KWALITATIEVE ONDERZOEKSMETHODEN
Les 1 inleiding: hoofdstuk 3 handboek lezen! (acco), Eerste 2 hoofdstukken niet te kennen ( wel handig om te
lezen)
LES 1: INLEIDING
Examen: inzichtsexamen -> meerkeuze vragen niet theoretische details: wel vragen die pijlen naar het
begrijpen van de leerstof: onderliggende logica van kwalitatief onderzoek
WAT IS KWALITATIEF ONDERZOEK
Kwalitatief onderzoek kernwoorden: interviews, focusgroepen, tijdrovend, inhoudsanalyse..
Kwalitatief onderzoek kan numeriek zijn maar is dat meestal niet , ook statistiek kan in theorie maar niet
eerste analyse die men zou gebruiken ( amper gebruikt)
Kwalitatief onderzoek gaat uit van complexiteit: wereld is moeilijk: al de nuance en complexiteit: als we
sociale wereld echt willen begrijpen dan moeten we deze complexiteit zoveel mogelijk bewaren en gebruiken
in onderzoek <-> kwantitatief onderzoek: complexiteit gaan reduceren tot kwantificeerbare meetbare
indicatoren
Kwalitatief onderzoek gaat uit van de complexiteit van de realiteit, en gaat deze dus niet reduceren tot
gekwantificeerde factoren
Jarred hayes: the duck of Minerva: onderzoeksblog: ‘kwalitatief onderzoek bestaat niet’: dingen met
interviews en woorden: kern kwalitatief onderzoek: weigeren reduceren van realiteit tot iets eenvoudig
meetbaar
Positivisten: vaak kwalitatieve onderzoekers: denken dat alles met woorden kwalitatief onderzoek is, maar als
je hiermee de complexiteit reduceert ben je niet meer kwalitatief bezig
ACADEMICI VERSCHILLEN VAN MENING OVER…
- Ontologische en epistemologische grondslagen van het onderzoek
o Ontologie en epistemologie: onderzoek waar men niet graag mee bezig is ‘ er is geen correct
antwoord’
o Ontologische en epistemologische vragen :’ wat is de realiteit’: antwoord dat je bepaalt,
bepalen voor groot deel ook de rest van het onderzoek: hoe je data gaat verzamelen,..
- De rol en invulling van theorieën en concepten
- De keuze en het gebruik van methodologie
- De kracht en validiteit van het empirisch bewijs
- De conclusies en implicaties die uit een analyse kunnen worden getrokken
WAAROM EPISTEMOLOGIE EN ONTOLOGIE?
- Onderzoekers maken altijd (expliciet of impliciet) ontologische en epistemologische keuzes die hun
methodologische keuzes onderbouwen.
o Ontologie → Epistemologie → Methodologie
1
, - Er is geen “goede” of “slechte” positie, maar er kunnen wel inconsistente keuzes worden gemaakt
o Ratio treinvertraging en te laat in de les ( onderzoeksvraag) -> is kwantitatief: je gaat proberen
het ‘te laat zijn’ ga je reduceren tot iets meetbaar en statistisch te bekijken naar de correlatie
met te laat in de les
▪ Absoluut geen enkele zin om 10 interviews te gaan afleggen ( is niet fout maar
inconsistente keuze)
o Inconsistente keuzes -> snelste weg naar een onvoldoende in paper
DIRECTIONAL DEPENDENCE MODEL ( HAY 2002)
Hay: alles hangt samen
- Wat we kunnen weten over realiteit wordt mee vormgegeven door onze eigen vormgeving: stel dat je
zegt dat realiteit een interactie is kun je methodologisch niet objectief gaan analyseren (inconsistent)
- Methodologische keuzes maken zodat je positie van jezelf als onderzoeker erkent en complexe
samenhang meenemen in analyse
POSITIVISME VS INTERPRETIVISME
Positivisme Interpretivisme
- Objectief meetbaar - Subjectivisme ‘ mijn realiteit is niet jouw realiteit ‘
- Verklaren van wereld ( wetmatigheden: wet - Begrijpen ( betekenisgeving) : proberen te zien welke
zwaartekracht…) betekenis mensen geven aan hun gedrag
- Sociale gedrag van mensen hangt samen met - Inductief : eerst met mensen gaan praten, proberen
wetmatigheden die wij kunnen identificeren complexiteit mee te nemen en patroon tussen
- Deductief werken: starten vanuit theoretische verhalen zoeken: daaruit een soort theorie
abstracte realiteit: proberen hypotheses te ontwikkelen
poneren en dan te testen met vaak - Kwalitatief ( complexiteit)
kwantitatieve methodes - Betrouwbaarheid van onderzoek: repliceerbaarheid
- Kwantitatief (reductie) is onmogelijk, ook generaliseerbaarheid onmogelijk.
