hoofdstuk 4:
Paragraaf 1:
Door bevolkingsgroei was er steeds meer landbouwgrond nodig, waardoor
de behoefte ontstond om grotere gebieden te bedijken. Om dit goed te
kunnen organiseren, was samenwerking met andere dorpen en
buurtschappen nodig. Uit deze samenwerkingsverbanden ontstonden
vanaf de late middeleeuwen de waterschappen. Halverwege de vorige
eeuw waren er meer dan 2500 waterschappen. Dat aantal is sindsdien
door samenvoegingen sterk afgenomen.
De waterschappen zorgen voor het waterbeheer in hun eigen gebied. Deze
gebieden zelf worden overigens ook waterschappen genoemd. Voor
grootschalige projecten ligt de verantwoordelijkheid bij Rijkwaterstaat
(bijvoorbeeld de Deltawerken).
Het waterbeheer van de waterschappen bestaat uit de volgende taken:
- Bescherming tegen hoogwater; (Rijkswaterstaat + Noord-Holland)
- Zorgen voor voldoende grond- en oppervlaktewater; (verdroging
tegengaan: Waterschap de Dommel)
- Zorgen voor een goede waterkwaliteit;
- Zuivering van afvalwater. (vervuild slib verwijderen: waterschap
Amstel, Gooi en Vecht)
Bescherming tegen hoogwater is vooral een taak van waterschappen
langs de kust en de grote rivieren.
De waterschappen zorgen niet alleen voor schoon oppervlaktewater, maar
ook voor de zuivering van afvalwater. Dit gebeurt in
rioolwateringzuiveringsinstallaties.
Bronnen: 3
Vragen: 3, 5, + 6
Paragraaf 2:
Stroomgebied: gebied dat zijn
overtollige water afvoert via 1
hoofdrivier met zijn zijrivieren.
Stroomstelsel: het stelsel van de
hoofdrivier en zijn zijrivieren.
Bovenloop: het gedeelte van een rivier
dicht bij de bron.
, Waterscheiding: de grens tussen 2 stroomgebieden. de ligging van de
waterscheiding wordt bepaald door de hoogste delen in het landschap.
Tussen de stroomgebieden van de Rijn en de Maas zijn dat onder meer de
Ardennen en het Zwarte Woud.
Waterafvoer: de hoeveelheid water die door een rivier stroomt.
Het stroomgebied van de Rijn is 185.000 km2 groot. Het stroomstelsel van
de Rijn is sterk vertakt. Een aantal grotere zijrivieren zijn de Main, de
Moezel en de Ruhr. In Nederland vertakt de Rijn zich in de IJssel, de Waal
en de Neder-Rijn. (gemengde rivier)
De Maas is een beduidend kleinere rivier. De omvang van het
stroomgebied is 35.000 km2. De Maas ontspringt in het noordoosten van
Frankrijk op 410 meter hoogte en stroomt via België naar Nederland.
Omdat er in de bovenloop van de Maas geen gletsjers voorkomen, wordt
de Maas tot de regenrivieren gerekend.
Rivieren zorgen voor de afvoer van het overtollige water in hun
stroomgebied. Hoe groot de waterafvoer van een rivier uiteindelijk is,
hangt af van 5 factoren:
1. Hoeveel neerslag valt er?
2. Hoeveel water verdampt er? (aan de oppervlakte en via vegetatie)?
3. Hoeveel water wordt er vastgehouden in en op de bodem? (retentie)
4. Hoeveel water wordt er opgeslagen in stilstaand en langzaam
stromend water? (berging, in sloten, vennen en meren?)
5. Hoeveel water wordt er verbruikt door de natuur en voor menselijke
activiteiten?
Vertragingstijd: de tijd tussen het vallen van neerslag en de afvoer ervan
door de rivier.
Debiet: de hoeveelheid water die een rivier op
een bepaald moment per tijdseenheid afvoert
(meestal gemeten in m3 per seconde) (de
hoeveelheid water die per seconde langs een
punt in een rivier stroomt.)
Regiem: de verdeling van de afvoer van water
(debiet) over het jaar.
Debiet en regiem zijn op elke plek van de rivier anders. De maximale
afvoer van een rivier vindt plaats in perioden met veel neerslag en/of
smeltwater.
