Economie hoofdstuk 1.................................................................................2
1.1................................................................................................................2
1.2................................................................................................................3
1.3................................................................................................................4
1.4................................................................................................................5
1.5................................................................................................................8
Economie hoofdstuk 2................................................................................10
2.1..............................................................................................................10
2.2..............................................................................................................12
2.3..............................................................................................................15
2.4..............................................................................................................16
Economie hoofdstuk 3................................................................................18
3.1..............................................................................................................18
Economie hoofdstuk 4................................................................................21
4.1..............................................................................................................21
4.2..............................................................................................................23
4.3..............................................................................................................27
4.4..............................................................................................................32
4.5..............................................................................................................36
Economie hoofdstuk 5................................................................................39
5.1..............................................................................................................39
5.2..............................................................................................................42
5.3..............................................................................................................44
Economie hoofdstuk 6................................................................................45
6.1..............................................................................................................45
6.2..............................................................................................................49
6.3..............................................................................................................52
1
, Economie hoofdstuk 1
Samenvatting
1.1
1e levens behoeftes
goederen en diensten die nodig zijn om te overleven.
Luxe behoeftes
goederen en diensten die gebruikt worden om het leven makkelijker te
maken.
Een schaarste is de verhouding van de beperkte hoeveelheid middelen
(middelen van een mens zijn geld en tijd) tegenover de onbeperkte
behoeftes. Er moeten keuzes gemaakt worden over financiële instellingen.
In de economie zijn goederen en diensten schaars als er
productiemiddelen aan worden besteed om ze te kopen of te maken.
In de economie worden modellen gebruikt om de werkelijkheid te
beschrijven, bijvoorbeeld de budgetlijn. Ieder punt om die lijn geeft aan
hoeveel kan uitgegeven worden aan twee producten (is een
vereenvoudiging van de werkelijkheid). Het weergeeft alle combinaties
van bestedingen mogelijkheden. De opofferingskosten zijn de opbrengsten
van het alternatief waar je niet voor kiest. Als je voor het ene kiest kan je
niet de ander kiezen. Er zijn 2 vormen van verandering in de budgetlijn
1. Prijs veranderd ( verandering in de helingshoek -> y-as
verschuift.)
2. Budget veranderd (verschuiving van de lijn -> evenwijdig.)
Formule :
Budget= P.1 x q.1 + P.2 x
q.2
P= prijs
q= aantal
Kan worden gebruikt door vergelijking op te stellen.
Directe ruil: goederen voor goederen (zonder tussenstapjes) .
Indirecte ruil: geld voor goederen (met tussenstapjes) .
2
,Chartaal geld -> contant
Giraal geld -> digitaal geld
Geld heeft 3 functies; als ruilmiddel, als rekeneenheid (waarde
uitdrukken), oppotmiddel (sparen en mogelijkheid van consumptie stellen).
Een grondstof legt een lange weg af voordat een consument een product
koopt, dit word weergeven in een bedrijfskolom. Elk onderdeel word een
schakel genoemd en voegt waarde toe. Hoe meer schakels hoe hoger de
prijs kan worden opgesteld. De prijs word ook bepaald door de totale kost
van leveringen van derden; grondstoffen, hulpstoffen en diensten van
derden (bv juridisch advies of transport).
Omzet is de prijs x aantal. En het verschil tussen de omzet en de totale
kosten word de toegevoegde waarde genoemd (dat is dus de
hoeveelheid een productie moest bijdragen).
Vormingen van verandering in de bedrijfskolom:
Integratie- bedrijfskolom word korter doordat de arbeidsverdeling
minder word.
Differentiatie- bedrijfskolom word langer doordat de
arbeidsverdeling groter wordt.
Specialisatie- een onderneming richt zich op het maken of
verkopen van een specifieke productsoort.
Parallellisatie- de bedrijfskolom word breder doordat een
onderneming verschillende soort producten gaat aanbieden.
1.2
Procentuele aandeel:
(deel/geheel) x 100%
Procentuele verandering:
((nieuw-oud) / oud) x 100%
Onderscheid tussen procent en procentpunt:
Een procent is een honderdstee deel
Een procentpunt is het absolute verschil tussen twee percentages
Verschil tussen procent en promille:
0,1% = 1promile
Absolute getallen als indexcijfer:
3
,(waarde/basiswaarde) x 100%
Een indexcijfer is een verhoudingsgetal. En word gebruikt om een
verdeling van grootheid te bekijken. Een indexcijfer word altijd als absoluut
getal genoteerd en berekend ten opzichte van een basisjaar. (word altijd
gelijk gesteld aan 100 en is het startpunt.
