1.1
De kandidaat onderbouwt voor een situatie op basis van een wetsartikel hoe verkrijging bij een
nalatenschap tot stand komt.
Het verkrijgen van een nalatenschap gaat via testamentair of wettelijk erfrecht. 4:190 e.v BW
1.2
De kandidaat onderbouwt voor een situatie of er sprake is van testamentair of wettelijk erfrecht.
Als er een testament (opgemaakt bij notaris) is gemaakt waar de erflater zijn erfgenamen
aanwijst, geld het testamentair erfrecht. Als er geen testament is geld het wettelijk erfrecht en
wijst de wet de erfgenamen van de erflater aan.
1.3
De kandidaat onderbouwt voor een situatie of er recht is op een legitieme portie.
De legitieme portie is alleen voor kinderen (of plaatsvervulling). Als je hier recht op hebt ben je
een legitimaris, je wordt geen erfgenaam. 4:63 BW. Dit is de helft van wat zij eigenlijk zouden
krijgen volgens wettelijk erfrecht. 4:64 BW. Je kan het pas opeisen als beide ouders zijn
overleden, en je kunt alleen maar geld opeisen.
1.4
De kandidaat onderbouwt voor een situatie of er sprake is van een legaat of een codicil.
Legaat: een legaat wordt opgenomen in een testament, een legaat bestaat uit geld of goederen.
Legataris word geen erfgenaam, maar heeft een vorderingsrecht dat ten laste komt van de
erfgenamen. 4:117 BW
Codicil: moet een handgeschreven brief zijn met datum, handtekening. Je kunt alleen goederen
nalaten, geen geld. Zoals kleding, sieraden en andere inboedel. 4:97 BW.
1.5
De kandidaat stelt aan de hand van een juridisch document vast of er sprake is van een verklaring
van erfrecht, een testament of een boedelvolmacht.
Verklaring van erfrecht: verklaring van de notaris waarin de erfgenamen van een overledene
worden aangewezen.
Testament: notariële akte met de laatste wil van de erflater.
Boedelvolmacht: hiermee machten de gezamenlijke erfgenamen een van de erfgenamen om
namens hen op te treden. Dit is handig, omdat er anders voor iedere beslissing over de erfenis
toestemming + handtekening nodig is van ieder erfgenaam.
1.6
De kandidaat stelt aan de hand van een situatie vast of er sprake is van een
boedelgevolmachtigde, een volmachtgever, een erflater, een executeur-testamentair, executeur-
afwikkelingsbewindvoerder.
Boedelgevolmachtigde: een erfgenaam treed namens alle erfgenamen op.
Volmachtgever(s): erfgenamen die 1 erfgenaam (boedelgevolmachtigde) toestemming geven om
namens hem op te reden over de nalatenschap.
Erflater: de overledene
executeur-testamentair: wikkelt nalatenschap af. Int vorderingen, betaald schulden schuld, regelt
, legaat, regelt begrafenis of ceremonie.
executeur-afwikkelingsbewindvoerder: mag meer zoals goederen verkopen en het nalatenschap
daarna tussen erfgenamen verdelen.
1.7
De kandidaat berekent voor een situatie hoe groot de legitieme portie is.
Het is altijd de helft van wettelijk erfrecht. Voor juridische kinderen alleen geld. Je berekend eerst
wat ieder erfgenaam volledig zou krijgen. Stel er zijn 5 erfgenamen en 4 kinderen, deel je eerst
de erfenis door 5. Dit is het bedrag want elk P.P zou krijgen, nu deel je dit bedrag nog door 2 en
dan weet je de legitieme portie voor in dit geval de 4 kinderen.
1.8
De kandidaat stelt vast of iemand een geldig testament kan opmaken (leeftijd, in het bezit van
verstandelijke vermogens).
Minimaal 16 jaar, handelingsbekwaam. 4:55 BW. Bij curatele mag het wel als je onder drank- of
drugsmisbruik staat. Bij curatele onder geestelijke of lichamelijke toestand mag dit alleen met
toestemming van de kantonrechter. Lid 2.
1.9
De kandidaat stelt voor een situatie de gevolgen vast voor de erfgenaam van het verwerpen,
aanvaarden en beneficiair aanvaarden van een erfenis.
Verwerpen: je neemt niks.
Zuiver aanvaarden: je neemt alles.
Beneficiair aanvaarden: je bent niet met eigen vermogen aansprakelijk, spullen uit de erfenis
worden gebruikt om schulden af te lossen. Schuld wat overblijft is voor niemand (schuldeiser
heeft pech), geld dat overblijft krijgen de erfgenamen. 4:190 BW.
1.10
De kandidaat berekent voor een situatie de verdeling van de nalatenschap volgens wettelijk en
testamentair erfrecht. 4:10 BW
Kinderen en echtgenoot 1: gelijk deel
Ouders 2: elk 25%
Broers en zussen 2: gelijk deel
Half broers en zussen 2: helft van volle broers en zussen
Grootouders 3: gelijk deel
Overgrootouders 4: gelijk deel
2.1 en 2.2
De kandidaat berekent voor een situatie wat de verschuldigde schenkingsrechten zijn aan de hand
van een tabel.
De kandidaat berekent voor een situatie wat de verschuldigde erfbelasting is aan de hand van een
tabel.
1. Bekijk van de erfenis hoeveel vrijstelling je krijgt (staat in bijgevoegde tabel op examen).
2. Bepaal hoeveel erfbelasting je moet betalen. Is dit onder het aangegeven tarief hoef je alleen in
het lage tarief te betalen. Komt het hier hierboven bereken je het resterende bedrag in het hoge
tarief.