In dit document vind je een samenvatting voor het vak AFP binnen de opleiding
HBO-Verpleegkunde (leerjaar 2). De inhoud is gestructureerd per week,
gebaseerd op de indeling zoals deze gedurende het schooljaar 2026 is
aangeboden. De samenvatting is gebaseerd op de leerstof uit de boeken die in
de bronnenlijst staan.
Inhoudsopgave
Inleiding.................................................................................................................. 1
Legenda.................................................................................................................. 2
Week 5................................................................................................................... 2
Hoofdstuk 4......................................................................................................... 2
Hoofdstuk 8.5.4................................................................................................... 6
Hoofdstuk 11.4.1................................................................................................. 8
Week 6................................................................................................................. 13
Hoofdstuk 14.6.................................................................................................. 13
Hoofdstuk 14.7.................................................................................................. 15
Hoofdstuk 14.9 t/m 14.11.................................................................................. 18
Week 7................................................................................................................. 22
Hoofdstukstuk 12.8.2........................................................................................ 22
Hoofdstukstuk 16.4.1........................................................................................ 26
Hoofdstukstuk 16.4.4........................................................................................ 28
Hoofdstukstuk 16.5.1........................................................................................ 33
Hoofdstuk 18.2 anatomie – vergrijzing..............................................................35
Hoofdstuk 18.3 anatomie - veroudering............................................................36
Week 8................................................................................................................. 42
Hoofdstuk 18.1 t/m 18.3.10 anatomie en fysiologie..........................................42
Hoofdstuk 11.4.3............................................................................................... 49
Hoofdstuk 12.8.3 en 19.2.9............................................................................... 53
Hoofdstuk 19.2.8............................................................................................... 54
Hoofdstuk 20..................................................................................................... 55
Bronnenlijst.......................................................................................................... 68
,Legenda
Roodgekleurd woord = Begrip
Dik gedrukt woord = Belangrijk om te weten
ZV of zv = Zorgvrager
i/d = in de
V/d = van de
Week 5
Hoofdstuk 4
Hyperplasie toename van het aantal cellen = orgaan/weefsel wordt groter
Hypertrofie toename van de grootte van cellen = orgaan wordt groter (dus
cytoplasma wordt meer, aantal blijft gelijk)
Atrofie afname van grootte en/of aantal cellen = weefsel krimpt
Metaplasie vervanging van het ene celtype door een ander celtype
(adaptatie)
Dysplasie afwijkende celgroei + onregelmatige vorm/structuur = voorstadium
kanker
Neoplasie “nieuwe groei” van cellen = ongecontroleerde celdeling
(tumorvorming)
Ander woord kanker maligniteit, kwaadaardige aandoening, kwaadaardige
tumor of maligne neoplasie.
Algemene risicofactoren
- Leeftijd 50% zv met kanker zijn >70 jaar. cellen zijn vaker gedeeld, kans
groter op mutatie en dus kanker.
- Erfelijke factoren
- Leefstijlfactoren
- Overgewicht
- Omgevingsfactoren (bijv. asbest of staling)
- Verminderde afweer afwijkende cellen worden minder goed herkend en
afgebroken
bepaalde bacteriën en virusinfecties, staling en chemische stoffen = zijn
een voorbeeld van een carcinogenen (=factoren buiten het lichaam die
kankerverwekkend zijn. straling word ook gebruikt bij de
diagnostiek/behandeling, want het voordeel weegt in dit geval op tegen
het risico van ontstaan.
Etiologie en pathofysiologie
,Mitose = verdubbeling van het DNA foutje = apoptose (cel zorgt er zelf voor
dat het kapotgaat).
Als cellen ongeremd gaan delen ontstaat er een tumor (zwelling). Er zijn 2
soorten:
Benigme = Goedaardige, geen kanker. Kan wel voor
symptomen veroorzaken en tot uitval leiden. Ze worden
vaak verwijderd met een operatie. Het groeit langzaam,
de cellen zijn goed gedifferentieerd (ze lijken op de cellen
waaruit ze zijn ontstaan). Er is geen doorgroei in
omliggende weefsels. het is goed afgrensbaar, vaak
omgeven door een kapsel. Er is geen sprake van
metastasen (uitzaaiingen)
Maligne = Kwaadaardige. Is kanker. Snelle groei van
slechter gedifferentieerde cellen (cellen lijken minder op
de cellen waaruit ze zijn ontstaan), invasieve groei:
doorgroei naar omliggende weefsel. Metastasen is
mogelijk (hierbij raken tumorcellen los en vis lymfebanen
(lymfogeen) of via de bloedbaan (hematogeen) op een
andere plek in het lichaam terechtgekomen. De cellen
kunnen weer groeien tot een tumor. De OG maligne
tumor heet primaire tumor.
