Hoofdstuk 1: Inleiding – Voortplanting
! Geboorteafwijkingen zijn geen nieuwe vorm van ontwikkeling, ze ontstaan door een stop in de
normale ontwikkeling
Gastrulatie: moment dat organogenese (ontwikkeling organen) start. In deze fase kan het meeste fout
gaan. Het moment dat we van 2 kiembladen naar 3 gaan
Indifferent = komen bij de beide geslachten voor
Wat is embryologie:
- Studie van het zich ontwikkelende, nieuwe organisme vanaf bevruchting tot geboorte
- Startkapitaal voor de morfologie (i.e. anatomie, histologie, pathologie & teratologie)
Stapsgewijs inzicht in:
o De bouw van een organisme
o Het basispatroon van zeer ingewikkelde structuren (e.g. CZS)
o De interrelaties tussen structuren
o De resultaten van een verkeerde stap in de ontwikkeling.
▪ Bv thalidomide: verlenging van de armen gebeurt niet
Morfologische verschijnselen:
- Celproliferatie (mitosen), groei, differentiatie, celmigratie, celdood
- Celdood zorgt bv voor de vorming van individuele vingers
- Overmate alcohol tijdens zwangerschap kan leiden tot FAS: feutaal alcohol syndroom
Periodes
- Prenatale periode:
o Embryonale periode: bevruchting tot primitieve gemeenschappelijke lichaamsvorm
o Foetale periode: laatste tem geboorte
-
- Postnatale periode: verdere ontwikkeling, grote diersoortverschillen
o Nestvlieders
o Nestblijvers
Voortplanting
Voortplanting bestaat uit: gametogenese (spermatogenese en
ovogenese) en bevruchting
Voortplantingscyclus: vb kikker
Voor elk individu is dit gelijkaardig voor vertebraten → lagere
vertebraat soorten worden gebruikt voor bepaalde testen van
geboorteafwijkingen.
Bij gametogenese: seksueel mature dier → fertilisatie →
bevruchte eicel = kort stadium → delen zich. Vanaf 8 cellig
stadium is de deling niet meer synchroon. Elke cel van de deling =
blastomeer, elk blastomeer = totipotente cellen want ze kunnen
,embryo en vruchtvliezen aanmaken. Blijven zo tot morula stadium.
Morula: een tijdelijk stadium. Het bevat een schil rond het embryo: glycoproteïnen, de zona pellucida
Net voor Morula stadium krijgen cellen differentiatie → niet meer totipotent
Rond eicel zit zona pellucida en deze moeten eigenlijk rond het embryo nog worden getekend, ze
bevatten glycoproteïnen.
Vanaf celdeling → embryo schuift op naar baarmoeder toe → komt terecht in baarmoeder welke
uterusklieren bevat → zorgt voor voeding en verteringsenzymen. De verteringsenzymen zullen zona
pellucida verteren → zona pellucida wordt zwak → vocht door zona pellucida en binnen dringen in
embryo → centrale cellen gaan beginnen drijven op vocht → cellen gaan als een klomp tegen de
bovenkant zitten. Cellen binnenkant (embryoblastcellen = vormen kiemschijf) die vanboven zitten zijn
veel groter dan cellen buitenkant (trofoblastcellen).
Embryo blijft groeien → zona pellucida barst
Embryo in zona pellucida = blastula, vanaf embryo naar buiten = blastocyst
Zona pellucida mag niet rond het embryo blijven als het zich nestelt in de baarmoeder want
innesteling dit kan enkel door cel-cel contact → zou niet gaan moesten de glycoproteïnen er nog zijn
Vanaf embryoblastcellen en trofoblasten hebben we differentiatie gehad.
Embryonale blastcellen zijn niet meer pluripotent, embryonale stamcellen wel. Embryonale
stamcellen zijn niet meer totipotent, ze kunnen embryo aanmaken maar niet meer vruchvliezen
Pluripotent: kunnen veel, alles van embryo, maar niet alles (toti)
Multipotent: veel maar niet alles van de embryo, niet alle kiembladeren
Gametogenese vissen, amphibiën, vogels en zoogdieren zijn gelijkaardig
Spermato- en spermiogenese
Mannelijk geslachtstelsel:
- Testes/Teelballen: sperma productie
o Bestaan uit zaadbuisjes
o Bevatten de verschillende fases van spermacellen, sortoli cellen en cellen van leydig
o Sertoili cellen: zit over volledige breedte van zaadbuisje, gaat differentiatie
spermatogonium tot spermatozoa dirigeren en is ook een belangrijke voedingcel
voor kiemcellen. Staat o.i.v. FSH
o Cellen van leydig gaan testosteron produceren, liggen niet in de zaadbuisjes maar
in parenchym errond
- Epididymides/Bijballen: belangrijk voor sperma motiliteit en bevruchtingcapaciteit +
spermaopslag
- Zaadplasma: aangemaakt door de accessoire geslachtsklieren
Spermatogenese: spermatogonium → primair spermatocyt → secundair spermatocyt →
Spermiogenese (geen deling meer): spermatiden → spermatozoa
Bij vrouwen is de 1ste meiotische deling al gestart wanneer ze nog in de baarmoeder zitten bij de
moeder → start dus sneller dan bij mannen
,Spermiogenese:
Cytoplasma moet afgestoten worden
Kern krijgt een “muts”= acrosoom = gevuld met hydrolytische enzymes
Sommige mannen hebben op acrosoom een verkeerd of ontbrekend eiwit → niet vruchtbaar
Kern gaat condenseren → cytoplasma wordt afgestoten → staartvorm = belangrijk voor
voortbeweging.