- Validiteit : in hoeverre kunnen mensen ervan Betrouwbaarheid van onderzoek van belang en
uitgaan dat wat jij zegt klopt: correcte date, geloofwaardigheid van claims
goede kwaliteit en analyses/// Kernpunt - Transfereerbaarheid: exacte claims kunnen niet
validiteit : repliceerbaarheid (komen anderen blindelings overgezet worden maar wat wel kan is de
tot zelfde resultaten) + generaliseerbaarheid ( context dat vergelijkbaar is met de context van ander
veralgemenen van data) onderzoek: inzichten transferen/ overdragen naar
- Comte als vader van positivisme andere gelijkaardige context
2
, - Dilthey:
- Het enige dat objectief vast te stellen is, zijn
individuen binnen sociale relaties
- Algemene wetten in sociale wetenschappen =
onmogelijk
- Hermeneutiek
Weber:
- Betekenisgeving bij de sociale actoren
- ‘verstehen’ en zo tot algemene modellen komen =
‘ideaaltypen’
Geen muur tussen beide: vaak vanuit kwalitatief onderzoek (inductieve theorie) verder gebruikt in kwantitatief
onderzoek : theorie wordt getoetst
Vier paradigma’s
Nuancering: er zijn ook kwalitatieve benaderingen die zich heel positivistisch gedragen
Morgan en Smirnich spreken van dichotomie als een continuüm
Continuüm van objectivistische benadering in sociale wetenschappen tot subjectivistische
benadering
o Objectivistische benadering: wereld bestaat buitend e mens en kan op objectieve wijze
gekend worden
o Subjectivistische benadering: reële wereld bestaat niet en is enkel projectie van
menselijke verbeelding
Ze werken continuüm uit adhv 3 centrale begrippen (3 fundamentele vragen):
o Ontologische vraag: wat is de realiteit?
o Epistemologische vraag: hoe is kennis over die realiteit mogelijk?
o Methodologische vraag: hoe kan een onderzoeker iets te weten komen over wat hij denkt
dat er te kennen valt?
Sinds jaren 70 nieuwe grote perspectieven die zeggen dat scheidingslijn niet werkt: geen enkele positivist is
puur positivist: er zijn mengvormen: voorbeelden:
POSITIVSME EN POSTPOSITIVISME
Positivisme:
- Ontologisch
o Realiteit bestaat en is onderhevig aan natuurwetten en mechanismen
- Basis van paradigma is reductionistisch en deterministisch
o Reductionistisch: reduceert wereld tot wiskundige wetmatigheden
o Deterministisch: weinig oog voor ontwikkeling en evolutie in wereld
- Epistemologisch: gebaseerd op wat een dualistische en objectivistische visie genoemd wordt ->
onderzoeker & studieobject zijn onafhankelijke entiteiten
Postpositivsime
o Aangepast Dualisme -> (dualisme = strikte scheiding tussen mens en onderzoeksobject) ->
aangepast: het naast elkaar gebruiken van verschillende onderzoekstechnieken om
hypothesen te falsifiëren: zowel kwantitatieve als kwalitatieve technieken (multiplisme)
3
Les 1 inleiding: hoofdstuk 3 handboek lezen! (acco), Eerste 2 hoofdstukken niet te kennen ( wel handig om te
lezen)
LES 1: INLEIDING
Examen: inzichtsexamen -> meerkeuze vragen niet theoretische details: wel vragen die pijlen naar het
begrijpen van de leerstof: onderliggende logica van kwalitatief onderzoek
WAT IS KWALITATIEF ONDERZOEK
Kwalitatief onderzoek kernwoorden: interviews, focusgroepen, tijdrovend, inhoudsanalyse..
