VWO biologie H12 hormonen
Hormonen zijn chemische stoffen die in hormoonklieren worden gemaakt
en onder andere de afgifte van stoffen in het lichaam regelen. Hormonen
moeten steeds opnieuw gevormd worden, omdat ze door de lever worden
afgebroken.
Verschil hormoonstelsel en zenuwstelsel:
Hormonen in het hormoonstelsel verplaatsen zich via het bloed, terwijl bij
het zenuwstelsel het signaal een elektrische impuls door zenuwcellen is.
Reactie van het zenuwstelsel is veel sneller dan de reactie van het
hormoonstelsel. Een hormoonsignaal daarentegen blijft langer bestaan: de
hormonen blijven een tijdje in de bloedbaan circuleren. Een effect van het
zenuwstelsel stopt zodra het signaal niet meer verstuurd wordt.
Doelwitcellen:
Elke doelwitcel in het lichaam heeft specifieke bindingsplaatsen ->
receptoren waaraan een hormoon zich kan vasthechten. De ruimtelijke
structuur van een receptormolecuul biedt de mogelijkheid tot aanhechting
van maar een specifiek hormoon (sleutel- slotprincipe). Een cel kan
doelwitcel zijn voor verschillende hormonen; er kunnen dan ook meer
typen receptoren per cel aanwezig zijn; per orgaan zijn er vele
doelwitcellen. Meestal komen per doelwitcel honderden receptoren voor
een hormoon voor, zodat het hormoon al in lage concentratie werkzaam
kan zijn.
Hormoonklieren:
Deze geven stoffen af aan het bloed. De grondstoffen voor de hormonen
worden uit het bloed gehaald, de producten worden aan het bloed
afgegeven, zonder dat daar een afvoerbuis aan te pas komt. De
doelwitorganen reageren op de aanwezige hormonen in het bloed, is deze
te laag dan reageert het doelwitorgaan niet.
Zie binas 89A voor alle hormoonklieren en de hormonen die hun
produceren.
Hypothalamus en hypofyse:
In het lichaam werken het zenuwstelsel en het hormoonstelsel nauw
samen. Soms worden hormonen geproduceerd en afgegeven en soms
gebeurt dit via een releasing hormoon: een hormoon dat een ander
hormoon laat vrijkomen. Het centrale zenuwstelsel stuurt via de
hypothalamus signalen naar de hypofyse -> voornaamste hormoonklier
(regelcentrum van het hormoonstelsel). Hypothalamus regelcentrum van
autonome zenuwstelsel.
, Negatieve feedback:
Veel hormonen moeten altijd in een bepaalde hoeveelheid in het bloed
zitten -> lichaam meet dit en geeft een signaal als het hormoon meer
aangemaakt moet worden, als er voldoende is moet dit signaal weer
stoppen. Hypothalamus stuurt dit signaal naar de hypofyse, de hypofyse
produceert vervolgens het hormoon. Als het eigen systeem geremd
wordt= negatieve feedback.
Positieve feedback:
De meeste hormonen worden geregeld door negatieve feedback. Positieve
feedback: het effect van een hormoon zorgt ervoor dat er nog meer van
dat hormoon wordt gemaakt. Bv. Bij oxytocine (zorgt o.a. voor melkafgifte
van de borst) als een baby aan de borst gaat zuigen stimuleert dat de
afgifte van oxytocine door de hypofyse.
Regeling van stofwisseling:
Een belangrijk hormoon hierin is thyroxine, gemaakt door de schildklier -
> beïnvloedt groei en stofwisseling in rust, doordat het de dissimilatie van
glucose in de cellen bevordert. Ook bevordert het de synthese van
eiwitten. Te grote afgifte van thyroxine: te snelle stofwisseling,
vermagering en te grote activiteit. Te weinig afgifte: groeiachterstand,
lichamelijke en geestelijke traagheid.
Ook het groeihormoon, afgegeven door de hypofyse is belangrijk bij de
stofwisseling -> bevordert de groei van kraakbeen, been en spieren.
Regeling van de bloedsuikerspiegel:
Bloedglucosegehalte: gemiddelde hoeveelheid glucose die zich in het
bloed bevindt (zo’n 0,1%). In het bijniermerg wordt vooral bij spierarbeid
meer adrenaline vrijgemaakt als de bloedsuikerspiegel te laag is. Snel
wordt glycogeen in de lever en spieren omgezet in glucose.
Bij een te lage suikerspiegel wordt door de a- cellen in de eilandjes van
Langerhans meer glucagon afgegeven. Deze stimuleert lever en spieren
om meer glucose aan het bloed af te geven. Bloedsuiker wordt hoger.
Bij een te hoge suikerspiegel dan gaan de B- cellen in de eilandjes van
Langerhans meer insuline afscheiden -> deze maakt de celmembraan
van lever- en spiercellen beter doorlaatbaar voor glucose, zodat deze het
voor dissimilatie kunnen gebruiken. Ook zet het levercellen aan om
enzymen te vormen voor de omzetten van glucose in glycogeen en vet ->
worden opgeslagen als reservestof. Bloedsuiker wordt lager.
