Complexe problematiek in zorg en
onderwijs
College 1:
Systeem
= Een set van componenten die met elkaar samenhangen en elkaar
beïnvloeden.
Eenvoudige of ingewikkelde systemen
= Kun je begrijpen en fixen door ze uit elkaar te halen en de losse
onderdelen en hun interactie te bestuderend. Grote kans op succes bij
het volgen van de procedure en toenemende ervaring.
Complex systeem
= Een geheel van onderdelen die met elkaar interacteren en samen
gedrag vormen dat niet te begrijpen is door alleen naar de losse
onderdelen te kijken. Twee kernprincipes:
⁃ Zelforganisatie
⁃ Emergentie
Levendige systemen zijn altijd complex, maar ook sociale systemen.
Zelforganisatie
= Patronen ontstaan door interacties tussen onderdelen, zonder
centrale controle/ regie.
Emergentie
= Nieuw patroon ontstaat uit interacties tussen componenten, die niet
te verklaren is vanuit één component. Dus nieuwe eigenschappen
ontstaan op systeem niveau, die niet bestaan op individueel niveau.
Emergente eigenschappen zijn eigenschappen die spontaan ontstaan
door een samenvoeging van een aantal verschillende elementen.
Complexe systeem benadering
= Ziet gedrag als:
⁃ Dynamisch
⁃ Interactief
⁃ Veranderend over tijd
⁃ Afhankelijk van context
Symptomen veroorzaken elkaar.
,Interdependentie
= Wederzijdse afhankelijkheid. Je kunt de dingen niet uit elkaar halen,
want ze zijn aan elkaar gelinkt en afhankelijk van elkaar.
Attractor
= Een stabiel gedragspatroon waar een systeem steeds naar
terugkeert. Kenmerken:
⁃ Stabiel
⁃ Moeilijk te veranderen
⁃ Keert terug na verstoring
Transitie (overgang)
= Een plotselinge overgang van de ene attractor naar een andere
attractor.
Tipping point
= Het moment waarop een systeem plots verandert van toestand.
Fase overgang
= Destabilisatie waarbij het landschap verandert en het ‘balletje’ naar
een andere plaats gaat.
Early warning signals
= Voorafgaand aan een fase transitie zie je vaak:
⁃ Meer variatie in gedrag
⁃ Langzamer herstel na verstoring
Repair
= Herstel. Wanneer een dyadisch systeem zich kan herstellen na een
bepaalde attractor.
Netwerk/ feedback loops
= Bestaat uit:
⁃ Nodes = onderdelen. Kunnen allemaal verschillende factoren zijn.
⁃ Edges/ connecties = verbindingen tussen nodes. Beschrijft hoe de
verschillende nodes op elkaar inwerken.
Reïnforcing loops (positieve feedback loops)
= De dingen versterken elkaar. Zorgt voor exponentiële groei. Kan het
systeem destabiliseren.
, Balancing loops (negatieve feedback loops)
= Zorgt voor stabiliteit. Brengt het weer in balans.
Agent based models
= Zijn stimulaties waarin individuen (agents) elkaar beïnvloeden.
Fractal scaling
= Variatie in gedrag volgt een specifiek patroon over tijd (bijv.
Hartslag, reactietijd).
Pink noise
= Een speciaal patroon dat samenhangt met:
⁃ Gezondheid
⁃ Optimale werking
⁃ Goede prestatie
Sensitive dependence on initial conditions
= Complexe systemen zijn vaak:
⁃ Moeilijk voorspelbaar
⁃ Gevoelig voor kleine veranderingen
Idiosyncratisch
= Uniek per individu.
Emergent
= Zomaar tevoorschijn treden, plotseling.
Interactie dominante causaliteit
= Complexiteit. Gedrag ontstaat uit interacties, is niet-lineair, heeft
feedbackloops, meerdere tijd- en schaalniveaus en wisselen van rol.
Resilience (volgens complexiteit)
= Het vermogen van een systeem om een toestand te behouden,
ongeacht of die toestand gezond is of juist pathologisch. Dus de
stabiliteit van een toestand.
Adaptatie
= Herstructurering van het systeem.
Therapie