Kwalitatief onderzoek kan numeriek zijn maar is dat meestal niet , ook statistiek kan in theorie maar niet
eerste analyse die men zou gebruiken ( amper gebruikt)
Kwalitatief onderzoek gaat uit van complexiteit: wereld is moeilijk: al de nuance en complexiteit: als we
sociale wereld echt willen begrijpen dan moeten we deze complexiteit zoveel mogelijk bewaren en gebruiken
in onderzoek <-> kwantitatief onderzoek: complexiteit gaan reduceren tot kwantificeerbare meetbare
indicatoren
Kwalitatief onderzoek gaat uit van de complexiteit van de realiteit, en gaat deze dus niet reduceren tot
gekwantificeerde factoren
Jarred hayes: the duck of Minerva: onderzoeksblog: ‘kwalitatief onderzoek bestaat niet’: dingen met
interviews en woorden: kern kwalitatief onderzoek: weigeren reduceren van realiteit tot iets eenvoudig
meetbaar
Positivisten: vaak kwalitatieve onderzoekers: denken dat alles met woorden kwalitatief onderzoek is, maar als
je hiermee de complexiteit reduceert ben je niet meer kwalitatief bezig
ACADEMICI VERSCHILLEN VAN MENING OVER…
- Ontologische en epistemologische grondslagen van het onderzoek
o Ontologie en epistemologie: onderzoek waar men niet graag mee bezig is ‘ er is geen correct
antwoord’
o Ontologische en epistemologische vragen :’ wat is de realiteit’: antwoord dat je bepaalt,
bepalen voor groot deel ook de rest van het onderzoek: hoe je data gaat verzamelen,..
- De rol en invulling van theorieën en concepten
- De keuze en het gebruik van methodologie
- De kracht en validiteit van het empirisch bewijs
- De conclusies en implicaties die uit een analyse kunnen worden getrokken
WAAROM EPISTEMOLOGIE EN ONTOLOGIE?
- Onderzoekers maken altijd (expliciet of impliciet) ontologische en epistemologische keuzes die hun
methodologische keuzes onderbouwen.
o Ontologie → Epistemologie → Methodologie
1
, - Er is geen “goede” of “slechte” positie, maar er kunnen wel inconsistente keuzes worden gemaakt
o Ratio treinvertraging en te laat in de les ( onderzoeksvraag) -> is kwantitatief: je gaat proberen
het ‘te laat zijn’ ga je reduceren tot iets meetbaar en statistisch te bekijken naar de correlatie
met te laat in de les
▪ Absoluut geen enkele zin om 10 interviews te gaan afleggen ( is niet fout maar
inconsistente keuze)
o Inconsistente keuzes -> snelste weg naar een onvoldoende in paper
DIRECTIONAL DEPENDENCE MODEL ( HAY 2002)
Hay: alles hangt samen
- Wat we kunnen weten over realiteit wordt mee vormgegeven door onze eigen vormgeving: stel dat je
zegt dat realiteit een interactie is kun je methodologisch niet objectief gaan analyseren (inconsistent)
- Methodologische keuzes maken zodat je positie van jezelf als onderzoeker erkent en complexe
samenhang meenemen in analyse
POSITIVISME VS INTERPRETIVISME
Positivisme Interpretivisme
- Objectief meetbaar - Subjectivisme ‘ mijn realiteit is niet jouw realiteit ‘
- Verklaren van wereld ( wetmatigheden: wet - Begrijpen ( betekenisgeving) : proberen te zien welke
zwaartekracht…) betekenis mensen geven aan hun gedrag
- Sociale gedrag van mensen hangt samen met - Inductief : eerst met mensen gaan praten, proberen
wetmatigheden die wij kunnen identificeren complexiteit mee te nemen en patroon tussen
- Deductief werken: starten vanuit theoretische verhalen zoeken: daaruit een soort theorie
abstracte realiteit: proberen hypotheses te ontwikkelen
poneren en dan te testen met vaak - Kwalitatief ( complexiteit)
kwantitatieve methodes - Betrouwbaarheid van onderzoek: repliceerbaarheid
- Kwantitatief (reductie) is onmogelijk, ook generaliseerbaarheid onmogelijk.