De echte beweging van sperma naar eicel gebeurt door een propulsiebeweging door de vrouw
gecreëerd. De spermacellen gaan bij overgang uterus – eileider wel zelf zwemmen
In middenstuk sperma zitten veel mitochondriën = belangrijk voor beweging. Het bevat ook
centriolen wat belangrijk is voor de juiste positie in te nemen tov eicel
Staart = identieke samenstelling trilhaar
Ovogenese
Verschillen met zoogdieren:
- Zona pellucida in zoogdieren ≈ vitelliene membraan amphibiën/vogels
o Spermacellen kunnen niet direct door zona pellucida door glucoproteïnen
- Amphibiën: eikapsel in eileider
- Vogels voortplantingsstelsel:
o Enkel aan linker lichaamszijde
o 5 verschillende regio’s: infundibulum, magnum, isthmus, schaalklier en vagina (geen
uterus!)
o Externe vitelliene membraan (infund.), eiwit (magnum), in- en externe
schaalmembranen (isthmus), gecalcificeerde schaal (schaalklier)
Rijping eicel in ovarium:
Ovarium= reserve pool van primordiale follikels, zijn
al veel minder geworden vanaf de geboorte
Primordiale follikels = stamcelfollikel met eicel met
daarrond afgeplatte follikelcellen
Cyclus:
Primordiale follikels → primaire follikels (cellen
kubisch niet meer afgeplat) → secundaire follikels
(meer follikelcellen rondeicel + follikelvocht) →
tertaire follikel → graafse follikel
Als de follikel barst krijg je een corpus luteum: maakt veel progesteron → gele kleur
Bij zwangerschap blijft het corpus luteum bestaan omdat het progesteron moet blijven produceren ,
bij maandstonden gaat het verdwijnen→geen progesteron → afstoten weefsel
Corpus luteum breekt af en je krijgt littekenweefsel → corpus albicans
Vanaf bevruchting gaat 2de meiotische deling door.
Cellen die niet rond eicel zitten gaan luteïseren → progesteron maken
, In het brein
Zowel spermatogenese als ovogenese worden geregeld door hypothalamus, het zal GRF =
gonadotroop releasing factor → werkt in op hypofyse → maakt LH (luteniserend hormoon) en FSH
(follikelstimulerend hormoon) aan
Bij vrouw: FSH → belang bij aanmaak eustradiol en LH → progesteron hormoon
Bij man: FSH → sertolicellen stimuleren en LH → leydig cellen stimuleren
Je hebt pos en neg feedback systemen
Bv: Te weinig testosteron → positief feedback voor productie activine hormoon→ meer aanmaakt LH
Te veel oestrogeen → inhibine geproduceerd → neg feedback
Beide hebben evenveel DNA dus de
grootte maakt niet uit
zoogdieren
Prenataal
We gaan van 7 miljoen naar 500000 primordiale follikels van de aanmaak tot
vanaf we onze maandstonden krijgen
De reden voor deze daling is omdat degene die overblijven we waarschijnlijk
geen of weinig mutaties gaan hebben = survivial of the healtiest
Bevruchting
Externe bevruchting (Vis – amphibiën):
- Waterige omgeving
- Chemotaxis vereist!: sperma aangetrokken naar secundaire oöcyten
- Bij externe bevruchting: de spermacellen herkennen de eicel omdat bij barsten uit follikel
komt er ook follikelvocht vrij en dit heeft chemoattractieve eigenschappen
Interne bevruchting (Vogels – zoogdieren):
- In eerste 1/3 van eileider (vogels: in infundibulum, onmogelijk na productie van eiwit in
magnum)
- Zoogdieren: sperm capacitatie vereist! Verschillende mechanismen mogelijk. Welke?
- Hyperactivatie en chemotaxis
ACROSOOM REACTIE NODIG BIJ ALLE VERTEBRATEN (BEHALVE BEPAALDE VISSOORTEN)
Penetratie zaadcel
1: spermacellen gaan mechanische stoten geven aan de omliggende cellen → duwen cellen plat
2: komt aan zona pellucida, mechanisme stoten helpen niet → acrosoom. Op buitenste membraan
van acrosoom zitten eiwitten die reageren met eiwitten op zona pellucida: Receptor-Ligand binding
→ acrosoom reactie geïnduceerd → blaasje met hydrolytische enzymen barsten → hydrolytische