Q: Tot wanneer was de oudheid?
A: Tot ca. 476 n.Chr.
Q: Waarom worden de oude Grieken gezien als grondleggers van
de westerse kunst en cultuur?
A: Omdat veel latere kunst voortbouwt op of reageert tegen eerdere kunst
uit de Griekse oudheid. Zonder kennis van het beginpunt is het moeilijk
latere kunst te begrijpen. Daarom start kunstgeschiedenis vaak bij de
Oudheid, met onderscheid tussen prehistorie en klassieke oudheid (Grieken
en Romeinen).
Q: Wat is prehistorische kunst en waarom weten we er weinig van?
(verwijs: prehistorisch halssnoer, barnsteen, 2000–1000 v.Chr.)
A: Prehistorische kunst is gemaakt door de eerste mensen. We weten er
weinig van omdat mensen niet op één plek leefden, veel materiaal verloren
is gegaan en er geen schriftelijke bronnen bestaan. Voorbeeld: een
prehistorisch barnstenen halssnoer.
Q: Wat kenmerkt de kunst van de oude Grieken? (verwijs: Venus
van Milo)
A: De Grieken streefden naar evenwichtigheid en harmonie, zichtbaar in
proporties van architectuur en beeldhouwkunst. Beelden zijn vaak
anatomisch perfect. Voorbeeld: de Venus van Milo (Aphrodite), godin van
schoonheid en vruchtbaarheid, vaak (gedeeltelijk) naakt afgebeeld.
Q: Wat kenmerkt de Romeinse kunst en politiek gebruik van kunst?
(verwijs: munt met keizer Constantijn)
A: Romeinen namen elementen over van overwonnen volkeren en deden
eigen uitvindingen. Kunst werd gebruikt als propaganda om macht te
vergroten. Keizers bestuurden een groot rijk. Voorbeeld: een Romeinse
munt met keizer Constantijn als propagandamiddel.
Q: Wat is de invloed van het christendom op de overgang van
oudheid naar middeleeuwen?
A: Met de komst van het christendom neemt de macht van de Romeinen af
en begint de middeleeuwen.
,Q: Wat betekent “Van ver: oude beschavingen” voor
kunstgeschiedenis? (verwijs: Egyptisch nijlpaard, faience)
A: Westerse kunst is beïnvloed door en schatplichtig aan andere culturen
zoals Mesopotamië, Egypte, Afrika en Midden-Amerika. Deze culturen
beïnvloeden hoe onze kunstwereld eruitziet. Voorbeeld: Egyptisch faience
nijlpaard.
Q: Waarom is het moeilijk om uitspraken te doen over prehistorie
en oudheid (feit of fictie)?
A: Door gebrek aan schriftelijke bronnen en doordat veel objecten
vernietigd, vergaan of hergebruikt zijn. Archeologen vinden resten maar
kunnen deze niet altijd plaatsen. Nieuwe technieken helpen datering en
reconstructie. Kunstontwikkelingen zijn tijd- en plaatsafhankelijk en bestaan
vaak gelijktijdig (bijv. prehistorie en Grieken). Periodisering is daarom deels
kunstmatig.
, Blok 1: oudheid - 1.2 prehistorie
Q: Tot wanneer was de prehistorie?
A: Tot ca. 800 v.Chr.
Q: Waarom beslaat de prehistorie maar weinig pagina’s in de
kunstgeschiedenis?
A: Omdat er weinig is teruggevonden uit dit lange tijdvak. Veel voorwerpen
waren gemaakt van hout of andere natuurlijke materialen en zijn vergaan.
Q: Hoe leefden mensen tijdens een groot deel van de prehistorie?
A: Als nomaden; ze trokken rond en konden weinig bezittingen meenemen.
Pas met de landbouw gingen ze zich vestigen en permanente huizen
bouwen.
Q: Wat doen archeologen en waarom is hun werk moeilijk? (verwijs:
archeologen bij opgraving in Philadelphia)
A: Archeologen graven en bestuderen historische resten om het verleden te
reconstrueren. Dit is moeilijk omdat er geen schriftelijke bronnen zijn
(mensen konden nog niet lezen en schrijven).
Q: Welke informatie kunnen archeologen halen uit vondsten?
A: De vindplaats en ouderdom geven aanwijzingen over het volk dat de
voorwerpen gebruikte.
Q: Wat zijn de drie perioden van de prehistorie?
A: Oude steentijd (tot ca. 6000 v.Chr.), Jonge steentijd (ca. 6000–2000
v.Chr.), Bronstijd (ca. 2000–800 v.Chr.).
Q: Wat kenmerkt de oude steentijd? (verwijs: Venusbeeldjes)
A: Eerste mensen (3–5 miljoen jaar geleden), rituelen en kunst (beeldende
kunst, muziek, dans), nomadisch leven (jagen, vissen, verzamelen),
eenvoudige werktuigen en figuratieve kunst zoals grotschilderingen en
Venusbeeldjes.