1. Welk essentieel onderscheid wordt in de tekst gemaakt tussen
persoonlijkheidsstoornissen en klinische stoornissen zoals angststoornissen?
A) Klinische stoornissen zijn pervasief en persistent, terwijl persoonlijkheidsstoornissen
situationeel gebonden zijn.
B) Klinische stoornissen beïnvloeden het interpersoonlijk functioneren, terwijl
persoonlijkheidsstoornissen dat niet doen.
C) Persoonlijkheidsstoornissen ontstaan uitsluitend door fysiologische effecten van
middelen.
D) Persoonlijkheidsstoornissen zijn egosyntonisch, terwijl klinische stoornissen vaak als
egodystonisch worden ervaren.
2. Volgens criterium A van de algemene DSM-5 criteria voor
persoonlijkheidsstoornissen moet een langdurig patroon zich manifesteren op
minimaal twee gebieden. Welk gebied hoort hier NIET bij?
A) Impulsbeheersing
B) Affectiviteit
C) Cognitie
D) Sociaal-economische status
3. Wat wordt er in de context van de 'Drie P’s' specifiek bedoeld met de term
'pervasief'?
A) Het gedrag wijkt af van de geldende culturele normen.
B) Er is sprake van een klinisch significante lijdensdruk voor de omgeving.
C) Het patroon is stabiel over een zeer lange tijdspanne.
D) De symptomen manifesteren zich in een breed scala aan persoonlijke en sociale
situaties.
4. Bij de diagnostiek van een persoonlijkheidsstoornis moeten kenmerken worden
onderscheiden van reacties op specifieke stressoren. Welke bewering hierover is
correct volgens de tekst?
A) Kenmerken die voortkomen uit een medische aandoening, zoals hoofdtrauma, vallen
onder de definitie van een persoonlijkheidsstoornis.
B) Tijdelijke mentale toestanden zoals depressieve gevoelens sluiten een onderliggende
persoonlijkheidsstoornis direct uit.
C) Alleen kenmerken die na de vroege volwassenheid ontstaan, worden als
persoonlijkheidskenmerken gedefinieerd.
D) De stoornis moet onafhankelijk van situationele stressoren of voorbijgaande
toestanden kunnen worden vastgesteld.
2
,5. Wat is een kenmerkend cognitief mechanisme bij de Paranoïde
persoonlijkheidsstoornis volgens de DSM-5 criteria?
A) Het voortdurend zoeken naar bevestiging en bewondering door anderen.
B) Het ervaren van lichamelijke illusies en magische invloeden op de omgeving.
C) Een extreem gebrek aan interesse in sociale interacties of vriendschappen.
D) Het interpreteren van de motieven van anderen als kwaadwillig zonder objectieve
basis.
6. Voor de diagnose Antisociale persoonlijkheidsstoornis geldt een specifieke
leeftijdseis. Welke is dit?
A) De stoornis kan pas gediagnosticeerd worden als het patroon minstens 10 jaar
ononderbroken aanwezig is.
B) De symptomen moeten uitsluitend optreden tijdens een episode van schizofrenie.
C) Het individu moet minimaal 15 jaar zijn en symptomen vertonen sinds de kindertijd.
D) Het individu moet ten minste 18 jaar zijn, met bewijs van een gedragsstoornis vóór
het 15e jaar.
7. Wat typeert de Schizoïde persoonlijkheidsstoornis in vergelijking met de andere
stoornissen in Cluster A?
A) Een pervasief patroon van onthechting van sociale relaties en een beperkt bereik van
emotionele expressie.
B) Een voortdurende achterdocht en het koesteren van hardnekkige wrok.
C) Het actief vermijden van sociale contacten uit angst voor kritiek of afwijzing door
anderen.
D) Een acuut ongemak in hechte relaties gepaard met cognitieve vervormingen.
8. Welk van de volgende criteria is specifiek voor de Schizotypische
persoonlijkheidsstoornis?
A) Magisch denken dat het gedrag beïnvloedt en niet strookt met subculturele normen.
B) Een overmatige behoefte aan bewondering en een gebrek aan empathie.
C) Emotionele kilte en een voorkeur voor solitaire activiteiten boven gezinsbanden.
D) Het falen om zich te conformeren aan sociale normen en wetten.
9. Wat wordt in de samenvatting beschreven als de kern van Cluster B
persoonlijkheidsstoornissen?
A) Vreemd en excentriek gedrag met een sterke nadruk op achterdocht.
B) Angstige en bezorgde trekken waarbij sociale vermijding centraal staat.
C) Een patroon van instabiliteit, emotionaliteit, onvoorspelbaarheid en dramatisch
gedrag.
D) Kluizenaarsgedrag waarbij de persoon geen enkel plezier beleeft aan activiteiten.
3
, 10. Waar is het 'alternatieve model' voor persoonlijkheidsstoornissen te vinden in
de DSM-5?
A) In de inleiding als de enige geaccepteerde methode voor diagnostiek.
B) In de hoofdtekst als vervanging van de DSM-4 clusters.
C) In een apart handboek dat losstaat van de officiële DSM-5 publicatie.
D) In de appendix (sectie III) als een experimenteel of dimensioneel model.
11. Welke factor wordt gedefinieerd als een situatie of karakteristiek waar men
rekening mee houdt bij het opstellen van een toekomstverwachting voor de
patiënt?
A) Affectieve aansprakelijkheid
B) Differentiële diagnose
C) Prognostische factor
D) Prevalentiecijfer
12. Een patiënt reageert snel boos op waargenomen aanvallen op zijn karakter die
voor anderen niet zichtbaar zijn. Bij welke stoornis is dit een specifiek criterium?
A) Schizotypische persoonlijkheidsstoornis
B) Antisociale persoonlijkheidsstoornis
C) Borderline persoonlijkheidsstoornis
D) Paranoïde persoonlijkheidsstoornis
13. Waarom worden personen met een Schizoïde persoonlijkheidsstoornis relatief
weinig gezien in de Geestelijke Gezondheidszorg?
A) Omdat zij vaak worden verward met patiënten die lijden aan een bipolaire stoornis.
B) Omdat de stoornis zeer zeldzaam is met een prevalentie van minder dan 0,1%.
C) Omdat de diagnose enkel gesteld mag worden bij personen boven de 65 jaar.
D) Omdat zij zelf doorgaans geen lijdensdruk ervaren van hun sociale isolatie.
14. Bij de Schizotypische persoonlijkheidsstoornis wordt 'buitensporige sociale
angst' beschreven. Wat is een uniek kenmerk van deze angst in vergelijking met
sociale angststoornissen?
A) De angst is eerder gekoppeld aan paranoïde angsten dan aan een negatief
zelfoordeel.
B) De angst wordt uitsluitend veroorzaakt door fysiologische reacties op medicatie.
C) De angst vermindert naarmate de persoon vertrouwder raakt met de situatie.
D) De angst leidt tot een verhoogde behoefte aan seksuele ervaringen met vreemden.
4