Grondbeginselen der sociologie H6
§1. Verwachtingen, voorstellingen en patronen
Normen ⭢ De min of meer bindende verwachtingen over het handelen of
niet handelen door de leden van een samenleving of groepering. Als
iemand niet handelt naar een bepaalde norm, willen de omstanders
diegene straffen of belonen.
Waarden ⭢ Bewuste collectieve voorstellingen over wat mensen als goed
en nastrevenswaardig beschouwen. Normen zijn concretiseringen van
abstracte waarden.
Deze waarden en normen vormen de kern van een cultuur. Het verschil
tussen waarden en belang zijn de werkwoorden zijn en hebben. Belang wil
je hebben, waarden wil je zijn.
Institutionalisering ⭢ Voor bepaalde situaties bestaan er
gestandaardiseerde gedragsvormen.
Institutie ⭢ Een vast, collectief bepaald gedragspatroon (tradities,
gewoonten, gebruiken). Als dit lang genoeg heeft plaatsgevonden, dan
gaat dat zich als norm fungeren.
Reïficeren ⭢ Het doen alsof er concrete dingen bestaan omdat er een
woord voor bestaat.
Internalisatie ⭢ De waarden en normen, die geheel buiten een mens
bestaan, worden langzamerhand door hem geadsorbeerd.
Drie soorten sociale karakters (David Riesman):
Gemeinschaft ⭢ Wordt gevormd en geleid door traditie
Inner directed ⭢ Wordt geleid door bepaalde bewuste waarden die
tijdens de jeugd vast in het innerlijk van de mens worden geprint.
Other directed ⭢ Oordeel van anderen is van grootste belang.
§2. Bestaan en ontstaan van collectieve opvattingen
Zodra mensen duurzaam samenleven en -werken ontstaan er waarden,
normen en instituties.
Marx en Engels:
Idealisme ⭢ Sociale werkelijkheid schuilt in de hoofden van mensen.
Materialisme ⭢ Sociale werkelijkheid zijn weerspiegelingen van
materiële omstandigheden waaronder ze leven.
Marx en Engels hadden eenzijdige materialistische opvattingen,
maar niet louter.
Weber:
, Calvinisme ⭢ Protestantse stroming, die de soevereiniteit van God,
de bijbel, als hoogste gezag stelt.
Weber ⭢ Waarden en normen zijn niet alleen producten van
maatschappelijke omstandigheden, maar deze ook kunnen
beïnvloeden.
Predestinatieleer ⭢ Het door goddelijk voorbeschikking ligt al vast
wie tot de uitverkorenen en de verdoemden zullen behoren.
Ideologie ⭢ Een samenhangend geheel van ideeën, waarden en
normen over de mens, de inrichting van de samenleving en de
gewenste toekomst.
Anomie ⭢ Normloosheid
§3. Vertraging
Waarden en normen veranderen niet van de een op andere dag, er treedt
een zekere vertraging op. Waarom blijven ze langer voortbestaan?
Mensen zijn zich er niet van bewust dat hun situatie veranderd is.
Mensen blijven zich vastklampen aan waarden en normen omdat het
hun psychische zekerheid verschaft.
Bepaalde belangen van bepaalde mensen zijn gemoeid met de
waarden en normen.
§4. Waarden, normen en instituties nader bezien
Waardehiërarchie ⭢ De persoonlijke of contextafhankelijke rangorde van
waarden, waarbij de ene waarde belangrijker wordt gevonden dan de
andere.
Taboe ⭢ Dingen waarover geacht word niet te spreken.
§5. Consensus en dissensus
Consensus ⭢ Samenvoelen of overeenstemmen. Er bestaan twee vormen
van consensus:
Gaat uit van individuele mensen, hoe meer mensen met zelfde
waarden en normen, hoe meer consensus.
Eigenschap van een samenleving of groep, natuurlijkerwijs.
Cultuurelementen van Linton:
Universals ⭢ Worden door alle leden van de samenleving gedeeld
Specialties ⭢ Typerend voor de leden van bepaalde groeperingen
binnen de samenleving
Alternatives ⭢ Iedereen kan ze min of meer vrij kiezen
Puralistic ignorance ⭢ De situatie waarin veel mensen ten onrechte de
consensus over waarden en normen overschatten.
