In de onderstaande lijst worden de verschillende longvolumes van de grafiek aangeduid met een
combinatie van letters.
VT = ademvolume
IRV = inspiratoir reservevolume
ERV = expiratoir reservevolume
RV = restvolume
TLC = totale longcapaciteit
VC = vitale capaciteit
IC = inspiratoire capaciteit
FRC = functionele residuele capaciteit
De handspirometer is een eenvoudig apparaat om
verschillende longvolumes te meten. Tijdens een practicum volgen de leerlingen de volgende
voorschriften:
Zet de meter op nul en klem de neusgaten af. Adem rustig gedurende ongeveer 2 minuten uit en in.
1) Adem vervolgens normaal uit door de spirometer en noteer de hoeveelheid uitgeademde
lucht.
Zet de meter op nul en klem de neusgaten af. Adem rustig gedurende ongeveer 2 minuten in en uit.
2. Adem vervolgens zo volledig mogelijk uit door de spirometer en noteer de hoeveelheid
uitgeademde lucht.
Zet de meter op nul en klem de neusgaten af. Adem rustig gedurende ongeveer 2 minuten in en uit.
Haal daarna zo diep mogelijk adem.
3. Houd dit even vast en adem daarna krachtig en volledig uit door de spirometer. Noteer de
hoeveelheid uitgeademde lucht.
1)Wat wordt er bij elke meting bepaald? Noteer als volgt: (1 = FRC, enzovoorts)
Krachten bij ademhaling
In het diagram is de variatie in het longvolume weergegeven van een bepaalde rechtopstaande
proefpersoon gedurende een bepaalde tijd. Uit het diagram zijn de maximale en de minimale
luchtverplaatsing van deze persoon af te leiden. Met A, B en C zijn drie bepaalde tijdstippen
aangeduid.
Enkele krachten zijn:
1. trekkracht van de spieren die de ribben omlaag trekken
2. trekkracht van de spieren die de ribben omhoog trekken
3. trekkracht bij het samentrekken van de middenrifspieren
4. elasticiteit van de buikwand
5. zwaartekracht
6. duwkracht als gevolg van het samentrekken van de
buikspieren
, 2) Schrijf de nummers op van de krachten die werkzaam zijn op tijdstip B.
3) Is rond tijdstip C de luchtdruk in de longblaasjes hoger, gelijk of lager dan de luchtdruk buiten de
longen?
A) De druk in de longblaasjes is lager dan de luchtdruk buiten de longen.
B) De druk in de longblaasjes is gelijk aan de luchtdruk buiten de longen.
C) De druk in de longblaasjes is hoger dan de luchtdruk buiten de longen.
Niercapaciteit
Om te onderzoeken hoe de nier omgaat met een in bloedplasma
opgeloste stof X wordt bij verschillende plasmaconcentraties van
deze stof de snelheid gemeten waarmee deze stof in de voorurine
en in de urineblaas verschijnt. In de volgende afbeelding is het
resultaat van deze metingen weergegeven.
Transportprocessen die zich in de nier kunnen afspelen zijn:
1. excretie (hoeveelheid X in de urine)
2. filtratie (hoeveelheid X in de voorurine in het kapsel van Bowman)
3. resorptie (actieve terugname van stoffen uit de voorurine in het bloed)
4. secretie (actieve uitscheiding van stoffen uit het bloed naar de voorurine)
4) Wat is het transportmaximum van de nier voor stof X en voor welk transportproces geldt dit
maximum?
A) ongeveer 0,5 mg/L voor secretie
B) ongeveer 0,5 mg/L voor resorptie
C) ongeveer 0,1 mg/min voor secretie
D) ongeveer 0,1 mg/min voor resorptie
Nieren
Over stoffen in de voorurine worden de volgende beweringen gedaan:
1. een deel van de glucose uit het bloedplasma dat door de nierslagaders stroomt, komt in de
voorurine terecht
2. alle ureum uit het bloedplasma dat door de nierslagaders stroomt, komt in de voorurine
terecht
3. een deel van de glucose die in de voorurine aanwezig is, wordt door de cellen van de
nierkanaaltjes verbruikt
5) Welke van deze beweringen is of welke zijn juist?
A alleen bewering 1
B alleen bewering 2
C alleen bewering 3
D alleen de beweringen 1 en 2
E alleen de beweringen 1 en 3
F de beweringen 1, 2 en 3