Paragraaf 1:
Door bevolkingsgroei was er steeds meer landbouwgrond nodig, waardoor
de behoefte ontstond om grotere gebieden te bedijken. Om dit goed te
kunnen organiseren, was samenwerking met andere dorpen en
buurtschappen nodig. Uit deze samenwerkingsverbanden ontstonden
vanaf de late middeleeuwen de waterschappen. Halverwege de vorige
eeuw waren er meer dan 2500 waterschappen. Dat aantal is sindsdien
door samenvoegingen sterk afgenomen.
De waterschappen zorgen voor het waterbeheer in hun eigen gebied. Deze
gebieden zelf worden overigens ook waterschappen genoemd. Voor
grootschalige projecten ligt de verantwoordelijkheid bij Rijkwaterstaat
(bijvoorbeeld de Deltawerken).
Het waterbeheer van de waterschappen bestaat uit de volgende taken:
- Bescherming tegen hoogwater; (Rijkswaterstaat + Noord-Holland)
- Zorgen voor voldoende grond- en oppervlaktewater; (verdroging
tegengaan: Waterschap de Dommel)
- Zorgen voor een goede waterkwaliteit;
- Zuivering van afvalwater. (vervuild slib verwijderen: waterschap
Amstel, Gooi en Vecht)
Bescherming tegen hoogwater is vooral een taak van waterschappen
langs de kust en de grote rivieren.
De waterschappen zorgen niet alleen voor schoon oppervlaktewater, maar
ook voor de zuivering van afvalwater. Dit gebeurt in
rioolwateringzuiveringsinstallaties.
Bronnen: 3
Vragen: 3, 5, + 6
Paragraaf 2:
Stroomgebied: gebied dat zijn
overtollige water afvoert via 1
hoofdrivier met zijn zijrivieren.
Stroomstelsel: het stelsel van de
hoofdrivier en zijn zijrivieren.
Bovenloop: het gedeelte van een rivier
dicht bij de bron.
, Waterscheiding: de grens tussen 2 stroomgebieden. de ligging van de
waterscheiding wordt bepaald door de hoogste delen in het landschap.
Tussen de stroomgebieden van de Rijn en de Maas zijn dat onder meer de
Ardennen en het Zwarte Woud.
Waterafvoer: de hoeveelheid water die door een rivier stroomt.
Het stroomgebied van de Rijn is 185.000 km2 groot. Het stroomstelsel van
de Rijn is sterk vertakt. Een aantal grotere zijrivieren zijn de Main, de
Moezel en de Ruhr. In Nederland vertakt de Rijn zich in de IJssel, de Waal
en de Neder-Rijn. (gemengde rivier)
De Maas is een beduidend kleinere rivier. De omvang van het
stroomgebied is 35.000 km2. De Maas ontspringt in het noordoosten van
Frankrijk op 410 meter hoogte en stroomt via België naar Nederland.
Omdat er in de bovenloop van de Maas geen gletsjers voorkomen, wordt
de Maas tot de regenrivieren gerekend.
Rivieren zorgen voor de afvoer van het overtollige water in hun
stroomgebied. Hoe groot de waterafvoer van een rivier uiteindelijk is,
hangt af van 5 factoren:
1. Hoeveel neerslag valt er?
2. Hoeveel water verdampt er? (aan de oppervlakte en via vegetatie)?
3. Hoeveel water wordt er vastgehouden in en op de bodem? (retentie)
4. Hoeveel water wordt er opgeslagen in stilstaand en langzaam
stromend water? (berging, in sloten, vennen en meren?)
5. Hoeveel water wordt er verbruikt door de natuur en voor menselijke
activiteiten?
Vertragingstijd: de tijd tussen het vallen van neerslag en de afvoer ervan
door de rivier.
Debiet: de hoeveelheid water die een rivier op
een bepaald moment per tijdseenheid afvoert
(meestal gemeten in m3 per seconde) (de
hoeveelheid water die per seconde langs een
punt in een rivier stroomt.)
Regiem: de verdeling van de afvoer van water
(debiet) over het jaar.
Debiet en regiem zijn op elke plek van de rivier anders. De maximale
afvoer van een rivier vindt plaats in perioden met veel neerslag en/of
smeltwater.