Sommige typen kanker is er geen sprake van een tumor bijv. leukemie
(bloedkanker).
Kanker ontstaat door mutaties(s) DNA + verstoorde apoptose. Mutaties kunnen
erfelijk zijn of gedurende het leven ontstaan.
proto-oncogenen = DNA heeft celgroei en mitose bevorderende genen
tumorsuppressorgenen = ongeremde celgroei + mitose tegengaan
Mutatie in deze genen kunnen de kans op kanker vergroten of verkleinen.
Naamgeving:
- Carcinomen epitheelweefsel, inclusief klierweefsel
- Sarcomen bindweefsel en spierweefsel
- Leukemie of lymfoom bindweefsel, vormen van bloedkanker
Symptomen
Hangen af van de plaats, tumorgrootte en de doorgroei in en/of druk op de
omgeving. Algemene symptomen vermoeidheid, gewichtsverlies en pijn.
ZV in de terminale fase zijn soms extreem mager = cachexie.
Diagnostisch onderzoek
Verdere diagnostiek als er symptomen zijn en als het lichamelijk onderzoek of
bevolkingsonderzoek afwijkend is. Er zijn bijv:
- Bloedonderzoek speciale tumormarkers (gemaakt door tumor zelf
gemaakt of door het lichaam reactie) bijv. PSA (prostaat specifiek antigeen
, bij prostaatcarcinoom) en CEA (carcino-embryonaal antigeen bij o.a.
colorectaal carcinoom). Ze zitten in bloed, urine of liquor.
- Beeldvormend onderzoek belangrijk bij diagnostiek en evaluatie. Je hebt
röntgenonderzoek, MRI-scan, echografie en een combi van
positronemissietomografie (PET-scan) en een CT-scan/MRI-scan.
- Histologie en cytologie biopt voor weefsel en bijv uitstrijkje voor cellen.
- Stadiering om stadium te bepalen bij ZV met kanker. TNM/G systeem =
T grootte tumor en/of mate van doorgroei in de omgeving. Bij Tis is er
sprake van een voorstadium van kanker zonder nog invasieve groei.
N nodus (lymfeklier). N0-N3. Of het is uitgezaaid naar lymfeklieren. N0 =
geen metastasen.
M metastasen op afstand. Dus metastasering die verder weg liggen van
de primaire tumor. M0 = geen metastasen. M1= wel
G graad. Geeft aan hoe de differentiatie is van de cellen. G1 – G4. Hoe
hoger de score, hoe slechter de differentiatie en hoe kwaadaardiger.
Het stadium is een combi van alles er worde gewoonlijk aangeduid met I –
IV. Soms verder onderverdelingen of woedt andere classificaties gebruikt
(bijv. Dukes-classificaties bij het colorectaal carcinoom)
Behandeling curatief of palliatief
Adjuvante behandeling = behandeling na een operatie
Neo-adjuvant = voorafgaand aan de operatie
- Operatie veel vormen. Kan maligne, omliggende weefsel, in de buurt
liggende lymfeklieren of metastasen kan soms ook worden verwijderd.
- Radiotherapie (bestraling) beschadigt het DNA van de tumorcellen zodat
er geen celgroei en mitose meer kan plaatsvinden. De tumor wordt kleiner.
De bijwerkingen hangen af van de dosis, soort en de plek. Het beschadigd
ook gezonde cellen. Er zijn lokale bijwerkingen (= op plek van
stalingsgebied) en systemische bijwerkingen (zoals vermoeidheid,
verminderde eetlust, huidproblemen, haaruitval en Onderdrukking van het
rood beenmerg: erytrocyten: anemie, leukocyten: verminderde afweer en
trombocyten: stollingsstoornissen (ook bij chemo een bijwerking).
Brachytherapie = inwendige radiotherapie, er worden radioactieve zaadjes
met naalden zo dicht mogelijk op de tumor ingebracht zorgt voor minder
schade aan het gezonde weefsel
Protonentherapie = nieuwe vorm van radiotherapie dat maar in een paar
ziekenhuizen beschikbaat is. Het zorgt dat er nog gerichter kan worden
bestraald waardoor de kans op bijwerkingen kleiner is. Het is betergeschikt
voor kinderen.
- Chemotherapie medicijn (cytostatica) gegeven dat de kwaadaardige
cellen dood of remt door het DNA te beschadigen. Het beschadigt ook snel
delende gezonde cellen.
Port-a-cath = katheter in de vene waarmee cytostatica kan worden
toegediend (als het lang en vaak moet gebeuren). Ook kan daarmee bloed
worden afgenomen.
- Hormoontherapie bij tumoren die groeien onder invloed van hormonen.
Doel: effect/productie van hormonen in het lichaam te blokkeren. Op de