterk lijkt op de membraan
van een cel. Een virus kan niet zelfstandig leven, zoekt een gastheer op
(bv. Slijmvliescellen van de luchtwegen) en injecteert het DNA of RNA in
die gastheercel. DNA/ RNA wordt door de cel afgelezen en de cel maakt de
eiwitten die in de code van het DNA/ RNA staan. Zo maakt de gastheercel
de eiwitten voor een nieuw virus. Als er een aantal nieuwe virussen
gevormd zijn, barst de gastheercel open en zoeken de vrijgekomen
virussen een nieuwe gastheercel. Niet bij alle virussen barsten de
gastheercellen open als ze op deze wijze virussen hebben aangemaakt,
sommige virussen verlaten de gastheercel door de celmembraan heen,
waarbij het lijkt alsof de cel een soort blaasje vormt waarin het virus zit ->
budding (knoopvorming) genoemd. Hierdoor krijgt het virus een tweede
omhulsel, namelijk de wand van het blaasje: de envelop. Dit verklaart het
feit dat de envelop wat bouw betreft lijkt op de celmembraan. Zie Binas 77
voor voorbeelden van virussen.
Niet specifieke afweer:
De algemene afweer van de mens is niet- specifiek -> is gericht op alle
binnendringende stoffen en organismen. Bestaat o.a. uit de volgende
elementen:
, Mechanische afweer. De huid en de slijmvliezen van het
gaswisseling- en verteringssysteem zijn zodanig gebouwd dat het
binnendringen van ziekteverwekkers wordt bemoeilijkt. Trilhaartjes in
de luchtwegen vervoeren ziekteverwekkers terug naar de mond waar
ze worden ingeslikt en het maagzuur in de maag doodt de
ziekteverwekkers.
Biochemische afweer. Organismen, zoals bacteriën. Kunnen
gedood worden met behulp van zuren uit zweet- en uit
maagsapklieren, of door enzymen in traanvocht en in speeksel.
Interferon, een hormoonachtige stof, remt de ontwikkeling van
virussen.
Cellulaire afweer. Er zijn verschillende witte bloedcellen die zich
richten tegen indringers en deze indringers onschadelijk kunnen
maken.
Deze witte bloedcellen reageren direct op cellen die niet lichaamseigen
zijn. Elke lichaamscel van een bepaalde persoon heeft typische
herkenningseiwitten- receptoren- op de buitenkant van de cel -> geven
aan dat de cel bij het lichaam hoort. Cellen van de aspecifieke afweer
reageren op elke cel die niet zo’n lichaam specifieke receptor heeft ->
MHC- I- eiwitten zijn hiervoor verantwoordelijk op de celmembraan, deze
eiwitten zitten op alle lichaamscellen.
Als er bv. Een wondje optreedt, kunnen hierdoor bacteriën het lichaam
binnendringen. Beschadigde weefsel maakt signaaleiwitten aan die in het
bloed terechtkomen, gaat soort alarm af in dat deel van het lichaam.
Bloedvaten verwijden, zodat er extra bloed (met ook witte bloedcellen)
naar de beschadigde plek stroomt.
Type witte bloedcellen die op dat moment een belangrijke rol spelen, zijn
macrofagen (vreetcellen genoemd). Macrofagen behoren tot de
fagocyten: cellen die andere cellen opeten en verteren. Een macrofaag
kan van vorm veranderen -> tussen cellen in de haarvaten doorkruipen en
van het bloed naar het weefsel gaan. Als de macrofagen in de weefsels
ziekteverwekkers aantreffen, sluiten ze die ziekteverwekkers in en breken
die af.
Een ander type cellen van de aspecifieke cellulaire afweer zijn de naturel-
killercellen (NK – cellen) -> zijn in staat om cellen die met een virus
geïnfecteerd zijn, te herkennen, en die cellen te doden.
Specifieke afweer:
Deze afweer is nodig als de aspecifieke afweer alleen niet voldoende is en
de ziekteverwekkers zich verspreid hebben door het gehele lichaam. Deze
afweer is in staat zich specifiek tegen die ene ziekteverwekker te richten.
Macrofagen brengen na het vernietigen van een ziekteverwekker een
herkenningsstukje van de ziekteverwekker naar de lymfeknopen ->
antigeen wordt getoond, stukje receptor aan de buitenkant van die