1.3
Primaire inkomens (met tegenprestatie ) :
Inkomen uit arbeid -> verricht arbeid (hiervoor krijg je loon).
inkomen uit vermogen -> verdienen zonder te werken zoals rente, huur
(bij grond = pacht) en winst.
Overdrachtsinkomens (zonder tegenprestatie) :
belangrijkste voorbeelden hiervoor zijn
- Toeslagen -> een tegemoetkoming van de belastingdienst indien
nodig.
- Uitkeringen (uitkering van de sociale verzekering) -> systeem in
Nederland om ervoor te zorgen dar er sociale zekerheid is over een
verzekering van een bepaald inkomen. Voorbeelden: AOW, ZW, WW.
Secundaire inkomen is het besteedbare inkomen (dit kan uitgegeven
worden)
Primair inkomen – belasting en premie + overdracht inkomens =
secundaire inkomen
Wanneer er spraken is van een inflatie neemt de koopkracht (hoeveelheid
goederen en diensten je kunt kopen met je inkomen) af. De oorzaken van
dit begrip kan komen door:
- Inflatie -> stijging van de prijs (geld word onwaardig – minder
waardig)
4
, - Hyperinflatie -> extreme stijging van de prijs ( ontstaat doordat
groei hoeveelheden geld niet in verhouding staat met de
economische groei )
- Deflatie -> daling van de prijs
Inflatie word berekend doormiddel van het
consumentenprijsindexcijfer. Hierbij word elk product enkelvoudig of
partieel met de prijsindexcijfer berekend en krijg ieder product een
wegingsfactoor dat aangeeft hoe belangrijk dit product is en word
daarna samen gewogen tot een samengesteld prijsindexcijfer. Hoe
groter het aandeel, hoe zwaarder de productgroep meetelt in de
berekening van het CPI. En word berekend ten opzichten van het
basisjaar in vergelijking met andere jaren.
Met samenhang op stijging van prijzen
- Reëel inkomen – koopkracht verander – hoeveelheid goederen
besteedbaar zijn.
- Nominaal inkomen – inkomen in euro’s
- Inflatie – door middel van stijging
Prijscompensatie zorgt ervoor dat de gestegen prijzen gecompenseerd
worden met je loon .
Procentuele verandering van het inkomen:
reëel verandering= nominale verandering van het inkomen - inflatie
1.4
2 vormen van inkomen
Primaire inkomens:
Geld dat binnenkomt waar moeite voor gedaan is (tegenprestatie). Loon,
huur, rente, pacht, winst. Dit word gemeten in een periode.
Overdrachtsinkomens:
Geld dat binnenkomt zonder moeite (zonder tegen prestatie). Sociale
uitkeringen en toeslagen. Dit word gemeten in een bepaald moment.
5
,Vermogen is gelijk aan de waarde van bezittingen vermindert met
schulden
Vermogen en inkomens zijn volledig afhankelijk van elkaar. Als de een
stijgt, stijgt de ander ook en als de een daalt, dan daalt de ander ook. Dat
komt omdat de bezittingen divers zijn over de verandering van de
inkomen. Ook als de vermogen stijgt, stijgt de inkomen ook door
bijvoorbeeld toename van rente of huurinkomsten.
Financiële levensloop is de fases die je financieel door gaat in je
levensloop en word samengesteld door uitkomsten van; inkomen,
vermogen, sparen en lenen. en financiële levensloop geeft de ontwikkeling
van inkomen en vermogen over de tijd.
Je ondergaat verschillende financiële fases in je levensloop:
Fase 1
in je jeugd is er geen sprake van inkomen maar wel spraken van
consumptie en je ouders kosten je levensonderhoud. Het vermogen is
vrijwel negatief in deze fase.
Fase 2
In je werkzame leven verdien je meer dan je consumeert en heb je de
mogelijkheid om te sparen. Het vermogen is hier hoog.
Fase 3
in je pensionering heb je geen werk maar consumeer je wel. Door onder
anderen van gebruik van gezondheid zorg.