- Validiteit : in hoeverre kunnen mensen ervan Betrouwbaarheid van onderzoek van belang en
uitgaan dat wat jij zegt klopt: correcte date, geloofwaardigheid van claims
goede kwaliteit en analyses/// Kernpunt - Transfereerbaarheid: exacte claims kunnen niet
validiteit : repliceerbaarheid (komen anderen blindelings overgezet worden maar wat wel kan is de
tot zelfde resultaten) + generaliseerbaarheid ( context dat vergelijkbaar is met de context van ander
veralgemenen van data) onderzoek: inzichten transferen/ overdragen naar
- Comte als vader van positivisme andere gelijkaardige context
2
, - Dilthey:
- Het enige dat objectief vast te stellen is, zijn
individuen binnen sociale relaties
- Algemene wetten in sociale wetenschappen =
onmogelijk
- Hermeneutiek
Weber:
- Betekenisgeving bij de sociale actoren
- ‘verstehen’ en zo tot algemene modellen komen =
‘ideaaltypen’
Geen muur tussen beide: vaak vanuit kwalitatief onderzoek (inductieve theorie) verder gebruikt in kwantitatief
onderzoek : theorie wordt getoetst
Vier paradigma’s
Nuancering: er zijn ook kwalitatieve benaderingen die zich heel positivistisch gedragen
Morgan en Smirnich spreken van dichotomie als een continuüm
Continuüm van objectivistische benadering in sociale wetenschappen tot subjectivistische
benadering
o Objectivistische benadering: wereld bestaat buitend e mens en kan op objectieve wijze
gekend worden
o Subjectivistische benadering: reële wereld bestaat niet en is enkel projectie van
menselijke verbeelding
Ze werken continuüm uit adhv 3 centrale begrippen (3 fundamentele vragen):
o Ontologische vraag: wat is de realiteit?
o Epistemologische vraag: hoe is kennis over die realiteit mogelijk?
o Methodologische vraag: hoe kan een onderzoeker iets te weten komen over wat hij denkt
dat er te kennen valt?
Sinds jaren 70 nieuwe grote perspectieven die zeggen dat scheidingslijn niet werkt: geen enkele positivist is
puur positivist: er zijn mengvormen: voorbeelden:
POSITIVSME EN POSTPOSITIVISME
Positivisme:
- Ontologisch
o Realiteit bestaat en is onderhevig aan natuurwetten en mechanismen
- Basis van paradigma is reductionistisch en deterministisch
o Reductionistisch: reduceert wereld tot wiskundige wetmatigheden
o Deterministisch: weinig oog voor ontwikkeling en evolutie in wereld
- Epistemologisch: gebaseerd op wat een dualistische en objectivistische visie genoemd wordt ->
onderzoeker & studieobject zijn onafhankelijke entiteiten
Postpositivsime
o Aangepast Dualisme -> (dualisme = strikte scheiding tussen mens en onderzoeksobject) ->
aangepast: het naast elkaar gebruiken van verschillende onderzoekstechnieken om
hypothesen te falsifiëren: zowel kwantitatieve als kwalitatieve technieken (multiplisme)
3