, Deel 1 – Grondslagen van het recht
1. Recht: het geheel van bindende regels dat het gedrag van mensen in een samenleving ordent.
2. Rechtsorde: het samenhangende systeem van rechtsregels binnen een staat.
3. Rechtsbron: de oorsprong van rechtsregels, zoals wet, gewoonte en jurisprudentie.
4. Wet in formele zin: een regeling vastgesteld door regering en Staten-Generaal gezamenlijk.
5. Wet in materiële zin: elke algemeen verbindende regeling, ongeacht wie deze vaststelt.
6. Rechtsbeginsel: fundamentele norm die richting geeft aan het recht, zoals redelijkheid en
billijkheid.
7. Legaliteitsbeginsel: overheidsoptreden moet gebaseerd zijn op een wettelijke grondslag.
8. Democratische rechtsstaat: staatsvorm waarin macht wordt gelegitimeerd door het volk en
begrensd door recht.
9. Trias politica: scheiding van wetgevende, uitvoerende en rechtsprekende macht.
10. Rechtszekerheid: burgers moeten weten waar zij juridisch aan toe zijn.
11. Rechtsgelijkheid: gelijke gevallen worden gelijk behandeld.
12. Materiële rechtszekerheid: inhoudelijke rechtvaardigheid van regels.
13. Formele rechtszekerheid: voorspelbaarheid en duidelijkheid van regels.
14. Dwingend recht: regels waarvan niet mag worden afgeweken.
15. Regelend recht: regels waarvan partijen mogen afwijken.
16. Subjectief recht: bevoegdheid die een individu aan het recht ontleent.
17. Objectief recht: geheel van geldende rechtsregels.
18. Privaatrecht: regelt verhoudingen tussen burgers onderling.
19. Publiekrecht: regelt verhouding tussen overheid en burgers.
20. Internationaal recht: regels tussen staten en internationale organisaties.
21. Europees recht: recht afkomstig van de Europese Unie met directe werking.
22. Codificatie: systematische vastlegging van rechtsregels in wetboeken.