Leidende vraag 1:
Wat maakte de opkomst van een stedelijke burgerij in de Nederlandse gewesten
mogelijk?
A: Vanaf de 11e eeuw trokken steeds meer mensen naar de stad door
verbeteringen in de landbouw en daarmee bevolkingsgroei. Om
economische/sociale belangen te beschermen kregen stedelingen zelfbestuur en
stadsrechten. Met jaarmarkten en wegen stond Europa in contact met andere
continenten. Mensen verenigden zich in gilden. De burgerbevolking bleef achter,
tot de Guldensporenslag in 1302.
Uitwerking LV1:
Verbeteringen in de landbouw: de landbouw technologie werd verbeterd met
het drieslagstelsel en stukken grond werden ontgint. Gevolg: voedseloverschot
en te weinig werk op het land. Mensen trekken naar de steden om daar zich te
specialiseren. De handel focust zich op plekken waar mensen elkaar ontmoeten.
Steden kregen daarmee een centrale economische functie. De nijverheid
groeide.
Zelfbestuur en stadsrechten: Grootgrondbezitters juichte steden toe → meer
belastinginkomsten. Horigen trokken naar steden voor vrijheid en het profiteren
van de economische voorspoed. Er waren daar meer ontplooiingskansen. Het
platteland liep leeg en nieuwe stedelingen werden verwelkomd en beschermd.
Steden hadden een constante toestroom nodig ivm sterftecijfer stuk hoger.
Tussen de stedelingen en de landsheer werden afspraken gemaakt over de
machtspositie van de stad; de stad kreeg wat autonomie. In ruil voor de
autonomie moest de stad de heer erkennen en hem belasting betalen.
Stedelingen onderhandelden voor meer zelfbestuur. (stadsmuren bouwen,
misdadigers berechten, tol heffen, etc.) Steden werden onafhankelijker. De
stedelijke burgerij kreeg meer macht.
Gevolgen:
Sociaal - Rijke kooplieden vormden vanaf nu de bovenlaag in de stadsbevolking.
Nieuwe inwoners kregen een proefperiode waarin ze hun ‘’nut’’ moesten
bewijzen om tot de burgerklasse te mogen horen.
Politiek/bestuurlijk/economisch - Functionarissen kregen relaties met de adel en
bedachten inwonersrechten. Rijke kooplieden kregen soms het bestuur in handen
door leningen te verstrekken aan arme edellieden. Burgers werd verplicht bij te
dragen aan de stad. Ambachtslieden en arbeiders verenigden zich om te kunnen
profiteren van de groeiende macht vd stad.
GEVOLG: Er ontstond een nieuwe klasse- de patriciërs.
, Handel en gilden: Atrecht was een belangrijke stad in handelsnatie Vlaanderen.
Daarvoor waren 3 redenen. 1. Atrecht had een praktische ligging. 2. Atrecht had
een hoge productiviteit. 3. In Atrecht was de bisschop door de Paus aangesteld
en dus verliep contact met het Vaticaan soepel. Gevolg: Atrecht werd een
handelsstad.
De scheepvaart ontwikkelde zich en steden die nog dichter bij de kust lagen
namen over. Lakenindustrie bleef belangrijk in Atrecht. Specialisten
organiseerden zich in gilden. Daarmee werkten ze samen voor handels
voorrechten, stonden ze elkaar (gewapend) bij en brachten ze geld op voor verre
reizen. De langeafstandshandel was onzeker. De koopmansgilden schepten een
veilige omgeving die langeafstandshandel wel mogelijk maakt. De belangrijkste
handelssteden verenigden zich in de Hanze. Er ontstonden ook ambachtsgilden.
Ze maakten afspraken over kwaliteit van producten en zorgden voor elkaar bij
bijvoorbeeld ziekte of overlijden.
Door taalbarrières werd handel zonder geld lastig. Er was behoefte aan een
monetair systeem. Er kwamen munten uit bijvoorbeeld Genua en wisselbrieven
werden uitgevonden. Het bezit en vervoeren van geld werd veiliger.
Guldensporenslag/spanningen tussen arm en rijk: Er waren sociale
lagen.
Het patriciaat
Rijke handelaars/nieuwkomers
Gildeleden
Het plebs/gemeen
Patriciërs gingen zich als adel gedragen om hun status te verhogen. Ze
concurreren met echte oude adel. Er ontstaan tussen de patriciërs en het
gemeen steeds meer spanningen. Er vonden stakingen plaats; het gemeen
protesteerde. (Frankrijk en Patriciërs wilden Vlaanderen bij Frankrijk. Gemeen en
graaf niet. Gemeen wint de slag - in 1 klap meer respect. Kunnen eisen stellen.)
Leidende vraag 2: Welke invloed hadden sociaaleconomische en politieke
ontwikkelingen op de positie van de stedelijke burgerij in de Nederlandse
gewesten?
A: Brugge was eerst de belangrijkste haven, later nam Antwerpen dit over. De
steden kenden zowel rijkdom als armoede. De burgerij nam maatschappelijke
taken over, maar in de 15e eeuw botste de stedelijke autonomie met de
centralisatie van bourgondische hertogdommen. Dit leidde tot een opstand. Door
de blokkade van de Antwerpse haven (1585) nam Amsterdam de functie over en
begon een gouden eeuw voor de Nederlanden. In 1602 werd de VOC gesticht; de
wereldwijde handel werd verder uitgebreid en de rijkdom groeide.