• Motiverende gespreksvoering (MVG): een manier van praten met iemand om de eigen
motivatie van die persoon te vergroten om te veranderen. Je helpt iemand dus zelf
redenen te vinden om iets te veranderen, in plaats van te zeggen wat hij of zij moet doen.
• Basishouding van MVG. Bij MVG is je houding heel belangrijk:
o Acceptatie → je accepteert de persoon zoals hij is en respecteert zijn autonomie.
o Samenwerken → je werkt samen als gelijken, niet als “expert boven de cliënt”.
o Compassie → het welzijn van de cliënt staat centraal.
o Ontlokken (evocatie) → je probeert de motivatie uit de cliënt zelf te halen.
• veel cliënten hebben meerdere problemen tegelijk, bijvoorbeeld:
o relatieproblemen
o financiële problemen
o problemen met werk of het UWV
o lichamelijke klachten
➔ deze problemen beïnvloeden elkaar vaak.
• De 4 processen van MVG
1. Verbinden: eerst bouw je vertrouwen en contact op met de client. Dit is de basis
voor het gesprek.
2. Focussen: samen bepalen jullie waar het gesprek over gaat en wat het doel is
3. Oproepen (verandertaal): je probeert de client zelf redenen te laten noemen om te
veranderen.
4. Plannen: de client maakt een plan om het gedrag te veranderen en uitvoering.
• Basistechnieken (ORBSI):
o O – open vraag: vragen waarop iemand uitgebreid kan antwoorden
o R – reflecteren: in je eigen woorden teruggeven wat de client zegt
o B – bevestigen: kwaliteiten of inspanning van client benoemen
o S – samenvatten: kort herhalen wat er besproken is
o I – informatie geven: uitleg geven (altijd eerst toestemming vragen)
• Reflectie: wanneer je in je eigen woorden zegt wat je denkt dat de client bedoelt.
o Kenmerken:
- Kort en duidelijk
- Een stelling (geen vraag)
- Neutraal (zonder oordeel)
- Beredeneerd gissen naar bedoeling of emotie
- Een selectief soort samenvatting
o Soorten reflecties:
1. Eenvoudige reflectie: Herhalen wat iemand zegt.
“Je vindt het lastig om te stoppen met roken.”
2. Tweezijdige reflectie: Beide kanten van twijfel benoemen. Eindig met de
reden waarom iemand wél zou willen veranderen (positief).
“Je wilt afvallen door te sporten, maar je weet niet of je het volhoudt.”
3. Affectieve reflectie: Het gevoel benoemen.
“Je bent trots dat het drie weken is gelukt.”
4. Versterkte reflectie: Weerstand een beetje overdrijven zodat iemand
nuanceert.
“Er is dus eigenlijk helemaal niets dat je kunt veranderen.”