Je werkt voor elkaar en er is spraken van ruilen over tijd. En daar zijn ook
voorbeelden van:
6
,Mensen met een lage tijdsvoorkeur hebben behoeften aan sparen en
zetten hun geld op een bank. De bank (tussenpersoon) leent dit geld weer
uit aan mensne met een hoge tijdvoorkeur met behoeftes aan lenen. er
zijn risico’s die en bank moet ondernemen tijdens het uitlenen van geld en
dat word voorzien in de vorming van rente. Hoe hoger de risico (lening
zonder onderpand) hoe hoger de rente. Er zit geen toegevoegde waarde
als het gaat om een consumptief krediet (uitgave aan consumptie zoals
bijvoorbeeld een auto) , z’n krediet gaat meestal om een aanschaf die
geen vaste waarde heeft en er is dus meer kans op wanbetaling, uitstelling
of inflatierisico.
een hypotheek lening is vaak bedoeld voor aanschaf van een woning of
pand (lening met een onderpand), als de lener de aflossing niet kan
betalen mag de bank het pand gedwongen verkopen. Hierin is veel
zekerheid en dus lage rente. Met een rentevaste periode.
Reële rente:
Nominale waarde
de rente die je ontvangt of betaald in euro’s
Inflatie:
stijging van de prijzen
reële waarde:
de koopkracht, de waarde daalt door inflatie en spaargeld en uitgeleend
geld verliest ook waarde.
Reële rente = nominale waarde – inflatie
Er zijn 2 spaarvormen voor risico avers (mensen die niet van risico
houden)
1. Bij een spaardeposito is de interestpercentage vast (er kan dus
niet in de lopende duur verandering in komen) en dit word berekend
in over het oorspronkelijk ingelegde bedrag -> enkelvoudige
interest. De looptijd is vast en geld bijstorten of opnemen is niet
mogelijk. (met uitzonderingen maar anders een boete).
2. Bij een spaarrekening is de interestpercentage variabel (er kan dus
wijziging in komen in de jaren) en dit word bereken over het
ingelegde bedrag plus de bijgeschreven “rente op rente” ->
Samengestelde interest. De looptijd is variabel en dat zorgt
ervoor dat er voor dat er veel onzekerheid is bij de bank en de
interestpercentage hoger word.
7
, Een samengestelde interest kan berekend worden door de
vermenigvuldigings- factor met een macht van de hoeveelheid tijd.
1.5
Sociale verzekering -> verzekering die door de overheid verzorgt word.
Particuliere verzekering -> verzekering die mensen op hun eigen initiatief
sluiten.
Schade verzekering -> verzekerd tegen de financiële
gevolgen van schade.
Levensverzekering -> verzekerd tegen het financiële risico
als gevolg van overlijden.
De keuze voor verzekering hang af van 3 factoren:
1. Mensen houden niet van risico. (risicomijdend) deze mensen
worden risico-avers genoemd en zijn meestal verzekerd.
2. Afweging tussen kosten en inkomen. Is het t waard?
3. Voldoende beschikkingen.
De prijs van de maandelijkse afbetaling (premies) is afhankelijk van de
hoeveelheid mensen schade toe dienen, en kan berekend worden door.
Premie = kans op schade x (schadelast – eigen risico)
Mensen die weinig schade claimen betalen relatief meer dan mensen die
veel schade claimen, dit word solidariteit. Dit komt de verzekerde te weten
door de asymmetrische informatie.
Moral hazzard is de verandering in gedrag van mensen als ze niet direct
risico lopen op de financiële gevolgen. Dit kan op lossen door invoering
8
, van; Eigen risico, deel zelf betalen, bonus malus, korting ontvangen bij
geen schade claim, uitsluiten, bepaalde soorten schade gedeeltelijk of
geheel uitsluiten van vergoeding, maximum vergoeding, de schade
wordt tot een bepaald maximum vergoed.
Averechtse selectie is de overeenkomst tussen goede risico’s (mensen
die geen schade claimen) en tussen slechte risico’s (mensen die veel
schade claimen). Als de goede risico’s verdwijnen door te hoge
verzekering blijven er alleen nog aar slechte risico’s over die veel schade
opleveren en dus ook aan de verzekering waardoor een verzekering failliet
kan gaan. Kan oplossen door invoering van; premiedifferentiatie,
verschillende premie vraagt aan gerichte doelgroepen, risicoselectie,
manieren om goede risicos aan te trekken, collectieve dwang, verplichte
verzekering die iedereen moet betalen om de averechtse selectie te
voorkomen zoals bijvoorbeeld bij de zorgverzekering (iedereen moet de
basis verzekering betalen -> verplichte ziektekostenverzekering). Een
aanvullende verzekering -> vrijwillige aanvullende verzekering.
Uniforme premie: iedereen meot hetzelfde bedrag betalen.
Bonus-malus ladder: een tabel die per trede de korting op de premie
laat zien e de toekomstige treden toont als een verzekerde wel of geen
schade claimt.
9