1. Binnen de ontwikkelingspsychopathologie wordt gesteld dat
ontwikkelingsstoornissen vaak als een continuüm moeten worden beschouwd.
Wat is de meest accurate implicatie van dit 'continuüm-denken' voor de klinische
praktijk?
A) De grens tussen een normale variatie in gedrag en psychopathologie is gradueel en
hangt vaak af van de intensiteit en frequentie van kenmerken.
B) Het continuüm suggereert dat biologische factoren ondergeschikt zijn aan de sociale
context bij het bepalen van de ernst van de stoornis.
C) Stoornissen kunnen uitsluitend worden gediagnosticeerd wanneer er sprake is van
een kwalitatieve breuk met het normale ontwikkelingsverloop.
D) Elk individu vertoont op een bepaald punt in de ontwikkeling symptomen die voldoen
aan de drempelwaarde van een DSM-classificatie.
2. Bij het definiëren van abnormaliteit wordt gesproken over een 'kwalitatief
verschil' met het normale ontwikkelingsverloop. Wat wordt hier specifiek mee
bedoeld?
A) Gedrag dat vaker voorkomt dan statistisch gemiddeld is voor een bepaalde
leeftijdsgroep.
B) Gedrag dat plotseling verandert na een periode van relatieve stabiliteit in de
ontwikkeling.
C) Gedrag dat fundamenteel anders is van aard en niet slechts een extremere vorm van
normaal gedrag betreft.
D) Gedrag dat voortkomt uit een cumulatie van verschillende milde problematische
gedragingen.
3. Waarom is de factor 'leeftijd' een essentieel criterium bij het vaststellen van
psychopathologie bij kinderen?
A) Omdat de DSM-V strikte leeftijdsgrenzen hanteert waarbij symptomen vóór het
twaalfde levensjaar aanwezig moeten zijn voor elke stoornis.
B) Omdat gedrag dat op de ene leeftijd als adaptief of passend wordt gezien, op een
latere leeftijd als een symptoom kan worden beschouwd.
C) Omdat hersenstructuren pas na de adolescentie volledig zijn uitgerijpt voor een
betrouwbare diagnose.
D) Omdat externaliserend gedrag op jonge leeftijd altijd wijst op een onderliggende
neurologische stoornis.
4. Onderzoek wijst uit dat meisjes minder vaak gediagnosticeerd worden met
bepaalde ontwikkelingsstoornissen. Welke verklaring wordt hiervoor vanuit de
2
,wetenschappelijke historie gegeven?
A) Wetenschappelijk onderzoek heeft zich historisch vaker op jongens gericht vanwege
hun meer zichtbare en verstorende gedragsproblemen.
B) Meisjes vertonen vaker externaliserend gedrag, wat maatschappelijk meer
geaccepteerd wordt dan internaliserend gedrag.
C) De meetinstrumenten in de klinische psychologie zijn specifiek ontworpen om de
internaliserende symptomen van meisjes te overschatten.
D) De biologische constitutie van meisjes biedt een natuurlijke bescherming tegen de
ontwikkeling van neurobiologische stoornissen.
5. Een kind vertoont gedrag zoals vandalisme en diefstal zonder dat dit direct
gericht is tegen personen. In welk traject van gedragspaden valt dit gedrag?
A) Internaliserende trajecten, omdat het gedrag vaak een uiting is van onderliggende
depressieve gevoelens.
B) Regressieve trajecten, omdat het kind terugvalt in een gedragspatroon dat hoort bij
een eerdere ontwikkelingsfase.
C) Covert pathways, omdat het gedrag vaak verborgen blijft en zich richt op
eigendommen of sociale structuren.
D) Overt pathways, aangezien de schade aan eigendommen direct observeerbaar is
voor de buitenwereld.
6. Wat is een kernkenmerk van de discipline 'ontwikkelingspsychopathologie'?
A) Het bestudeert de processen die leiden tot psychopathologie én de factoren die juist
bescherming bieden tegen de ontwikkeling ervan.
B) Het focust uitsluitend op de genetische etiologie van stoornissen om curatieve
behandelingen te ontwikkelen.
C) Het gaat ervan uit dat de pathofysiologie van elke stoornis inmiddels volledig in kaart
is gebracht door modern onderzoek.
D) Het stelt dat omgevingsfactoren de enige bepalende factor zijn voor het ontstaan van
antisociaal gedrag bij adolescenten.
7. Binnen het ecologische model van Bronfenbrenner wordt de interactie tussen
de microsystemen beschreven. Hoe wordt dit niveau genoemd?
A) Het chronosysteem, dat de invloed van tijd en historische gebeurtenissen op de
ontwikkeling weergeeft.
B) Het mesosysteem, zoals de relatie tussen de ouders van een kind en de leerkrachten
op school.
C) Het exosysteem, waarin indirecte invloeden zoals het werk van ouders centraal
staan.
D) Het macrosysteem, dat de overkoepelende culturele waarden en wetgeving bevat.
3
, 8. Welk element binnen het model van Bronfenbrenner reflecteert de invloed van
de historische tijdgeest of een ingrijpende levensgebeurtenis zoals een
echtscheiding?
A) De transactionele dynamiek van het exosysteem.
B) De temporele dimensie van het chronosysteem.
C) De culturele normen binnen het macrosysteem.
D) De proximale factoren binnen het microsysteem.
9. In de context van risicofactoren voor psychopathologie wordt onderscheid
gemaakt tussen proximale en distale factoren. Wat is kenmerkend voor distale
factoren?
A) Ze hebben een directe en onmiddellijke impact op de vroege hechting tussen ouder
en kind.
B) Ze beschrijven de interactie tussen twee verschillende microsystemen waarin het
kind actief participeert.
C) Ze zijn uitsluitend biologisch van aard en worden bepaald door de genetische
opmaak van het individu.
D) Ze bevinden zich in de wijdere schillen van het ecologische model en uiten hun
invloed vaak op latere leeftijd.
10. Wat is een fundamentele aanname van het medische model binnen de
kinderpsychopathologie?
A) De classificatie van gedrag is ondergeschikt aan de subjectieve beleving van de
patiënt.
B) Gedragsproblemen zijn altijd een tijdelijke reactie op een verstoorde balans in het
gezinssysteem.
C) De stoornis wordt beschouwd als een uiting van organisch disfunctioneren dat zich
binnen het individu bevindt.
D) Psychopathologie is het resultaat van aangeleerde reacties op aversieve prikkels in
de omgeving.
11. Stel dat een kind gebeten is door een herdershond en vervolgens angst
vertoont voor alle honden, ongeacht het ras. Hoe wordt dit fenomeen binnen het
klassiek conditioneren genoemd?
A) Stimulus generalisatie, waarbij de geconditioneerde respons optreedt bij stimuli die
lijken op de oorspronkelijke stimulus.
B) Extinctie, waarbij de koppeling tussen de hond en de pijn langzaam vervaagt door
gebrek aan herhaling.
C) Operante bekrachtiging, waarbij de angst wordt versterkt door de aandacht van
omstanders.
D) Stimulus discriminatie, waarbij het kind leert dat alleen specifieke prikkels gevaarlijk
4