Hormonen zijn chemische stoffen die in hormoonklieren worden gemaakt
en onder andere de afgifte van stoffen in het lichaam regelen. Hormonen
moeten steeds opnieuw gevormd worden, omdat ze door de lever worden
afgebroken.
Verschil hormoonstelsel en zenuwstelsel:
Hormonen in het hormoonstelsel verplaatsen zich via het bloed, terwijl bij
het zenuwstelsel het signaal een elektrische impuls door zenuwcellen is.
Reactie van het zenuwstelsel is veel sneller dan de reactie van het
hormoonstelsel. Een hormoonsignaal daarentegen blijft langer bestaan: de
hormonen blijven een tijdje in de bloedbaan circuleren. Een effect van het
zenuwstelsel stopt zodra het signaal niet meer verstuurd wordt.
Doelwitcellen:
Elke doelwitcel in het lichaam heeft specifieke bindingsplaatsen ->
receptoren waaraan een hormoon zich kan vasthechten. De ruimtelijke
structuur van een receptormolecuul biedt de mogelijkheid tot aanhechting
van maar een specifiek hormoon (sleutel- slotprincipe). Een cel kan
doelwitcel zijn voor verschillende hormonen; er kunnen dan ook meer
typen receptoren per cel aanwezig zijn; per orgaan zijn er vele
doelwitcellen. Meestal komen per doelwitcel honderden receptoren voor
een hormoon voor, zodat het hormoon al in lage concentratie werkzaam
kan zijn.
Hormoonklieren:
Deze geven stoffen af aan het bloed. De grondstoffen voor de hormonen
worden uit het bloed gehaald, de producten worden aan het bloed
afgegeven, zonder dat daar een afvoerbuis aan te pas komt. De
doelwitorganen reageren op de aanwezige hormonen in het bloed, is deze
te laag dan reageert het doelwitorgaan niet.
Zie binas 89A voor alle hormoonklieren en de hormonen die hun
produceren.
Hypothalamus en hypofyse:
In het lichaam werken het zenuwstelsel en het hormoonstelsel nauw
samen. Soms worden hormonen geproduceerd en afgegeven en soms
gebeurt dit via een releasing hormoon: een hormoon dat een ander
hormoon laat vrijkomen. Het centrale zenuwstelsel stuurt via de
hypothalamus signalen naar de hypofyse -> voornaamste hormoonklier
(regelcentrum van het hormoonstelsel). Hypothalamus regelcentrum van
autonome zenuwstelsel.
, Negatieve feedback:
Veel hormonen moeten altijd in een bepaalde hoeveelheid in het bloed
zitten -> lichaam meet dit en geeft een signaal als het hormoon meer
aangemaakt moet worden, als er voldoende is moet dit signaal weer
stoppen. Hypothalamus stuurt dit signaal naar de hypofyse, de hypofyse
produceert vervolgens het hormoon. Als het eigen systeem geremd
wordt= negatieve feedback.
Positieve feedback:
De meeste hormonen worden geregeld door negatieve feedback. Positieve
feedback: het effect van een hormoon zorgt ervoor dat er nog meer van
dat hormoon wordt gemaakt. Bv. Bij oxytocine (zorgt o.a. voor melkafgifte
van de borst) als een baby aan de borst gaat zuigen stimuleert dat de
afgifte van oxytocine door de hypofyse.
Regeling van stofwisseling:
Een belangrijk hormoon hierin is thyroxine, gemaakt door de schildklier -
> beïnvloedt groei en stofwisseling in rust, doordat het de dissimilatie van
glucose in de cellen bevordert. Ook bevordert het de synthese van
eiwitten. Te grote afgifte van thyroxine: te snelle stofwisseling,
vermagering en te grote activiteit. Te weinig afgifte: groeiachterstand,
lichamelijke en geestelijke traagheid.
Ook het groeihormoon, afgegeven door de hypofyse is belangrijk bij de
stofwisseling -> bevordert de groei van kraakbeen, been en spieren.
Regeling van de bloedsuikerspiegel:
Bloedglucosegehalte: gemiddelde hoeveelheid glucose die zich in het
bloed bevindt (zo’n 0,1%). In het bijniermerg wordt vooral bij spierarbeid
meer adrenaline vrijgemaakt als de bloedsuikerspiegel te laag is. Snel
wordt glycogeen in de lever en spieren omgezet in glucose.
Bij een te lage suikerspiegel wordt door de a- cellen in de eilandjes van
Langerhans meer glucagon afgegeven. Deze stimuleert lever en spieren
om meer glucose aan het bloed af te geven. Bloedsuiker wordt hoger.
Bij een te hoge suikerspiegel dan gaan de B- cellen in de eilandjes van
Langerhans meer insuline afscheiden -> deze maakt de celmembraan
van lever- en spiercellen beter doorlaatbaar voor glucose, zodat deze het
voor dissimilatie kunnen gebruiken. Ook zet het levercellen aan om
enzymen te vormen voor de omzetten van glucose in glycogeen en vet ->
worden opgeslagen als reservestof. Bloedsuiker wordt lager.