§1. Verwachtingen, voorstellingen en patronen
Normen ⭢ De min of meer bindende verwachtingen over het handelen of
niet handelen door de leden van een samenleving of groepering. Als
iemand niet handelt naar een bepaalde norm, willen de omstanders
diegene straffen of belonen.
Waarden ⭢ Bewuste collectieve voorstellingen over wat mensen als goed
en nastrevenswaardig beschouwen. Normen zijn concretiseringen van
abstracte waarden.
Deze waarden en normen vormen de kern van een cultuur. Het verschil
tussen waarden en belang zijn de werkwoorden zijn en hebben. Belang wil
je hebben, waarden wil je zijn.
Institutionalisering ⭢ Voor bepaalde situaties bestaan er
gestandaardiseerde gedragsvormen.
Institutie ⭢ Een vast, collectief bepaald gedragspatroon (tradities,
gewoonten, gebruiken). Als dit lang genoeg heeft plaatsgevonden, dan
gaat dat zich als norm fungeren.
Reïficeren ⭢ Het doen alsof er concrete dingen bestaan omdat er een
woord voor bestaat.
Internalisatie ⭢ De waarden en normen, die geheel buiten een mens
bestaan, worden langzamerhand door hem geadsorbeerd.
Drie soorten sociale karakters (David Riesman):
Gemeinschaft ⭢ Wordt gevormd en geleid door traditie
Inner directed ⭢ Wordt geleid door bepaalde bewuste waarden die
tijdens de jeugd vast in het innerlijk van de mens worden geprint.
Other directed ⭢ Oordeel van anderen is van grootste belang.
§2. Bestaan en ontstaan van collectieve opvattingen
Zodra mensen duurzaam samenleven en -werken ontstaan er waarden,
normen en instituties.
Marx en Engels:
Idealisme ⭢ Sociale werkelijkheid schuilt in de hoofden van mensen.
Materialisme ⭢ Sociale werkelijkheid zijn weerspiegelingen van
materiële omstandigheden waaronder ze leven.
Marx en Engels hadden eenzijdige materialistische opvattingen,
maar niet louter.
Weber:
, Calvinisme ⭢ Protestantse stroming, die de soevereiniteit van God,
de bijbel, als hoogste gezag stelt.
Weber ⭢ Waarden en normen zijn niet alleen producten van
maatschappelijke omstandigheden, maar deze ook kunnen
beïnvloeden.
Predestinatieleer ⭢ Het door goddelijk voorbeschikking ligt al vast
wie tot de uitverkorenen en de verdoemden zullen behoren.
Ideologie ⭢ Een samenhangend geheel van ideeën, waarden en
normen over de mens, de inrichting van de samenleving en de
gewenste toekomst.
Anomie ⭢ Normloosheid
§3. Vertraging
Waarden en normen veranderen niet van de een op andere dag, er treedt
een zekere vertraging op. Waarom blijven ze langer voortbestaan?
Mensen zijn zich er niet van bewust dat hun situatie veranderd is.
Mensen blijven zich vastklampen aan waarden en normen omdat het
hun psychische zekerheid verschaft.
Bepaalde belangen van bepaalde mensen zijn gemoeid met de
waarden en normen.
§4. Waarden, normen en instituties nader bezien
Waardehiërarchie ⭢ De persoonlijke of contextafhankelijke rangorde van
waarden, waarbij de ene waarde belangrijker wordt gevonden dan de
andere.
Taboe ⭢ Dingen waarover geacht word niet te spreken.
§5. Consensus en dissensus
Consensus ⭢ Samenvoelen of overeenstemmen. Er bestaan twee vormen
van consensus:
Gaat uit van individuele mensen, hoe meer mensen met zelfde
waarden en normen, hoe meer consensus.
Eigenschap van een samenleving of groep, natuurlijkerwijs.
Cultuurelementen van Linton:
Universals ⭢ Worden door alle leden van de samenleving gedeeld
Specialties ⭢ Typerend voor de leden van bepaalde groeperingen
binnen de samenleving
Alternatives ⭢ Iedereen kan ze min of meer vrij kiezen
Puralistic ignorance ⭢ De situatie waarin veel mensen ten onrechte de
consensus over waarden en normen overschatten.